Niet-ontvankelijkheid OM wegens dagvaarding in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde door het ontzeggen van de regiefase bij de rechter-commissaris
/Rechtbank Amsterdam 9 juli 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:6995
De rechtbank Amsterdam verklaart in een fiscale strafzaak over dividendstripping het bezwaarschrift tegen de dagvaarding gegrond en verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. De rechtbank oordeelt dat het Openbaar Ministerie in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde heeft gedagvaard door de verdachte de regiefase bij de rechter-commissaris te ontzeggen en de zaak op publicitaire gronden naar de openbare zitting te brengen. Uit een interne e-mail leidt de rechtbank af dat vooral de wens om de zaak snel publiek te presenteren de beslissing tot dagvaarding heeft bepaald, zonder dat het belang van de verdediging bij die regiefase is meegewogen. Dat weegt te zwaarder omdat nog een cassatieprocedure loopt over stukken waarop volgens de verdediging verschoningsrecht rust. De rechtbank merkt het verzuim aan als herstelbaar en stelt de verdachte niet buiten vervolging. Het Openbaar Ministerie kan pas opnieuw dagvaarden wanneer de regiefase alsnog heeft plaatsgevonden en met de lopende procedures rekening is gehouden.
Inleiding en context
De zaak betreft een beslissing van de meervoudige raadkamer op een bezwaarschrift tegen de dagvaarding op grond van artikel 262 Sv. De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1969, en wordt vervolgd in een fiscale strafzaak in de categorie dividendstripping. De verdachte is op 6 juni 2023 aangehouden. De dagvaarding is op 22 april 2026 betekend, waarna het bezwaarschrift op 28 april 2026 ter griffie is ontvangen. De rechtbank stelt vast dat het bezwaar binnen acht dagen na de betekening is ingediend, zodat de verdachte daarin ontvankelijk is en de rechtbank bevoegd is. De rechtbank behandelt het bezwaarschrift op 19 juni 2026 in besloten raadkamer.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat hij opzettelijk onjuiste belastingaangiften heeft gedaan in de zin van artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Het procedurele kader wordt gevormd door artikel 262 Sv voor het bezwaar tegen de dagvaarding, de regiefase bij de rechter-commissaris op grond van de artikelen 181 en 182 Sv, de mededeling van het voornemen tot dagvaarding op grond van artikel 238 lid 2 Sv en de klachtprocedure over verschoningsgerechtigde stukken op grond van artikel 552a in verbinding met artikel 98 Sv. De toetsingsmaatstaf is of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de tenlastegelegde feiten geheel of gedeeltelijk bewezen zal achten.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie concludeert tot ongegrondverklaring van het bezwaar, omdat een veroordeling niet evident onhaalbaar is. Het Openbaar Ministerie stelt dat het de verdediging geen regiefase heeft onthouden en niet lichtvaardig heeft vervolgd, dat de verdediging afwachtend was en nog geen inhoudelijke onderzoekswensen indiende, en dat het voornemen tot dagvaarding onverwijld aan de rechter-commissaris is meegedeeld kort na het laatste verhoor bij de FIOD. De e-mail van 15 juli 2024 heeft volgens het Openbaar Ministerie geen strafvorderlijke betekenis en dient slechts als toelichting in het kader van de zittingsplanning. Op de stukken waarop de verdediging doelt, rust volgens het Openbaar Ministerie geen verschoningsrecht meer.
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat het bezwaarschrift gegrond moet worden verklaard en de verdachte buiten vervolging moet worden gesteld, op grond van drie pijlers. De eerste pijler houdt in dat het voor artikel 69 AWR vereiste opzet evident niet kan worden bewezen, omdat het uiteenlopen van de fiscale uitspraken van de rechtbank en het hof laat zien dat sprake is van een pleitbaar standpunt. De tweede pijler houdt in dat het Openbaar Ministerie prematuur heeft gedagvaard en de verdediging de regiefase op grond van de artikelen 181 en 182 Sv heeft misgund en ontzegd, terwijl die fase mede dient om invloed uit te oefenen op de vervolgingsbeslissing. De derde pijler betreft stukken waarop volgens de verdediging verschoningsrecht rust en waarover cassatie is ingesteld; die stukken kunnen alleen vóór de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting nog uit het dossier worden verwijderd. Subsidiair verzoekt de verdediging de behandeling aan te houden en de zaak op grond van artikel 262 lid 3 Sv te verwijzen naar de rechter-commissaris.
Oordeel gerecht
De rechtbank stelt voorop dat de bezwaarschriftprocedure een summier karakter draagt en dat een bezwaarschrift alleen gegrond kan worden verklaard indien het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter tot een bewezenverklaring komt. De eerste pijler verwerpt de rechtbank, omdat uit het enkele uiteenlopen van de fiscale uitspraken niet zonder meer volgt dat sprake is van een pleitbaar standpunt en dat opzet niet kan worden bewezen; dat verweer is niet zuiver juridisch en vergt nader debat en feitenvaststelling waarvoor deze procedure zich niet leent.
De kern van de beslissing ligt in de tweede pijler. De rechtbank stelt voorop dat de beslissing tot dagvaarden aan het Openbaar Ministerie is voorbehouden en dat het daarin een ruime bevoegdheid heeft. Uit de Wet versterking positie rechter-commissaris, de wetsgeschiedenis en de rechtspraak volgt niet dat een verdachte zonder meer in staat moet worden gesteld de dagvaardingsbeslissing te beïnvloeden, en evenmin dat hij zonder meer recht heeft op een regiefase die niet door een dagvaarding mag worden doorkruist. Het Openbaar Ministerie is bij die beslissing wel gebonden aan de beginselen van een behoorlijke procesorde, waaronder equality of arms en een zorgvuldige belangenafweging. De rechtbank oordeelt dat de dagvaarding niet in overeenstemming met die beginselen is genomen. Uit de e-mail van 15 juli 2024, waarvan de officier van justitie mr. Lambregts heeft bevestigd het inhoudelijke deel te hebben geschreven, leidt de rechtbank af dat het Openbaar Ministerie zich met name heeft laten leiden door de wens de zaak vanwege publicitaire belangen zo snel mogelijk op een openbare zitting te presenteren en de regiefase achter gesloten deuren over te slaan. Niet is gebleken dat het belang van de verdediging bij die regiefase in de afweging is betrokken, en de officier van justitie heeft ook niet gesteld dat dit belang onderdeel van de overwegingen is geweest.
Daar komt bij dat een cassatieprocedure loopt over stukken waarop volgens de verdediging verschoningsrecht rust, terwijl stukken na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting niet meer uit het dossier kunnen worden verwijderd. Alleen al daarom is het belang van de verdediging bij een regiefase op dit moment gegeven. De rechtbank oordeelt dat sprake is van een vormverzuim, doordat het Openbaar Ministerie op deze gronden en in dit stadium een voornemen tot dagvaarding heeft meegedeeld en vervolgens heeft gedagvaard, en verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. Zij merkt het verzuim aan als herstelbaar, omdat de regiefase alsnog kan plaatsvinden en de situatie wordt hersteld zoals die bestond vóór de kennisgeving van het voornemen tot dagvaarding van 3 maart 2025. De verdachte wordt daarom niet buiten vervolging gesteld.
Het Openbaar Ministerie kan later opnieuw dagvaarden, waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat het rekening houdt met de lopende procedure over het verschoningsrecht en met de door de verdediging bij de rechter-commissaris geuite en nog te uiten onderzoekswensen.
Lees hier de volledige uitspraak.
