Onderzoek Braddon: rechtbank legt 7 groepsvennootschappen geldboetes op en veroordeelt feitelijk leidinggever wegens niet tijdig doen van aangiften vennootschapsbelasting
/Rechtbank Oost-Brabant 7 mei 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2869, ECLI:NL:RBOBR:2026:2870, ECLI:NL:RBOBR:2026:2871, ECLI:NL:RBOBR:2026:2872, ECLI:NL:RBOBR:2026:2873, ECLI:NL:RBOBR:2026:2874, ECLI:NL:RBOBR:2026:2875 en ECLI:NL:RBOBR:2026:2876
Inleiding en context
De rechtbank Oost-Brabant wijst op 7 mei 2026 acht samenhangende vonnissen in een fiscale strafzaak die voortkomt uit het onder leiding van de Belastingdienst en FIOD uitgevoerde onderzoek Braddon, gesloten op 10 oktober 2024. De zaken zien op een groepsstructuur waarin een natuurlijk persoon, geboren in 1962, via een holdingvennootschap enig aandeelhouder en bestuurder is van zeven groepsvennootschappen. Het strafdossier betreft het niet of niet tijdig indienen van aangiften vennootschapsbelasting over 2020 en 2021 door deze zeven rechtspersonen. Tegen alle zeven groepsvennootschappen en de feitelijk leidinggever zijn afzonderlijke zaken aangebracht, die op tegenspraak zijn behandeld op de zittingen van 14 april 2026 en 30 april 2026. De FIOD heeft in 2019 een inval gedaan bij de onderneming en de administratie in beslag genomen. Vanaf februari 2022 wordt een nieuwe belastingadviseur ingeschakeld voor het opstellen van de aangiften. Uit het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat administratief al vanaf 2013 en 2014 sprake is van structurele problemen binnen de groep en dat over meerdere boekjaren geen jaarcijfers worden opgemaakt. Op de zitting van 14 april 2026 deelt de huidige belastingadviseur mee dat er nog tientallen fiscale procedures lopen tussen de Belastingdienst en de groepsvennootschappen.
Tenlastelegging en wettelijk kader
Aan elk van de zeven verdachte rechtspersonen wordt verweten dat zij in de periode van 6 augustus 2022 tot 28 juni 2024 voor het aangiftetijdvak 2020 en in de periode van 25 juli 2023 tot 28 juni 2024 voor het aangiftetijdvak 2021, al dan niet tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk de digitale aangiften vennootschapsbelasting niet of niet tijdig hebben gedaan, terwijl die feiten ertoe strekken dat te weinig belasting wordt geheven. Aan de feitelijk leidinggever wordt verweten dat hij aan deze gedragingen feitelijke leiding heeft gegeven. Het wettelijk kader bestaat uit artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 9, 14a tot en met 14c, 51, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht. Centraal staan de bestanddelen opzet, het strekkingsvereiste, de toerekening aan de rechtspersoon op de voet van artikel 51 Sr en, voor de natuurlijke persoon, het feitelijk leidinggeven.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie acht het ten laste gelegde in alle zaken wettig en overtuigend bewezen. Voor de strafmaat hanteert de officier van justitie het uitgangspunt van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, waarbij bij voorwaardelijk opzet 50 procent van het fiscale nadeelsbedrag wordt geëist. Per groepsvennootschap leidt dit tot de volgende eisen: voor de holding € 500.000 bij een geschat nadeel van ongeveer € 1 miljoen na correcties van aansluitverschillen, voor een tweede vennootschap € 500.000 bij een nadeel van € 1.159.439, voor een derde vennootschap € 125.000 bij een nadeel van € 257.021, voor een vierde vennootschap € 85.000 bij een nadeel van € 172.487, voor een vijfde vennootschap € 60.000 bij een nadeel van € 126.085, voor een zesde vennootschap € 40.000 bij een nadeel van € 81.726 en voor een zevende vennootschap € 13.000 bij een nadeel van € 27.267. Tegen de feitelijk leidinggever eist het Openbaar Ministerie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, gelet op het totale fiscale nadeel van ruim € 2,8 miljoen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging voert in alle zaken dezelfde verweren. Allereerst dient partiële vrijspraak te volgen van het onderdeel niet doen van aangiften, nu deze uiteindelijk op 28 juni 2024 zijn ingediend. Voorts betoogt de verdediging dat het dossier slechts systeemuitdraaien van aanmaningen bevat, zodat niet kan worden vastgesteld dat deze de belastingplichtigen daadwerkelijk hebben bereikt. Daarnaast ontbreekt volgens de verdediging het opzet en is subsidiair niet voldaan aan het strekkingsvereiste, gelet op forse compensabele verliezen binnen de ondernemingen. Ten aanzien van de holdingvennootschap voert de verdediging bovendien aan dat de eerder vastgestelde correcties over 2020 en 2021 inmiddels komen te vervallen en dat de in juni 2024 ingediende aangiften worden gevolgd. Voor alle zeven rechtspersonen bepleit de verdediging vrijspraak van het medeplegen. In de zaak tegen de feitelijk leidinggever wordt aanvullend betoogd dat het kwaliteitsdelicten betreft waarvan hij niet als pleger kan worden veroordeeld omdat hij die kwaliteit niet bezit. Voor de strafmaat verzoekt de verdediging in alle zaken rekening te houden met het feit dat de administratie inmiddels is rechtgetrokken en dat de intentie bestaat voortaan jaarlijks tijdig aangifte te doen.
Oordeel gerecht
De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is en dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is. Aan de hand van het overzicht van uitnodigingen, herinneringen en aanmaningen, en de correctiebrieven van de inspecteur, stelt de rechtbank vast dat de uiterste termijn voor de aangifte 2020 op 5 augustus 2022 lag en voor 2021 op 24 juli 2023, en dat binnen die termijnen geen aangiften zijn ingediend.
Het verweer over de ontvangst van de aanmaningen wordt verworpen. De aanmaningen zijn telkens gericht aan het bij de Kamer van Koophandel geregistreerde vestigingsadres in Asten, waar volgens de feitelijk leidinggever ook de centrale administratie van alle ondernemingen is gevestigd. De verdediging heeft niet uitdrukkelijk betwist dat de aanmaningen op dat adres zijn ontvangen, maar wijst slechts op de bewijspositie. Daarmee onderscheidt deze zaak zich van de aangehaalde jurisprudentie waarin een verdachte uitdrukkelijk en te goeder trouw ontvangst betwist. Uit de eigen verklaring van de feitelijk leidinggever blijkt dat hij wist dat termijnen golden en zijn personeel intern op tijdige indiening heeft aangesproken. Ook de belastingadviseur verklaart bij de rechter-commissaris dat reeds op 4 juli 2023 een overleg met de Belastingdienst heeft plaatsgevonden over de bestaande achterstanden en dat veelvuldig contact is geweest.
Voorwaardelijk opzet acht de rechtbank aanwezig: omstandigheden zoals de FIOD-inval in 2019, de inbeslagname van administratie en het vertrek van de vaste accountant ontslaan de rechtspersonen niet van hun fiscale verplichtingen. Het is aan de rechtspersoon om een deugdelijke administratie te voeren waarmee tijdig aangifte kan worden gedaan. Door dit structureel na te laten heeft elke verdachte rechtspersoon bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat geen tijdige aangifte zou worden gedaan.
Het strekkingsvereiste is vervuld. De beoordeling vindt plaats naar het moment waarop de belastingplichtige in verzuim is, zodat latere ontwikkelingen, waaronder compensabele verliezen en het vervallen van eerdere correcties, geen rol spelen. Onder verwijzing naar HR 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3431, overweegt de rechtbank dat beslissend is of de gedraging naar haar aard in het algemeen geschikt is om in rekenkundige zin onvoldoende belastingheffing teweeg te brengen, en dat die strekking niet is beperkt tot de heffing ten laste van degene die de verboden gedraging heeft verricht. De gedragingen worden toegerekend aan elke verdachte rechtspersoon, nu het doen van aangifte vennootschapsbelasting in de sfeer van de rechtspersoon plaatsvindt en past in haar normale bedrijfsvoering. Het medeplegen acht de rechtbank in geen van de zaken bewezen, zodat op dat punt partiële vrijspraak volgt. Eveneens volgt partiële vrijspraak van het onderdeel niet doen van aangiften omdat deze alsnog op 28 juni 2024 zijn ingediend.
In de zaak tegen de feitelijk leidinggever overweegt de rechtbank dat verdachte zich, los van zijn formele bevoegdheden, heeft gepresenteerd en gedragen als feitelijk leidinggever van de rechtspersonen en dit ook heeft erkend, zodat het feitelijk leidinggeven bewezen kan worden verklaard. Het verweer over het kwaliteitsdelict wordt verworpen omdat verdachte niet als pleger maar als feitelijk leidinggevende is tenlastegelegd.
Bewezenverklaring
Bewezen wordt verklaard dat elk van de zeven verdachte rechtspersonen, en de feitelijk leidinggever ten aanzien van hun gedragingen, zich heeft schuldig gemaakt aan:
het in de periode van 6 augustus 2022 tot 28 juni 2024 opzettelijk niet binnen de daarvoor gestelde termijn doen van de digitale aangifte vennootschapsbelasting over het aangiftetijdvak 2020, in Nederland, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven;
het in de periode van 25 juli 2023 tot 28 juni 2024 opzettelijk niet binnen de daarvoor gestelde termijn doen van de digitale aangifte vennootschapsbelasting over het aangiftetijdvak 2021, in Nederland, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven.
Voor de zeven rechtspersonen levert het bewezenverklaarde op: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet of niet tijdig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd. Voor de natuurlijke persoon geldt dezelfde kwalificatie met de toevoeging dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen. Partiële vrijspraak volgt voor allen van het onderdeel niet doen van aangiften en van het medeplegen.
Strafoplegging en maatregelen
Aan de zeven rechtspersonen worden geldboetes opgelegd van € 500.000, € 500.000, € 125.000, € 85.000, € 60.000, € 40.000 en € 13.000, in lijn met de geëiste 50 procent van het fiscale nadeel per vennootschap. De rechtbank ziet ten aanzien van de rechtspersonen geen aanleiding om af te wijken van de eis van het Openbaar Ministerie en houdt rekening met eerdere strafbeschikkingen die telkens zijn opgelegd voor het niet publiceren van de jaarrekening, variërend van € 600 tot € 6.500, waardoor artikel 63 Sr van toepassing is. De rechtbank rekent het de rechtspersonen aan dat zij gedurende meerdere jaren forse fiscale nalatigheid hebben begaan, met grote financiële belangen gemoeid, en dat zij de integriteit van het financiële en economische verkeer hebben geschonden ten behoeve van eigen financiële belangen.
Aan de feitelijk leidinggever legt de rechtbank een gevangenisstraf op voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank wijkt daarmee af van de eis van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden. Daarbij weegt zij mee dat aan verdachte op 15 april 2025 reeds een gevangenisstraf is opgelegd van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk voor het niet juist voeren van een administratie en het niet tijdig doen van belastingaangiften over 2017 en 2018, welke zaak gelijktijdig had kunnen worden behandeld. Artikel 63 Sr is van toepassing. De rechtbank verwijst naar de oriëntatiepunten van het LOVS, die bij een benadelingsbedrag van € 1.000.000 en hoger uitgaan van een gevangenisstraf van vierentwintig maanden tot vier jaar. De rechtbank rekent verdachte aan dat hij over meerdere boekjaren geen jaarcijfers heeft opgemaakt, dat pogingen om hem compliant te krijgen zijn mislukt en dat de gebrekkige administratie het ook na indiening lastig maakt tot juiste aangiften te komen. De rechtbank betrekt voorts dat onduidelijk is of de verschuldigde belasting daadwerkelijk volledig zal worden voldaan, mede omdat de bedrijven grotendeels stilliggen door ingetrokken vergunningen.
Lees hier de volledige uitspraken:
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2869,
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2870,
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2871,
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2872,
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2873,
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2874,
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2875
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2876.
