Omkoping binnen de familieband: politie-informatie verhandeld voor observatieklus

Rechtbank Overijssel 30 december 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:7607

Een man uit Noord-Holland wordt veroordeeld omdat hij zijn zwager, een politieagent, omkoopt om vertrouwelijke informatie uit politiesystemen te verkrijgen. Hij fungeert als tussenpersoon voor een derde die observaties en informatie over twee personen wenst. De verdachte initieert ontmoetingen, overhandigt geld en deelt verkregen informatie via Encrochat. De rechtbank acht bewezen dat hij opzettelijk uitlokt en omkoopt, maar spreekt hem vrij van medeplegen en een derde feit wegens onvoldoende bewijs. Vanwege termijnoverschrijding blijft de gevangenisstraf beperkt tot 46 dagen, aangevuld met 120 uur taakstraf. Zijn iPhone wordt verbeurd verklaard.

Context van de zaak

In deze strafzaak staat een natuurlijk persoon terecht die wordt verweten dat hij in 2020 zijn zwager, werkzaam als brigadier bij de politie-eenheid Noord-Holland, heeft omgekocht met geldbedragen en cadeaus om vertrouwelijke informatie uit politiesystemen te verkrijgen. De verdachte gebruikt zijn familieband met de politieambtenaar om hem te bewegen tot het uitvoeren van bevragingen in politiesystemen, en om informatie over derden met hem te delen. De zaak komt opnieuw voor de rechter nadat het gerechtshof een eerdere veroordeling heeft vernietigd en de zaak heeft terugverwezen naar de rechtbank Overijssel.

De tenlastelegging

De verdachte wordt drie feiten verweten:

  1. Het uitlokken van een politieambtenaar tot het schenden van zijn ambtsgeheim door het verstrekken van kentekens en persoonsgegevens, waardoor de ambtenaar deze informatie in politiesystemen opzoekt en aan verdachte verstrekt.

  2. Het doen van giften aan de politieambtenaar met het oogmerk hem te bewegen tot het opvragen van vertrouwelijke informatie in politiesystemen en het delen daarvan.

  3. Het opnieuw uitlokken van de politieambtenaar tot schending van diens ambtsgeheim, met betrekking tot andere personen en gegevens.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en vordert een gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek van voorarrest. Voor het derde feit vordert de officier vrijspraak wegens onvoldoende bewijs dat vertrouwelijke informatie is gedeeld.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt dat verdachte van feit 2 en 3 moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 2 is volgens hem geen sprake van het vereiste oogmerk, en is er geen sprake van medeplegen. De verdachte zou slechts aanwezig zijn geweest bij ontmoetingen, zonder inhoudelijke betrokkenheid bij de gesprekken. Wat betreft feit 1 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank beoordeelt de aan de verdachte ten laste gelegde feiten afzonderlijk en komt tot een genuanceerde en juridisch onderbouwde afweging van de bewijsmiddelen, het juridische kader en de intenties van de verdachte. Zij neemt bij haar oordeel in aanmerking dat de verdachte heeft gehandeld in strijd met de wetgeving ter bescherming van ambtsgeheimen en de integriteit van de overheid, met name de politieorganisatie.

Ten aanzien van feit 1: uitlokking van schending van ambtsgeheim

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zijn zwager, een politieambtenaar, heeft uitgelokt tot het schenden van diens ambtsgeheim. De uitlokking bestond uit het verstrekken van gegevens zoals kentekens en persoonsgegevens, met het doel vertrouwelijke informatie uit de politiesystemen te verkrijgen. De rechtbank stelt vast dat de verdachte daarbij gebruik heeft gemaakt van zijn nauwe familierelatie met de ambtenaar, wat de ernst van het feit vergroot.

Van belang is dat de verdachte opzettelijk handelde: hij wist dat zijn zwager als politieambtenaar toegang had tot vertrouwelijke systemen, en hij benutte deze toegang bewust voor eigen doeleinden. De verdachte heeft meerdere verzoeken gedaan en daarmee actief en herhaaldelijk aangezet tot het plegen van het strafbare feit. Bovendien blijkt uit de inhoud van Encrochat-berichten dat verdachte deze vertrouwelijke informatie mogelijk heeft doorgespeeld aan een derde, van wie hij de identiteit niet prijsgeeft. De rechtbank kwalificeert dit als opzettelijke uitlokking, gepleegd door het verschaffen van gelegenheid en middelen, meermalen gepleegd, als bedoeld in artikel 47 jo. 272 Sr.

Ten aanzien van feit 2: omkoping van een ambtenaar

Ook feit 2 acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen. De verdachte heeft zich volgens de rechtbank schuldig gemaakt aan omkoping van zijn zwager, met als doel hem te bewegen tot het raadplegen van politiesystemen en het verstrekken van vertrouwelijke informatie. De rechtbank overweegt dat voor een bewezenverklaring van artikel 177 Sr niet vereist is dat daadwerkelijk informatie wordt verstrekt, maar dat voldoende is dat een gift of belofte is gedaan met het oogmerk om een ambtenaar tot een bepaalde (onrechtmatige) handeling te bewegen.

Verdachte heeft erkend dat hij een enveloppe met geld – afkomstig van een derde – aan zijn zwager heeft overhandigd en dat hij deze zwager heeft geïntroduceerd bij die derde in het kader van een observatieklus. Hij was ook aanwezig bij de afspraken tussen betrokkenen en wist van de wens om specifieke personen te observeren en te volgen. Daarbij heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn zwager gebruik zou maken van diens toegang tot politiesystemen om informatie over deze personen op te vragen, hetgeen ook is gebeurd. Hiermee is sprake van opzet in voorwaardelijke zin, voldoende om aan het oogmerkvereiste van artikel 177 Sr te voldoen.

De rechtbank benadrukt dat verdachte niet slechts een doorgeefluik was, maar actief betrokken was bij het initiëren en faciliteren van de omkoping. Hij heeft afspraken geregeld, het geld overhandigd, peilbakens teruggegeven en als contactpersoon gefungeerd. Dat verdachte zelf geen politieambtenaar is, doet niet af aan de kwalificatie als omkoper.

Geen bewezenverklaring van medeplegen

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde medeplegen bij feit 2. Zij stelt vast dat uit het dossier onvoldoende blijkt van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking met anderen – waaronder de derde partij die de opdracht gaf – dat gesproken kan worden van medeplegen. De rol van verdachte blijft beperkt tot faciliterend, hoe ernstig ook, maar vertoont niet de noodzakelijke gelijkwaardigheid en samenwerking die vereist is voor medeplegen.

Ten aanzien van feit 3: vrijspraak wegens onvoldoende bewijs

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het derde feit, dat ziet op het uitlokken van een nieuwe schending van het ambtsgeheim in de zomer van 2020. Voor bewezenverklaring is vereist dat vaststaat dat de politieambtenaar daadwerkelijk vertrouwelijke informatie heeft gedeeld. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat weliswaar bevragingen in de politiesystemen hebben plaatsgevonden, maar het is niet vastgesteld dat informatie daaruit met de verdachte is gedeeld. Deze essentiële schakel ontbreekt, en daarom acht de rechtbank het feit niet wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

  • In april 2020 opzettelijk heeft uitgelokt dat zijn zwager vertrouwelijke politiegegevens opvroeg en deelde met hem.

  • In de periode juli tot september 2020 de politieambtenaar geld heeft gegeven met het oogmerk hem te bewegen tot het opvragen en delen van vertrouwelijke gegevens over specifieke personen in het kader van een observatieklus.

De strafoplegging

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de feiten. Verdachte ondermijnt door zijn handelen de integriteit van de politie en het publieke vertrouwen daarin. Hij heeft op geen enkel moment inzicht getoond in de laakbaarheid van zijn handelen. Hoewel sprake is van ernstige feiten, ziet de rechtbank aanleiding om vanwege de overschrijding van de redelijke termijn en het reeds ondergane voorarrest een straf op te leggen die gelijk is aan de tijd die reeds in detentie is doorgebracht.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 46 dagen, zijnde de duur van het voorarrest, en een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis.

De inbeslaggenomen voorwerpen

De in beslag genomen iPhone met toebehoren wordt verbeurdverklaard, nu dit voorwerp is gebruikt bij het begaan van het misdrijf. De overige in beslag genomen goederen zullen – voor zover nog niet afgehandeld – worden teruggegeven of door het Openbaar Ministerie verder worden afgehandeld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^