Offline door strafzaak: geen vergoeding voor gemiste influencerinkomsten

Rechtbank Amsterdam 10 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1411

Verzoekster, werkzaam als spreker en influencer, verzoekt na haar vrijspraak wegens smaadschrift om vergoeding van € 103.970 op grond van artikel 530 Sv, waaronder € 97.848 aan gederfde inkomsten doordat zij op advies van haar advocaat tijdelijk offline gaat. Zij stelt dat haar online afwezigheid direct leidt tot het wegvallen van opdrachten en samenwerkingen. Het Openbaar Ministerie betwist de causaliteit en voert aan dat geen sprake is van schade door tijdverzuim als bedoeld in artikel 530 Sv. De rechtbank oordeelt dat het Wetboek van Strafvordering alleen ruimte biedt voor vergoeding van daadwerkelijk geleden schade door tijdverzuim en niet voor indirecte inkomensschade. De gederfde inkomsten worden afgewezen, terwijl de kosten van de raadsvrouw en de verzoekschriftprocedure tot een totaal van € 6.125 worden toegewezen.

Context van de zaak

De zaak betreft een verzoekschriftprocedure ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering. Verzoekster is een natuurlijke persoon, geboren in 1987, die haar inkomsten verwerft als spreker en influencer. Zij exploiteert haar professionele activiteiten hoofdzakelijk via sociale media en haar eigen website. Haar zichtbaarheid online vormt volgens haar de kern van haar verdienmodel. Organisaties boeken haar voor lezingen en samenwerkingen op basis van haar online aanwezigheid en bereik.

Aan verzoekster loopt een strafzaak wegens smaadschrift. De politierechter in de rechtbank Amsterdam spreekt haar bij vonnis van 12 juni 2025 vrij. Dit vonnis wordt onherroepelijk. In aansluiting daarop dient zij op 8 september 2025 een verzoekschrift in strekkende tot vergoeding van schade en kosten op grond van artikel 530 Sv. Het verzoek wordt behandeld in openbare raadkamer op 27 januari 2026. Verzoekster, haar raadsvrouw en de officier van justitie worden gehoord.

Het verzoek strekt tot toekenning van een bedrag van in totaal 103.970. Dit bedrag bestaat uit 97.848 aan gederfde inkomsten, 5.445 aan kosten van rechtsbijstand in de strafzaak en 680 aan kosten voor het opstellen, indienen en toelichten van het verzoekschrift.

Tenlastelegging

In de onderliggende strafzaak wordt verzoekster verweten dat zij zich schuldig maakt aan smaadschrift. De aanleiding ligt in een woordenwisseling op 25 april 2023 in Amsterdam tussen verzoekster en een ander. Over en weer wordt aangifte van mishandeling gedaan, maar deze zaken worden door het Openbaar Ministerie geseponeerd.

Op 28 september 2023 doet de wederpartij aangifte van smaadschrift, nadat verzoekster een sepotbrief van het Openbaar Ministerie op Instagram plaatst. De naam van de aangeefster is gedeeltelijk weggekrast, maar blijkt op de achterzijde nog zichtbaar. Naar aanleiding hiervan wordt verzoekster vervolgd wegens smaadschrift. Zij wordt op 13 februari 2024 als verdachte gehoord en ontvangt op 17 januari 2025 een dagvaarding om op 28 februari 2025 te verschijnen. Na aanhouding wegens een wrakingsverzoek wordt de zaak op 12 juni 2025 inhoudelijk behandeld, waarna vrijspraak volgt.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Ten aanzien van de gederfde inkomsten stelt het Openbaar Ministerie zich op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen. Volgens het Openbaar Ministerie blijkt uit het dossier niet dat verzoekster zich genoodzaakt voelt om haar online activiteiten te staken. Zij kiest er zelf voor om de sepotbrief te publiceren en haar volgers te informeren over het verloop van de strafzaak. Uit de reacties op haar berichten blijkt bovendien dat haar volgers vooral steun betuigen. Van bedreigende of intimiderende reacties is geen sprake.

Het Openbaar Ministerie voert aan dat niet aannemelijk wordt dat verzoekster door de vervolging wordt gedwongen om volledig offline te gaan. Evenmin wordt voldoende onderbouwd dat het gestelde inkomensverlies rechtstreeks voortvloeit uit de vervolging. De causaliteit tussen de strafzaak en het beweerde verlies van ruim 90.000 aan inkomsten kan niet worden vastgesteld. Gelet op alle omstandigheden ontbreken volgens het Openbaar Ministerie gronden van billijkheid om de verzochte vergoeding toe te kennen.

Ten aanzien van de kosten van de raadsvrouw verzet het Openbaar Ministerie zich niet tegen toewijzing van het gevraagde bedrag.

Standpunt van de verdediging

Verzoekster stelt dat zij begin januari 2025 volledig offline gaat op advies van haar advocaat. Deze adviseert haar tot maximale terughoudendheid op sociale media om verdere juridische complicaties of bewijsproblemen te voorkomen. Volgens verzoekster is deze keuze noodzakelijk in het licht van de lopende strafzaak.

Zij voert aan dat haar werk als spreker en influencer direct afhankelijk is van haar online zichtbaarheid. Organisaties vinden haar via sociale media, vaak naar aanleiding van berichten die worden gedeeld of opvallen binnen netwerken. Tijdens haar maandenlange afwezigheid droogt de stroom van aanvragen volledig op. Sinds haar terugkeer blijken acht van de tien nieuwe opdrachten direct te herleiden tot haar online aanwezigheid.

De gederfde inkomsten begroot zij op 97.848. Dit bedrag bestaat uit 89.500 aan lezingen en opdrachten die zij stelt te hebben misgelopen en 8.348 aan gemiste structurele influencer-samenwerkingen. Zij wijst op verlies van zichtbaarheid, verlies van momentum, afname van vertrouwen bij opdrachtgevers en het mislopen van concrete boekingen. Hoewel een strikte lezing van artikel 530 Sv mogelijk geen ruimte laat voor vergoeding van dergelijke schade, betoogt de raadsvrouw dat de inkomensderving wel degelijk het directe gevolg is van de strafzaak en daarom voor vergoeding in aanmerking moet komen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat artikel 530 Sv voorziet in vergoeding van bepaalde kosten en schade indien een zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder toepassing van artikel 9a Sr. Het tweede lid van dit artikel biedt ruimte voor vergoeding van schade die werkelijk is geleden ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling ter terechtzitting, alsmede voor vergoeding van kosten van een raadsman. Op grond van artikel 534 Sv vindt toekenning slechts plaats indien, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Met betrekking tot de gederfde inkomsten overweegt de rechtbank dat het Wetboek van Strafvordering niet voorziet in vergoeding van andere schade dan die welke daadwerkelijk wordt geleden als gevolg van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling ter terechtzitting. Uit de onderbouwing van het verzoek blijkt niet dat verzoekster inkomsten misloopt doordat zij tijd besteedt aan verhoren of zittingen. Het door haar gestelde inkomensverlies vloeit voort uit haar eigen keuze om haar online activiteiten tijdelijk te staken.

De rechtbank erkent dat deze keuze volgens verzoekster is ingegeven door juridisch advies, maar oordeelt dat dit niet valt onder de limitatief omschreven schadepost van tijdverzuim in artikel 530 Sv. De wettelijke regeling biedt geen grondslag voor vergoeding van bredere inkomensschade die indirect samenhangt met een strafzaak. Reeds om die reden wordt het verzoek tot vergoeding van 97.848 afgewezen.

Ten aanzien van de kosten van de raadsvrouw in de strafzaak overweegt de rechtbank dat deze voldoende zijn onderbouwd met urenspecificaties en declaraties. Nu de zaak eindigt in vrijspraak en geen beletselen bestaan, worden deze kosten toegewezen tot een bedrag van 5.445.

Voor de kosten van het opstellen, indienen en toelichten van het verzoekschrift kent de rechtbank het gebruikelijke forfaitaire bedrag van 680 toe.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^