OM niet-ontvankelijk in vervolging fiscale strafzaak: schending ne bis in idem wegens samenloop civielrechtelijke lijfsdwang & strafrechtelijke vervolging

Het gerechtshof Amsterdam heeft op 28 oktober 2016 het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging tegen een 62 jarige verdachte. Hij werd een jaar in een penitentiaire inrichting vastgehouden, onder meer omdat hij volgens de Belastingdienst onvoldoende inlichtingen verstrekte over zijn vermogenspositie. Vervolgens werd hij voor datzelfde feit door het Openbaar Ministerie vervolgd.

Het hof is van oordeel dat een dergelijke vervolging voor hetzelfde feit in strijd is met het ne bis in idem beginsel. Om die reden verklaart het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.

De strafzaak

De verdachte werd vervolgd in verband met het verzaken van zijn inlichtingenplicht op grond van de Invorderingswet jegens de Belastingdienst over de jaren 2000 en 2001.

De rechtbank had de verdachte in 2004 hiervoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren. Het hof heeft in 2009 het OM niet-ontvankelijk verklaard en het OM heeft tegen die beslissing cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft in 2011 de strafzaak teruggewezen naar het hof, die deze opnieuw heeft behandeld vanaf oktober 2015.
De advocaat-generaal heeft in het huidige hoger beroep een gevangenisstraf van 18 maanden gevorderd.

De civiele zaak, lijfsdwang en de strafzaak

De Ontvanger had een civiele zaak tegen de verdachte aangespannen om hem te bewegen aan zijn inlichtingenplicht te voldoen, opdat hij uiteindelijk zijn belastingschulden zou voldoen. De Amsterdamse rechtbankpresident heeft in Kort Geding op 16 maart 2000 bepaald dat twee dwangbevelen die tegen de man waren uitgevaardigd door lijfsdwang ten uitvoer konden worden gelegd, door hem in gijzeling te nemen voor maximaal één jaar. Deze lijfsdwang is vervolgens aan verdachte opgelegd en na een jaar op 16 maart 2001 van rechtswege geëindigd.

De Ontvanger vond dat de lijfsdwang niet had geleid tot de gewenste inlichtingen. Op 8 maart 2001 is besloten een strafrechtelijk onderzoek tegen de verdachte in te stellen en daarmee is de onderhavige strafzaak aangevangen.

Geen tweede vervolging voor hetzelfde feit

De kernvraag die aan het hof voorlag was of het mogelijk is naast genoemde civielrechtelijke vrijheidsbeneming ter zake van hetzelfde feit vervolgens een strafvervolging in te zetten. Het gaat hier om het ne bis in idem-beginsel, dat inhoudt dat iemand niet tweemaal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit. Het hof heeft in zijn arrest uitvoerig gemotiveerd waarom het vindt dat in dit geval sprake is van hetzelfde feit.

Uitzonderlijke samenloop van het civielrechtelijk en strafrechtelijk traject

De civielrechtelijke en de strafrechtelijke route lopen in deze zaak naast en gescheiden van elkaar, zonder dat deze procedures in juridisch opzicht in enige zin ‘connected’ zijn. Dat wil zeggen dat de invordering onverminderd doorgaat, ongeacht wat de uitkomst is in de strafzaak en omgekeerd. Dat is volgens het hof mede gezien het oordeel van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in 2015 in het kader van het beginsel van ne bis in idem een ontoelaatbare dubbeltelling. Het hof vindt dat in dit geval sprake is van een uitzonderlijke samenloop van het civielrechtelijk en strafrechtelijk traject, die op gespannen voet staat met het ne bis in idem-beginsel.

Strijd met beginselen van een goede procesorde: OM niet-ontvankelijk

Bij de huidige Nederlandse regelgeving is de strafvervolging van een verdachte wegens het opzettelijk niet (of onvoldoende) voldoen aan de fiscale informatieplicht in strijd met de beginselen van een goede procesorde in die gevallen waarin de verdachte op grond van datzelfde feit reeds een vrijheidsbeneming heeft ondergaan om aan diezelfde inlichtingenplicht te voldoen. 

Die beginselen van een goede procesorde brengen in dit geval met zich mee dat inbreuk wordt gemaakt op het beginsel dat iemand niet tweemaal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit. Dit leidt tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging.

De uitspraak is op dit moment nog niet gepubliceerd. 

 

Print Friendly and PDF