Onschuldpresumptie en de herkomst van een Mercedes: Hoge Raad beoordeelt OM-cassatie tegen gedeeltelijke vrijspraak van witwassen

Hoge Raad 23 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:955

De Hoge Raad oordeelt in een OM-cassatie over de gedeeltelijke vrijspraak van het witwassen van een Mercedes. Het gerechtshof Amsterdam sprak de verdachte op dit punt vrij omdat het de criminele herkomst van de auto niet kon vaststellen zonder de inmiddels overleden voormalige eigenaar postuum schuldig te verklaren aan een strafbaar feit, hetgeen volgens het hof in strijd zou zijn met de onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM. De Hoge Raad oordeelt dat het hof daarmee het toepasselijke juridische kader heeft miskend. Bij de vraag of de Mercedes uit enig misdrijf afkomstig is, gaat het er niet om of de overleden eigenaar persoonlijk een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het door het Openbaar Ministerie voorgestelde middel slaagt. Naast deze OM-cassatie heeft de verdachte twee middelen voorgesteld over de bewezenverklaring en over het witwassen van twee horloges.

Achtergrond

De verdachte is een natuurlijk persoon. Het gerechtshof Amsterdam veroordeelt de verdachte bij arrest van 21 augustus 2025 (parketnummer 23-000914-20) in zaak A feit 1 wegens het van het plegen van witwassen een gewoonte maken en medeplegen van witwassen, in zaak A feit 2 wegens handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, in zaak B wegens het opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, meermalen gepleegd, en in zaak C wegens het opzettelijk gebruikmaken van een vals respectievelijk een vervalst geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof legt een gevangenisstraf op voor de duur van veertien maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast neemt het hof beslissingen over inbeslaggenomen voorwerpen. In zaak A feit 1 is de verdachte veroordeeld voor het medeplegen van witwassen van twee horloges, en vrijgesproken van het witwassen van een auto van het merk Mercedes.

Het hof overweegt dat er aanwijzingen zijn dat het vermogen van de inmiddels overleden voormalige eigenaar van de Mercedes van misdrijf afkomstig is en dat de verdachte na diens overlijden handelingen ten aanzien van de Mercedes heeft verricht. Die voormalige eigenaar is niet voor witwassen of voor onderliggende gronddelicten vervolgd. Het hof oordeelt dat de in artikel 6, tweede lid, EVRM neergelegde onschuldpresumptie eraan in de weg staat dat postuum de schuld van die persoon aan een strafbaar feit wordt vastgesteld, en dat daarvan sprake zou zijn als zou worden vastgesteld dat de Mercedes uit misdrijf afkomstig is, waarbij de mogelijkheid dat dit een door die persoon gepleegd strafbaar feit betreft niet ondenkbeeldig is. Het hof overweegt dat het verder geen oordeel kan en zal geven over de al dan niet criminele herkomst van het vermogen en de Mercedes, en spreekt de verdachte op dit onderdeel vrij. Er bestaat samenhang met de zaak 24/01863.

Cassatiemiddelen

Het cassatieberoep is ingesteld namens zowel de verdachte als het Openbaar Ministerie. Namens de verdachte zijn twee middelen voorgesteld; namens het Openbaar Ministerie één. Alle middelen hebben betrekking op het in zaak A als feit 1 tenlastegelegde en deels bewezenverklaarde gewoontewitwassen.

Het namens het Openbaar Ministerie voorgestelde middel klaagt dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting met zijn oordeel dat de onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM in de weg staat aan een bewezenverklaring. Daarnaast klaagt het middel dat het hof het toepasselijke beoordelingskader voor witwassen met een onbekend grondmisdrijf heeft miskend.

De twee namens de verdachte voorgestelde middelen keren zich tegen de bewezenverklaring in haar geheel en tegen het bewezenverklaarde witwassen van twee horloges in het bijzonder.

Het aangeleverde materiaal bevat de slotsom van de conclusie van de advocaat-generaal niet.

Beoordeling Hoge Raad

Over het door het Openbaar Ministerie voorgestelde middel oordeelt de Hoge Raad dat het hof met zijn oordeel het toepasselijke juridische kader heeft miskend. Het hof had slechts te beoordelen of de Mercedes als zodanig uit enig misdrijf afkomstig is, en niet of de overleden voormalige eigenaar persoonlijk in verband daarmee een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM staat aan die beoordeling niet in de weg. Het middel slaagt.

De beoordeling door de Hoge Raad van de namens de verdachte voorgestelde middelen blijkt niet uit het aangeleverde materiaal.

Beslissing van de Hoge Raad

Uit het aangeleverde materiaal volgt dat het door het Openbaar Ministerie voorgestelde middel slaagt, omdat het hof het toepasselijke juridische kader heeft miskend. De volledige beslissing van de Hoge Raad, waaronder de afdoening van de namens de verdachte voorgestelde middelen en het dictum, is in het aangeleverde materiaal niet opgenomen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^