Aangetroffen asbest geen 'gevaarlijke afvalstof' in de zin van artikel 10.37 Wet Milieubeheer

Rechtbank Den Haag 24 november 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:13599 In de periode van 8 april 2013 tot en met 11 april 2013 heeft er in Hazerswoude-Rijndijk, aan de Rijndijk 158-164, een sloop plaatsgevonden op een perceel waar de voormalige veevoederfabriek bedrijf 3 was gevestigd. Deze sloop bestond uit het verwijderen van een woonhuis, een opslag en twee silo’s. bedrijf 1 heeft van bedrijf 4 de opdracht gekregen voor de totale sloop. De sloop vond in onderaanneming plaats met het bedrijf 5. Verdachte is de bestuurder van bedrijf 1.

Het bedrijf 6 heeft beide silo’s in opdracht van bedrijf 4 voorafgaand aan de sloop op asbest onderzocht en heeft naar aanleiding van dit onderzoek op 22 januari 2013 een asbestinventarisatierapport opgesteld. Uit dat rapport kwam naar voren dat de nieuwste van de twee silo’s (op basis van één bemonstering op het dak) asbestvrij werd verklaard en dat bij de twee bemonsteringen van een bitumencoating, die was aangebracht op de buitenkant van de oudste van de twee silo’s, asbest was aangetroffen in de vorm van chrysotiel. Een bijzonderheid daarbij was dat de nieuwe silo tegen de oude silo was aangebouwd en een deel van de bitumencoating tussen de silo’s zat. Deze bitumencoating was daardoor enkel benaderbaar vanaf de binnenzijde van de nieuwe silo. De sanering moest daarom bestaan uit een buitensanering in risicoklasse 2 (buitenkant oude silo) en een binnensanering in risicoklasse 2 (binnenkant van de nieuwe silo ten behoeve van de oude silo), die in twee SMA-rt 2009-APR Risicoclassificaties waren neergelegd. Voor de buitensanering moest de locatie worden afgebakend, beschermd en gemarkeerd. Bij de binnensanering moest een ‘containment’ worden aangelegd. Deze moest worden uitgevoerd conform de SC-530 regeling (waarin de eisen op het gebied van asbestverwijdering zijn neergelegd) en door een SC-530 gecertificeerd bedrijf. Bedrijf 1 is zo’n bedrijf. De eindcontrole moest geschieden volgens een NEN 2990 protocol. De werkmethode werd als volgt in algemene zin beschreven:

- de asbestverwijderingswerkzaamheden dienen te worden uitgevoerd in overeenstemming met de op het formulier aangeven specificaties en omstandigheden. Te allen tijde dient vezelemissie zoveel mogelijk te worden beperkt;

- voorafgaand aan de werkzaamheden dient een compleet werkplan te worden opgesteld conform SC-530 Bijlage G (werkplan);

- de werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd conform SC-530 Bijlage B (Technische uitvoering).

Reeds op 7 december 2012 had bedrijf 1 een “Werkplan Asbestverwijdering” opgesteld.

In opdracht van bedrijf 1 werd op 11 maart 2013 door hoger veiligheidsdeskundige (HVK’er) HVK'er een “asbestadvies” opgesteld. Bedrijf 1 had dit advies ingewonnen omdat bleek, nadat was gestart met de binnensanering van de oude silo via de nieuwe silo, dat een binnensanering praktisch niet uitvoerbaar was. De voor de binnensanering benodigde ‘containment’ kon vanwege een slechte bereikbaarheid en onveiligheid binnen de nieuwe silo niet worden gerealiseerd. HVK'er adviseerde dat de nieuwe silo eerst zou worden gesloopt, waarna de gehele bitumencoating op de oude silo (inclusief de binnenwand) gesaneerd kon worden volgens een SC-530 buitensanering in risicoklasse 2. Voorwaarden waren wel dat de ‘conventionele’ sloop van de nieuwe silo met de nodige voorzichtigheid diende te geschieden en dat beschadiging van de asbesthoudende bitumencoating moest worden voorkomen.

Na de sloop van de nieuwe silo is een nieuwe risicoclassificatie gemaakt voor de gehele oude silo, te weten een buitensanering risicoklasse 2, neergelegd in een SMA-rt 2009-APR Risicoclassificatie d.d. 8 april 2013.

Vervolgens is het werkplan op 8 april 2013 aangepast. Daarin werd naar aanleiding van het asbestadvies van HVK'er vermeld:

De saneerders zullen in een hoogwerker met behulp van hakgereedschap de asbesthoudende teerlaag verwijderen. De asbesthoudende teerlaag wordt in delen afgestoken en opgevangen op onderliggend folie. De restanten worden dan dubbel in zakken verpakt en gedeponeerd in de gereedstaande containers.

Uit de handgeschreven opmerkingen in dat werkplan en uit de verklaringen van Deskundig Toezichthouder Asbest (DTA’er) DTA'er, Deskundig Asbest Verwijderaar (DAV’er) en kraanmachinist DAV'er en kraanmachinist en vertegenwoordiger verdachte volgt dat men op 8 april 2013 middels een hoogwerker met hakhamers heeft geprobeerd de bitumencoating af te bikken. Daarbij ontstonden echter onvoorziene gaten in de keramische muur die de stabiliteit van die muur en de gehele silo in gevaar brachten. Na telefonisch overleg tussen DTA'er en verdachte is besloten te werken met een lichtere hakhamer, die echter hetzelfde resultaat gaf. Hierop is verdachte ter plaatse gekomen en is in overleg met DTA'er vastgesteld dat de muur te instabiel werd als op dezelfde saneerwijze zou worden doorgegaan. In een overleg met DTA'er, verdachte en de fysiek sanerende werknemers van bedrijf 1 is daarna besproken dat de ‘best beschikbare techniek’ het gecontroleerd slopen met een kraan was. Hierop zijn de muurdelen met een kraan met grijper verwijderd. De muurdelen met de bitumencoating werden (om emissie tegen te gaan) in zo groot mogelijke delen direct in een asbestcontainer gedeponeerd met een kraan die buiten het asbestgebied stond, terwijl er werd beneveld (ook om emissie tegen te gaan). Vervolgens werden overgebleven stukken muur met bitumencoating door “handpicking” verwijderd. Deze werkwijze was anders dan oorspronkelijk in het werkplan stond vermeld en daarom is deze handgeschreven in het werkplan opgenomen.

Door toezichthouder, toezichthouder bij de afdeling Bouw en Wonen van de gemeente Rijnwoude, zijn op 11 april 2013 twee monsters genomen uit een berg puin die buiten het asbestafzettingsgebied lag en die door DTA'er aangemerkt was als ‘schoon puin’. Vervolgens heeft toezichthouder het werk mondeling stilgelegd. Uit onderzoek uitgevoerd op 12 april 2013 is gebleken dat één van die monsters positief werd getest op asbest, te weten chrysotiel. Ook sommige andere monsters van dit terrein zijn positief getest op asbest, het betrof steeds anthofylliet. Daarnaast is sloopafval, dat als ‘schoon’ werd aangemerkt door bedrijf 1 en dat uiteindelijk is afgevoerd naar MNO Vervat, bemonsterd. Ook die monsters zijn positief getest op asbest, het betrof amosiet en anthofylliet.

De kernvraag

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of door bedrijf 1 handelingen (zoals onder 1 ten laste gelegd) met betrekking tot afvalstoffen (asbesthoudende coating) zijn verricht, terwijl zij wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan.

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is betoogd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat het aangetroffen asbest afkomstig was van de oude silo. Als het asbest van de niet-asbesthoudende silo afkomstig zou zijn, dan kan volgens de verdediging bedrijf 1 geen verwijt kan worden gemaakt.

Voorts heeft de verdediging betoogd dat bedrijf 1 niet wist en ook niet kon weten dat door haar handelen nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan. Volgens de verdediging is er gesaneerd op een wijze conform een buitensanering SC-530 van risicoklasse 2 en is ook na wijziging van de gebruikte werkwijze (niet meer handmatig maar met een kraan met grijper) gehandeld volgens de ‘best beschikbare technieken’. Volgens de verdediging mocht bedrijf 1 haar werkwijze binnen die risicoklasse wijzigen, zolang dit in het werkplan werd aangegeven. De stelling dat zij wederom een HVK’er had moeten raadplegen wordt betwist. HVK’er HVK'er had volgens de verdediging geen rol bij de wijze waarop de buitensanering in de praktijk werd uitgevoerd, zijn rapport zag enkel op de volgorde van de sloop en bevatte geen enkele aanwijzing ten aanzien van de sloopmethode.

Oordeel rechtbank

Ten aanzien van het aangetroffen asbest overweegt de rechtbank als volgt.

In het asbestinventarisatierapport is vermeld dat de oude silo asbest, te weten chrysotiel, bevatte. De nieuwe silo werd asbestvrij verklaard. In een van de monsters, genomen buiten het asbestafzettingsgebied, is chrysotiel aangetroffen. Op basis van het dossier kan echter niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de aangetroffen chrysotiel uit de bitumencoating van de oude silo afkomstig was. Dat geldt evenzeer voor de op het terrein en/of in het afgevoerde sloopafval aangetroffen amosiet en anthofylliet, nog daargelaten dat deze asbestsoorten niet zijn vermeld in het asbestinventarisatierapport. Niet kan worden uitgesloten dat het aangetroffen asbest uit de nieuwe silo of een ander deel van de oude silo afkomstig was, mede gelet op de werkwijze dat de bitumencoating in zo groot mogelijke delen direct in een asbestcontainer zou worden gedeponeerd. Er is derhalve geen wettig en overtuigend bewijs dat de sloop van de bitumencoating van de oude silo heeft gezorgd voor asbesthoudend materiaal buiten het asbestafzettingsgebied.

Voor zover de officier van justitie (in repliek) heeft betoogd dat de tenlastelegging ziet op de gehele sloop van het complex, is de rechtbank van oordeel dat dit niet uit de tekst van tenlastelegging volgt. Het gaat immers om “een silo” en een “asbesthoudende coating van die silo”. Het is tegen de achtergrond van het dossier evident dat hiermee de oude silo wordt aangeduid.

Ten aanzien van de door bedrijf 1 gevolgde werkwijze overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt allereerst vast dat uit het advies van HVK’er HVK'er alleen volgt dat de nieuwe silo eerst moest worden verwijderd om daarna tot een volledige buitensanering van de oude silo te kunnen komen. Een sloopinstructie – anders dan dat de nieuwe silo met de nodige voorzichtigheid moest worden verwijderd (om zo de bitumencoating op de oude silo niet te beschadigen) – komt niet voor in dit advies, ook niet – zoals HVK'er later heeft verklaard – dat de bitumencoating met de hand moest worden verwijderd. Ook in de werkmethode zoals omschreven in het asbestinventarisatierapport wordt niet gesteld dat de bitumencoating met de hand moest worden verwijderd en evenmin is gebleken dat dit is opgenomen in SC-530 Bijlage B (Technische uitvoering).

De rechtbank leidt uit het dossier af dat het in beginsel de verantwoordelijkheid van bedrijf 1, als SC-530 gecertificeerd bedrijf, was om na het advies van HVK'er een voor de oude silo juiste saneringsmethode te kiezen volgens de ‘best beschikbare technieken’ en dat niet is gebleken dat bij een wijziging van werkwijze van sloophamer naar sloopkraan opnieuw een HVK’er of een andere deskundige had moeten worden geraadpleegd. De rechtbank merkt in dat kader op dat HVK'er bij zijn verhoor heeft gesteld dat hij niet zeker wist of er wel sloophamers mochten worden gebruikt. Dit laatste wekt de indruk dat HVK'er ook niet over de juiste kennis beschikte om over een nieuwe werkwijze te kunnen adviseren.

Naar het oordeel van de rechtbank is aldus niet gebleken dat de werkwijze van VSM Sloopwerken in strijd met de SC-530 regeling is geweest, en ook niet dat bedrijf 1 niet heeft gehandeld volgens de ‘best beschikbare technieken’.

Conclusie

Hoewel de meeste gedragingen die in de tenlastelegging zijn opgenomen op zichzelf genomen bewezen zouden kunnen worden, kan gelet op het voorgaande niet wettig en overtuigend worden bewezen dat bedrijf 1 wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat door die gedragingen nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van feit 1.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF