Niet-ontvankelijkheid Openbaar Ministerie wegens absolute verjaring en vrijspraak van witwassen omdat de verweten handelingen samenvallen met het gronddelict verduistering
/Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 juni 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:3973
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden buigt zich in hoger beroep over een zaak waarin de verdachte in eerste aanleg werd veroordeeld voor verduistering en witwassen rond een aanbetaling van € 400.000 voor de financiering van een scheepswerf. Sinds de pleegdata in maart 2013 zijn meer dan twaalf jaren verstreken, waardoor het recht tot strafvervolging voor de verduistering en het schuldwitwassen is verjaard. Het hof verklaart het Openbaar Ministerie voor die feiten niet-ontvankelijk. Voor het witwassen van het resterende geldbedrag van € 172.040 spreekt het hof de verdachte vrij. Het hof stelt vast dat wel sprake is geweest van verduistering, maar dat de verweten handelingen daarvan onderdeel uitmaken. Na de voltooiing van die verduistering blijkt niet dat de verdachte nog zelfstandige witwashandelingen heeft verricht.
Inleiding en context
De zaak betreft een natuurlijk persoon, geboren in 1986, die hoger beroep instelt tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 18 juli 2019. De rechtbank veroordeelt hem voor de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest. Het hof komt tot een ander oordeel over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en over het bewijs, vernietigt het vonnis en doet opnieuw recht.
De achtergrond ligt in een poging van het slachtoffer, directeur-grootaandeelhouder van een onderneming, om financiering te verkrijgen voor de overname van een scheepswerf. Omdat bancaire financiering niet rondkomt, wordt zij op de particuliere markt in contact gebracht met de verdachte, een medeverdachte en een derde, alle drie bestuurders van een bedrijf. Zij houden het slachtoffer voor dat dit bedrijf met een onderneming in het buitenland een lening van € 170.000.000 heeft afgesloten, waaruit het slachtoffer € 5.830.000 kan lenen voor de aankoop van de scheepswerf. Voorwaarde is dat zij tien procent van het te lenen bedrag contant aanbetaalt voor een insolventieverzekering. Omdat zij dat niet volledig kan opbrengen, wordt een aanbetaling van € 400.000 afgesproken, die zij op 21 maart 2013 giraal overmaakt naar de rekening van een bedrijf van de verdachte. Dit bedrag wordt vervolgens doorgeboekt naar verschillende rekeningen en contant gemaakt.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt onder 1 verweten dat hij, al dan niet met anderen, een geldbedrag van ongeveer € 172.040 dat hij anders dan door misdrijf onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend (verduistering). Onder 2 wordt hem primair witwassen verweten en impliciet subsidiair schuldwitwassen, kort gezegd het verbergen, verhullen, verwerven, voorhanden hebben, overdragen of omzetten van geldbedragen van in totaal ongeveer € 172.040 waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze uit misdrijf afkomstig waren. Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid is artikel 70 lid 1, aanhef en onder 2°, in samenhang met artikel 72 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht van belang, op grond waarvan het recht tot strafvervolging voor feiten waarop maximaal drie jaren gevangenisstraf staat na twaalf jaren vervalt.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal rekwireert tot bewezenverklaring van het onder 2 primair tenlastegelegde witwassen. De uitspraak vermeldt geen concrete geëiste straf.
Standpunt van de verdediging
De raadsman bepleit vrijspraak. Hij voert aan dat de verdachte niet in een rechtstreekse rechtsverhouding stond met het slachtoffer en dat de opdracht tot het contant maken van het door haar betaalde bedrag van € 400.000 volledig is uitgevoerd. De verdachte heeft dat geld niet naar eigen goeddunken gebruikt en daarover niet als heer en meester beschikt. Hij had een wezenlijk belang bij het slagen van de deal tussen de medeverdachte en het slachtoffer, en die deal is volledig uitgevoerd. Bij de verdachte ontbreekt (voorwaardelijk) opzet op het bijdragen aan verduistering, en op hem rustte geen bijzondere rechtsplicht om het slachtoffer te informeren over het incident op 22 maart 2013. De verdachte is zelf slachtoffer geworden en zijn handelingen waren legaal. De verklaringen van de medeverdachte en van een bestuurder van het bedrijf zijn onbetrouwbaar en kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt. Het tenlastegelegde geldbedrag is niet van misdrijf afkomstig en van verbergen of verhullen is geen sprake.
Oordeel gerecht
Het hof stelt vast dat sinds de pleegdata meer dan twaalf jaren zijn verstreken en dat het recht tot strafvervolging voor de onder 1 tenlastegelegde verduistering en het onder 2 impliciet subsidiair tenlastegelegde schuldwitwassen daarmee is vervallen. Het verklaart het Openbaar Ministerie voor die feiten niet-ontvankelijk in de vervolging.
Voor de beoordeling van het onder 2 primair tenlastegelegde witwassen onderzoekt het hof of sprake is geweest van verduistering, omdat die verduistering het gronddelict vormt. Het hof gaat ervan uit dat de verdachte en de medeverdachte op 22 maart 2013 met een grote hoeveelheid contant geld naar het buitenland zijn gereisd om dit aan vertegenwoordigers van de buitenlandse onderneming te overhandigen. Beiden hebben dat verklaard en het dossier biedt daarvoor steun, waaronder een sms-bericht waaruit volgt dat zij die dag een contant bedrag van € 227.960 voorhanden hadden, wat vrijwel overeenkomt met het volgens de transactieoverzichten contant gemaakte bedrag.
Over de omstandigheden waaronder dat geld is overgedragen, leggen de verdachte en de medeverdachte uiteenlopende verklaringen af. Het hof oordeelt dat aan de verklaringen van de medeverdachte ernstig moet worden getwijfeld, omdat hij bij de politie telkens wisselende en aantoonbaar onjuiste verklaringen heeft afgelegd. De verklaringen van de verdachte, die erop neerkomen dat de medeverdachte is overvallen, acht het hof gedetailleerd en consistent en vinden steun in andere bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van getuigen en berichten waarin van een beroving wordt gesproken. Het hof stelt op grond daarvan vast dat het contante bedrag van € 227.960 op enige onvoorziene en onrechtmatige wijze, in elk geval anders dan gepland, afhandig is gemaakt.
Het hof concludeert dat de verdachte en de medeverdachte na de overboeking gezamenlijk de beschikking hadden over € 400.000, dat op grond van de overeenkomst moest worden aangewend voor de financiering. Het op 22 maart 2013 contant gemaakte deel was bestemd voor die financiering. Na het voorval houden zij een resterend geldbedrag van € 172.040 onder zich, dat opnieuw contant wordt gemaakt en onder meer ten huize van een toenmalige vriendin van de verdachte met een door hem aangeschafte geldtelmachine wordt geteld en aan de medeverdachte ter hand wordt gesteld. Door het voorval moesten zij weten dat aan de voorwaarde voor de financiering niet meer kon worden voldaan, zodat het op hun weg had gelegen dit aan het slachtoffer te melden en het resterende bedrag te retourneren. Dat hebben zij nagelaten; uit het dossier blijkt juist dat de medeverdachte jegens het slachtoffer deed alsof de financiering rond zou komen. Het slachtoffer heeft het bedrag niet teruggekregen en het is ook niet alsnog voor de financiering aangewend. Op grond hiervan oordeelt het hof dat de verdachte en de medeverdachte zich dit geldbedrag in bewuste en nauwe samenwerking wederrechtelijk hebben toegeëigend en dat sprake is geweest van verduistering.
Het hof oordeelt vervolgens dat de onder 2 tenlastegelegde feitelijke handelingen onderdeel uitmaken van die verduistering en niet van enig witwassen waarvoor de verduistering als gronddelict fungeert. De verdachte wist weliswaar dat het geld van eigen misdrijf afkomstig was, maar op basis van het dossier is niet te achterhalen wat er na de voltooiing van de verduistering, door de terhandstelling van het geld aan de medeverdachte, met het geld is gebeurd. Dat de verdachte na die terhandstelling nog witwashandelingen heeft verricht, blijkt niet. Om die reden spreekt het hof de verdachte vrij van het witwassen van € 172.040.
Bewezenverklaring
Er is geen bewezenverklaring. Het hof verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk ten aanzien van het onder 1 en het onder 2 impliciet subsidiair tenlastegelegde, en spreekt de verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde.
Strafoplegging en maatregelen
Het hof legt geen straf of maatregel op. Door de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie voor de verjaarde feiten en de vrijspraak van het witwassen komt het niet toe aan strafoplegging. Het hof wijkt af van het standpunt van de advocaat-generaal, die bewezenverklaring van het witwassen vorderde, en vernietigt het vonnis waarbij de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden had opgelegd.
