Basisteams en online criminaliteit: bevindingen en aanbevelingen uit Online doorpakken of doormodderen?

In juli 2026 verscheen in de reeks Politiekunde van het programma Politie en Wetenschap het rapport Online doorpakken of doormodderen? van Saskia Westers, Nick van der Klok, Julia Klopman, Remco Spithoven en Jurjen Jansen. De centrale onderzoeksvraag luidt hoe basisteams van de politie hun personeel effectief kunnen voorbereiden op een intensivering van de lokale aanpak van online criminaliteit. Op landelijk niveau richt de politie zich al langer op grootschalige en complexe online delicten, onder meer via het Team High Tech Crime en de regionale cybercrimeteams die na het Programma Intensivering Aanpak Cybercrime uit 2016 zijn opgezet. De ambitie van de politie is die aanpak door te trekken naar lokaal niveau, waarbij basisteams eenvoudige vormen van online criminaliteit oppakken. Volgens de auteurs worden jaarlijks 2 tot 2,5 miljoen Nederlanders van vijftien jaar en ouder slachtoffer van online criminaliteit. Een groot deel van de delicten die in het onderzoek centraal staan, zoals aan- en verkoopfraude, phishing, telefonische helpdeskfraude en de inzet van geldezels, valt binnen het financieel-economisch strafrecht. Het rapport is gratis te downloaden.

Onderzoeksopzet

De onderzoekers werkten samen met twee basisteams, een in het noorden en een in het oosten van het land. Deze teams zijn in het rapport geanonimiseerd als Postenveld en Lichtblauwveen. Tussen december 2023 en februari 2024 zijn daar 33 semigestructureerde interviews afgenomen met medewerkers uit alle functiegroepen, van intake en service tot basisteamrecherche, incidentafhandeling en leiding. In oktober en november 2024 volgde een online vragenlijst onder een steekproef van 3.392 basisteammedewerkers, die 276 respondenten volledig invulden (8,1 procent). In 2025 zijn in beide basisteams lokale interventies ontwikkeld en geëvalueerd. Tot slot spraken de onderzoekers met tien experts binnen en buiten de politie, onder wie een medewerker van het Openbaar Ministerie, over een mogelijke landelijke opschaling.

Het rapport benoemt zelf een aantal beperkingen. Door de lage respons is zelfselectie mogelijk: medewerkers met meer interesse in online criminaliteit hebben de vragenlijst mogelijk eerder ingevuld. Daarnaast was de eerste auteur bij het ontwerponderzoek in Postenveld zowel onderzoeker als actieve veranderaar binnen het team. Volgens de auteurs roept dat vragen op over de onafhankelijkheid van dat onderdeel.

Het toewijzingskader en de taak van het basisteam

Het onderzoek sluit aan bij het concept-Toewijzingskader Cybercrime uit 2023 van de toenmalige politieportefeuille Digitalisering & Cybercrime. Volgens dat kader richten basisteams zich op enkelvoudige zaken met een lage complexiteit, voldoende opsporingsindicaties en een bekende dader. Het rapport noemt als voorbeelden het aanhouden en afhandelen van geldezels, sextortion zonder letsel, cyberpesten, hacken in de relationele sfeer, DDoS-aanvallen met een bekende dader en diefstal van gegevens door medewerkers van een bedrijf.

De geïnterviewden noemen het kader een goed en ambitieus initiatief, maar uiten twijfels over de capaciteit en de uitvoerbaarheid ervan. Volgens hen kan online criminaliteit niet zonder meer aan het bestaande takenpakket worden toegevoegd. Daarvoor moet worden geprioriteerd of moet meer personeel worden aangenomen. Veel respondenten vinden dat gedigitaliseerde criminaliteit, zoals online fraude, bij het basisteam hoort en cybercrime, zoals hacken, bij specialistische teams. Het rapport merkt op dat dit afwijkt van het toewijzingskader, dat ook eenvoudige cybercrimezaken aan het basisteam toewijst.

De praktijk in de basisteams

Uit de vragenlijst blijkt dat basisteams zich vooral bezighouden met nazorg: zij helpen slachtoffers bij het doen van aangifte en adviseren hen over het voorkomen van herhaald slachtofferschap. Een kleine groep medewerkers voert alternatieve interventies uit, zoals stopgesprekken met geldezels, in sommige gevallen samen met jongerenwerkers. Opsporing en preventie komen minder voor dan de respondenten wenselijk vinden. Alleen binnen de incidentafhandeling is incidenteel iets gedaan aan verstoring en aan het voorkomen van daderschap.

Volgens de respondenten verdienen opsporing, nazorg, verstoring, alternatieve interventies en preventie allemaal prioriteit. Uit de interviews komt daarnaast het correct opnemen van aangiften naar voren als eerste taak. Medewerkers zien online criminaliteit in de samenleving toenemen, maar hebben beperkt zicht op de omvang en vormen ervan in hun eigen werkgebied. Met de zogenoemde Centurion-delicten zijn zij het meest vertrouwd. Project Centurion ondersteunt basisteams landelijk gecoördineerd bij de opvolging van aangiften van telefonische helpdeskfraude, aan- en verkoopfraude, hulpvraagfraude en phishing.

Kennis, motivatie en leidinggevenden

De meeste respondenten geven aan enige kennis te hebben om online criminaliteit aan te pakken. Tussen medewerkers bestaan grote verschillen, van collega’s die niets met online criminaliteit willen doen tot zelfgeschoolde liefhebbers. Medewerkers met kennis van het onderwerp stromen volgens de geïnterviewden vaak door naar andere teams, waardoor expertise verloren gaat. Zij willen beter leren herkennen welke vormen van online criminaliteit er zijn en hoe digitale sporen worden veiliggesteld. Kennis over juridische bevoegdheden voor digitale opsporing schiet volgens het rapport regelmatig tekort. Basisteamrechercheurs rapporteren redelijke kennis van het opstellen van vorderingen om online gegevens van verdachten te achterhalen. Zij noemen interceptiemogelijkheden en het duiden van onderzoeksbevindingen als knelpunten.

Bij de leidinggevenden is de betrokkenheid volgens het rapport beperkt. Ongeveer een op de acht respondenten zegt door de eigen leidinggevende te worden gemotiveerd om met het thema aan de slag te gaan. Een derde van de bevraagde leidinggevenden vindt dat de eigen basiskennis volstaat om het team aan te sturen, en minder dan een derde zegt daadwerkelijk richting te kunnen geven aan de aanpak.

E-learning en informatie per e-mail ervaren medewerkers niet als effectieve leervormen. Leren aan echte zaken, bij voorkeur met een ervaren collega, en fysieke bijeenkomsten met ondersteuning van experts ervaren zij wel als effectief.

Interventies in twee basisteams

In Postenveld zijn twee interventies uitgevoerd: HINT-oefeningen (Heterdaad INTernetfraude), actiedagen waarin deelnemers in kleine groepen realistische casuïstiek doorliepen, en kennislunches. Deelnemers waardeerden beide vormen overwegend positief en gaven aan beter zicht te hebben op vormen van online criminaliteit. Het effect op zelfvertrouwen en zelfstandig handelen bleef gematigd. Een deel van de deelnemers bleef terughoudend door onzekerheid over de toepassing in echte zaken en over bevoegdheden.

In Lichtblauwveen is geen interventie uitgevoerd. De onderzoekers deden vier pogingen om een ingang en een kartrekker te vinden. In overleg met Politie en Wetenschap en de begeleidingscommissie concludeerden zij dat een interventie binnen de looptijd van het onderzoek niet haalbaar was. Als redenen noemt het rapport het ontbreken van draagvlak, beperkte beschikbaarheid, capaciteitsdruk en een collectieve weerstand op de werkvloer. Die weerstand hangt volgens de betrokkenen mede samen met een eerdere top-downbenadering vanuit de teamleiding.

Aanbevelingen van de onderzoekers

De onderzoekers bevelen aan de aanpak van eenvoudige online criminaliteit voor basisteams verplicht te stellen, net als andere algemene politietaken, en landelijke doelstellingen te vertalen naar lokale prioriteiten. De geïnterviewde experts wijzen erop dat daarbij ook keuzes moeten worden gemaakt over werkzaamheden die minder of niet meer worden uitgevoerd. Het rapport beschrijft een taakverdeling binnen het basisteam. Intake en service richt zich op kwalitatief goede aangiften, de incidentafhandeling vangt slachtoffers als first responder op en neemt aangiften op, en de basisteamrecherche spoort lokale daders van eenvoudige zaken op. Verder bevelen de onderzoekers structurele opleidingen aan, onder meer over het veiligstellen van digitale sporen en het toepassen van bevoegdheden, met ondersteuning van digi-specialisten en cybercrimeteams. Zij adviseren in te zetten op learning by doing met lokale casuïstiek, de kennis en betrokkenheid van leidinggevenden te vergroten, de samenwerking met gemeenten en de Regionale Informatie- en Expertisecentra te versterken en de nieuwe taken stapsgewijs op te bouwen.

Voor vervolgonderzoek noemt het rapport de rol van leidinggevenden en experts in deze transitie, longitudinaal onderzoek naar de ontwikkeling van basisteams, een zelftest voor basisteams en internationaal vergelijkend onderzoek.

Afsluiting

Het rapport concludeert dat basisteammedewerkers het belang van een lokale aanpak van online criminaliteit erkennen, maar dat het hun ontbreekt aan kennis, vaardigheden en capaciteit om die aanpak uit te voeren. De onderzoekers formuleren principes voor landelijke opschaling: de urgentie zichtbaar maken met lokale casuïstiek en data, de motivatie vergroten met succesverhalen en groepsgewijs praktijkleren, en maatwerk bieden dat aansluit bij capaciteit en affiniteit, met de nadruk op eenvoudige vormen van online criminaliteit. Het Toewijzingskader Cybercrime had ten tijde van het onderzoek de status van concept en was in een van de twee onderzochte basisteams niet formeel geïmplementeerd. De publicatie is gratis beschikbaar via Politie en Wetenschap.

De volledige publicatie is te downloaden via de website van Politie en Wetenschap.

Print Friendly and PDF ^