Pondspondsgewijs delen bij phishingfraude: Hoge Raad accepteert gelijke verdeling van miljoenenwinst tussen hoofdrolspelers
/Hoge Raad 31 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:491
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij phishingfraude. Hoge Raad over pondspondsgewijze toerekening van voordeel aan deelnemer criminele organisatie. De mate van toerekening hoeft niet uit wettige bewijsmiddelen te worden afgeleid. Bij gebreke van inzicht van de betrokkene in de onderlinge verdeling is gelijke verdeling tussen hoofdrolspelers niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep, anders dan de conclusie van de advocaat-generaal.
Achtergrond
Deze zaak draait om de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in het kader van een omvangrijke phishingoperatie gericht op klanten van de Rabobank. De betrokkene, een natuurlijk persoon geboren in 1972, is in de samenhangende strafzaak bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 20 september 2023 veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van oplichting, (gewoonte)witwassen en (gewoonte)heling (artikel 140 Sr). De betrokkene is in de strafzaak vrijgesproken van de oorspronkelijk afzonderlijk tenlastegelegde oplichtingen. De in de strafzaak opgelegde straf blijkt niet uit de onderhavige ontnemingsuitspraak.
De criminele organisatie opereerde in de periode van 4 januari 2014 tot en met 7 mei 2014. De werkwijze bestond eruit dat de organisatie de beschikkingsmacht verwierf over bankrekeningen van Rabobank-klanten door middel van phishing. Met de aldus verkregen toegang werden aanzienlijke geldbedragen van de bankrekeningen van de slachtoffers overgemaakt naar rekeningen van juweliers en autohandelaren, waarna dure horloges en auto's werden aangeschaft. Deze goederen werden vervolgens snel doorverkocht.
Binnen de organisatie had ieder lid een eigen rol en taak. De betrokkene hield zich bezig met het uitzoeken van de aan te schaffen goederen, het vinden, ronselen en instrueren van zogenoemde katvangers, het zorgen voor de snelle doorverkoop van de aangeschafte goederen en het in ontvangst nemen van de opbrengsten van de katvangers. Een medeverdachte selecteerde en verkreeg vertrouwelijke bankinformatie van rekeninghouders en verspreidde phishingberichten. Een andere medeverdachte benaderde de rekeninghouders telefonisch en ontfutselde hun de informatie waarmee de organisatie toegang tot de bankrekeningen verkreeg. Daarnaast onderhield zij contact met juweliers en autodealers en stuurde zij katvangers aan.
Het hof stelt het totale oplichtingsbedrag in de bewezenverklaarde periode aanvankelijk vast op EUR 388.261, verdeeld over elf zaaksdossiers. Bij herstelbeslissing van dezelfde datum corrigeert het hof dit bedrag naar EUR 376.901, omdat een zaaksdossier ten onrechte was meegenomen. Na aftrek van geschatte kosten van EUR 10.000 (EUR 1.000 per zaaksdossier, voor vergoedingen aan katvangers en hun begeleiders, ICT-apparatuur en telefoonkosten) en het aan een medeverdachte toegerekende aandeel van 5% (EUR 18.345), resteert een bedrag van EUR 348.556. Het hof verdeelt dit restbedrag pondspondsgewijs over drie hoofdrolspelers: de betrokkene, een medeverdachte en een vierde persoon die niet voor zijn kennelijke aandeel in de organisatie is veroordeeld. Het aan de betrokkene toegerekende voordeel bedraagt daarmee EUR 116.185. Wegens overschrijding van de redelijke termijn matigt het hof de betalingsverplichting tot EUR 98.000. De duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd, is bepaald op 1.080 dagen.
Eerste middel
Het eerste cassatiemiddel richt zich tegen de schatting door het hof van het aan de betrokkene toe te rekenen wederrechtelijk verkregen voordeel. Aan het middel ligt ten eerste de opvatting ten grondslag dat niet alleen de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel zelf, maar ook de mate van toerekening daarvan aan de betrokkene moet kunnen worden afgeleid uit de gebruikte bewijsmiddelen. Ten tweede klaagt het middel over de wijze waarop het hof het voordeel aan de betrokkene heeft toegerekend, in het bijzonder over het aantal personen tussen wie het voordeel is verdeeld. De verdediging wijst er daarbij op dat op pagina 24 van het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank melding wordt gemaakt van onduidelijkheid over wie het "brein is achter de organisatie", en voert aan dat meer personen in de verdeling hadden moeten worden betrokken.
In hoger beroep heeft de verdediging aangevoerd dat het voordeel tussen te weinig personen is verdeeld. Zij wijst op diverse namen die in het dossier en in tapgesprekken naar voren komen en betoogt dat het geld met veel meer personen moest worden verdeeld, dan wel dat er meer kosten waren. Ook betoogt de verdediging dat de geschatte kosten te laag zijn, omdat katvangers vaak met zijn tweeen opereerden en ook tussenpersonen een vergoeding ontvingen.
Tweede middel
Het tweede cassatiemiddel bevat overige klachten over de uitspraak van het hof. De precieze inhoud van dit middel wordt in het arrest niet nader gespecificeerd.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad vangt zijn beoordeling aan met het herhalen van drie vaste rechtsregels uit zijn eigen jurisprudentie.
Ten eerste herhaalt de Hoge Raad dat op grond van artikel 511f Sv de rechter de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel alleen kan ontlenen aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen, maar dat voor de mate van toerekening van dat voordeel aan de betrokkene die eis niet geldt. Voldoende is dat de feiten en omstandigheden die aan de toerekening ten grondslag liggen, zoals een bepaalde rolverdeling, uit het onderzoek op de terechtzitting zijn gebleken (vgl. HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2142).
Ten tweede herhaalt de Hoge Raad dat wanneer er meerdere daders zijn, de rechter op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval moet bepalen welk deel van het totale voordeel aan de betrokkene moet worden toegerekend. Als de omstandigheden onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een andere toerekening, kan pondspondsgewijze toerekening volgen. De rechter is daartoe echter niet verplicht en pondspondsgewijze toerekening vormt ook niet per definitie het uitgangspunt. De omstandigheden van het geval zijn beslissend en voor de motiveringsplicht van de rechter komt mede betekenis toe aan de procesopstelling van de betrokkene (vgl. HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1667).
Ten derde herhaalt de Hoge Raad dat bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel alleen kosten die in directe relatie staan tot het delict voor aftrek in aanmerking komen. De wetgever laat de rechter grote vrijheid om te bepalen of en in welke mate hij met dergelijke kosten rekening houdt. Een motiveringsplicht bestaat in beginsel niet, tenzij de betrokkene gemotiveerd en met specificatie van de betreffende posten het verweer voert dat bepaalde kosten moeten worden afgetrokken (vgl. HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3200).
Met betrekking tot het eerste onderdeel van het cassatiemiddel oordeelt de Hoge Raad dat de opvatting dat ook de mate van toerekening aan de betrokkene moet kunnen worden afgeleid uit de gebruikte bewijsmiddelen, onjuist is. Die opvatting faalt gelet op het hiervoor uiteengezette kader.
Met betrekking tot het tweede onderdeel, de wijze van toerekening, oordeelt de Hoge Raad dat het oordeel van het hof toereikend is gemotiveerd. De Hoge Raad neemt daarbij in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat de betrokkene zelf geen inzicht heeft gegeven in de onderlinge verdeling van het behaalde voordeel. De verwijzing door de verdediging naar de passage over onduidelijkheid over wie het "brein" achter de organisatie is, maakt het oordeel niet anders. De Hoge Raad geeft daarvoor twee redenen. In de eerste plaats heeft het hof met zijn verwijzing naar de betreffende pagina kennelijk slechts bedoeld de daar geschetste wezenlijke rol van de betrokkene in zijn oordeel te betrekken. In de tweede plaats heeft het hof in zijn verdeling daadwerkelijk rekening gehouden met een niet voor zijn aandeel veroordeelde vierde persoon, naast de drie op die pagina genoemde personen. Dat het hof geen aanleiding heeft gezien om nog andere personen in de verdeling te betrekken of tot een andere dan pondspondsgewijze verdeling te komen, is niet onbegrijpelijk.
Ten aanzien van het tweede middel en de overige klachten oordeelt de Hoge Raad dat deze evenmin tot vernietiging kunnen leiden. De Hoge Raad past artikel 81 lid 1 RO toe en motiveert dit oordeel niet nader.
Ambtshalve constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden, nu meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Tot cassatie leidt dit echter niet: in de samenhangende strafzaak (zaaknummer 23/03787) wordt beoordeeld of de overschrijding tot compensatie moet leiden, zodat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak volstaat met de constatering van de overschrijding (vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3575).
De Hoge Raad verwerpt het beroep. Daarmee wijkt de Hoge Raad af van de conclusie van advocaat-generaal Van Kempen, die tot vernietiging en terugwijzing had geconcludeerd.
Het arrest is gewezen door vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt.
