Overwegingen over toepassing ‘liquidatietarief kantonzaken’ & kosten van rechtsbijstand als onderdeel van de vordering benadeelde partij

Rechtbank Amsterdam 30 juni 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:4633

De penningmeester van de Rotterdamse culturele Stichting Noord Bruist wordt veroordeeld voor verduistering en valsheid in geschrift.

De benadeelde partij Stichting Noord Bruist vordert €60.325 aan materiële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vast staat dat aan de benadeelde partij Stichting Noord Bruist door het onder 1 en 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij Stichting Noord Bruist heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij Stichting Noord Bruist voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Kosten rechtsbijstand

Kosten van rechtsbijstand komen in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 592a Sv. Een redelijke uitleg van art. 592a Sv brengt mee dat bij de begroting van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures (HR 29 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1819, NJ 2002/123). Bij dat uitgangspunt dienen enkele kanttekeningen te worden geplaatst.

In civiele procedures wordt doorgaans bij de begroting van door een in het ongelijk gestelde partij te vergoeden proceskosten een zogenoemd liquidatietarief gehanteerd, zoals neergelegd in het op rechtspraak.nl gepubliceerde ‘Liquidatietarief kanton’ of in het ‘Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven’. Zo een liquidatietarief is geen recht in de zin van art. 79 RO, maar slechts een de rechter niet bindende richtlijn (HR 3 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2621, NJ 1998/571). Een dergelijke richtlijn leent zich bovendien niet steeds voor directe toepassing op de door de raadsman verrichte werkzaamheden ten behoeve van de benadeelde partij die zich in het strafproces heeft gevoegd (HR 26 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8866).

De rechter kan het aangewezen achten, kort gezegd, het ‘liquidatietarief kantonzaken’ toe te passen als de vordering beneden de bevoegdheidsgrens van de kantonrechter blijft dan wel in voorkomende gevallen de proceskosten berekenen overeenkomstig het ‘liquidatietarief rechtbank of hof’. De rechter kan evenwel van het door hem toepasselijk geachte liquidatietarief afwijken, al zal hij wanneer hij de werkelijke kosten wenst te vergoeden, die afwijking dienen te motiveren (HR 20 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7995, NJ 2009/234).

De rechtbank ziet geen redenen om van het toepasselijke geachte liquidatietarief af te wijken en zal – overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie – de proceskosten, uitgaande van het toegewezen bedrag aan schadevergoeding, bepalen op €3.576 (4 punten à €894).

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF