Milieucriminaliteit tussen wet en wildernis: waarom strafrecht, wetenschap en beleid elkaar moeten vinden

Milieucriminaliteit staat steeds hoger op de juridische agenda, maar effectieve bestrijding blijkt hardnekkig complex. Dat komt niet alleen door de internationale dimensie of de verwevenheid met georganiseerde misdaad, maar ook door een langdurige juridische en maatschappelijke blinde vlek: schade aan natuur werd lange tijd niet als misdaad gezien. In een recent interview met NRC schetst Daan van Uhm, hoogleraar Milieucriminaliteit aan de Open Universiteit, hoe die houding langzaam kantelt – en waarom een integrale benadering onontkoombaar is.

Van Uhm illustreert de ernst van milieucriminaliteit met voorbeelden uit zijn eigen onderzoek. Zo is de illegale handel in de totoaba, een Mexicaanse vissoort waarvan de zwemblazen in Azië voor enorme bedragen worden verkocht, inmiddels zo lucratief dat drugskartels zich in visserscoöperaties hebben genesteld. Afgelegen gebieden, hoge winstmarges en beperkte controle maken dit type milieucriminaliteit aantrekkelijk voor georganiseerde misdaad. Dit onderstreept dat milieucriminaliteit allang geen marginaal of lokaal probleem meer is, maar structureel verweven raakt met internationale criminele netwerken.

Van milieuschade naar misdaad

Volgens Van Uhm is milieucriminaliteit “van alle tijden”, maar werd zij historisch nauwelijks als strafwaardig gezien. Filosofen als Plato en Aristoteles zagen al de negatieve effecten van ontbossing en uitputting, maar binnen een antropocentrisch wereldbeeld bleef de mens juridisch onaantastbaar. Natuur had geen zelfstandige waarde, laat staan rechten. Pas recent verschuift dit perspectief richting een ecocentrische benadering, waarin de mens onderdeel is van het ecosysteem en schade aan natuur ook juridisch als ernstig onrecht wordt erkend.

Die verschuiving is zichtbaar in het debat over ecocide: het doelbewust veroorzaken van ernstige of langdurige milieuschade. Lange tijd ontbrak hiervoor een strafrechtelijk kader. In de herziening van de Europese milieustrafrechtrichtlijn is inmiddels wel aandacht voor dit concept, maar volgens Van Uhm blijft de uitwerking beperkt. Rechters, wetenschappers en beleidsmakers opereren nog te vaak langs elkaar heen, waardoor normstelling, handhaving en sanctionering onvoldoende op elkaar aansluiten.

Ecorechtvaardigheid en nieuwe slachtoffers

Een belangrijk concept binnen de groene criminologie is ecorechtvaardigheid. Daarbij verschuift het begrip slachtofferschap: niet alleen mensen, maar ook ecosystemen en niet-menselijke soorten worden als beschermenswaardig gezien. Van Uhm verwijst in dat verband naar Colombia, waar het Constitutioneel Hof in 2016 de Atrato-rivier rechtspersoonlijkheid toekende, omdat de ecologische schade direct samenhing met de rechten en gezondheid van inheemse gemeenschappen. Dit arrest laat zien hoe milieubescherming, mensenrechten en strafrecht elkaar kunnen versterken.

Tegelijkertijd roept deze ontwikkeling nieuwe morele en juridische dilemma’s op. Van Uhm beschrijft hoe in Oost-Congo babychimpansees werden ontvoerd en als gijzelaars werden vastgeketend om losgeld af te dwingen. Door niet-menselijke soorten expliciet als slachtoffer te behandelen, kunnen daders dat morele appel ook strategisch misbruiken. Het ecocentrische perspectief vraagt dus niet alleen om ruimere bescherming, maar ook om nieuwe juridische afwegingen.

Ecologische asymmetrie en ketenaansprakelijkheid

Een ander kernbegrip is ecologische asymmetrie: biodiversiteitshotspots bevinden zich vaak in politiek instabiele en economisch kwetsbare regio’s. Juist daar floreren illegale houtkap, mijnbouw en wildlife-handel, vaak met betrokkenheid van gewapende groepen of kartels. Maar milieucriminaliteit is geen exclusief probleem van het mondiale Zuiden. Ook in Nederland spelen kwesties als drugsafvaldumping, klimaatprocedures tegen multinationals en zogenoemde groeneboordencriminaliteit binnen bedrijven en overheden.

Van Uhm wijst erop dat legale en illegale ketens vaak in elkaar grijpen. Producten kunnen met keurmerken en vergunningen op de Europese markt verschijnen, terwijl ze feitelijk onder dwang of in samenwerking met criminele groepen zijn verkregen. Voor het strafrecht ligt hier een duidelijke uitdaging: het zichtbaar maken van verborgen illegaliteit in complexe internationale ketens.

Naar een geïntegreerde aanpak

Om die reden pleit Van Uhm voor structurele samenwerking tussen disciplines. De oprichting van het Expertisecentrum Milieucriminaliteit, gelanceerd bij zijn oratie Tussen wet en wildernis, moet bijdragen aan kennisdeling tussen criminologen, juristen, rechters en beleidsmakers. Alleen zo kan milieucriminaliteit worden benaderd als wat zij is: een ernstige vorm van criminaliteit met verstrekkende gevolgen voor mens, natuur en rechtsstaat.

Print Friendly and PDF ^