Medeplegen van oplichting bij de afgifte van twaalf pallets sneakers en schuldheling door de ingeschakelde chauffeur

Rechtbank Oost-Brabant 6 juli 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:4752 en ECLI:NL:RBOBR:2026:4753

De rechtbank Oost-Brabant deed uitspraak in twee samenhangende strafzaken over het weghalen van twaalf pallets sneakers bij een bedrijf in Veldhoven op 1 oktober 2021. De eerste verdachte regelt onder het voorwendsel van een verhuizing een vrachtwagen met chauffeur en laat de lading, met een waarde van ongeveer € 200.000, door medewerkers van het bedrijf inladen. De rechtbank acht medeplegen van oplichting bewezen en legt een taakstraf van 160 uren op naast een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden. De tweede verdachte, de chauffeur van de vrachtwagen, wordt vrijgesproken van medeplegen van oplichting, van diefstal en van opzetheling. Schuldheling acht de rechtbank wel bewezen, omdat de chauffeur bij het voorhanden krijgen van de lading redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de goederen van misdrijf afkomstig waren. Gelet op zijn persoon, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de overschrijding van de redelijke termijn volstaat de rechtbank in zijn zaak met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.

Inleiding en context

Beide verdachten zijn natuurlijke personen. De eerste verdachte, geboren in 1990, regelt het transport. De tweede verdachte, geboren in 1985, bestuurt de vrachtwagen. De zaken worden op dezelfde zitting van 22 juni 2026 behandeld door de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant, locatie 's-Hertogenbosch, en op 6 juli 2026 in eerste aanleg op tegenspraak afgedaan door dezelfde combinatie. In beide zaken is de tenlastelegging ter terechtzitting gewijzigd.

Op 1 oktober 2021 vraagt de eerste verdachte, via de telefoon van zijn toenmalige vriendin, de mede-eigenaar van een transportbedrijf om een vrachtwagen voor een verhuizing. Hij biedt aan zelf te rijden, wat wordt geweigerd. De mede-eigenaar schakelt daarop de tweede verdachte als chauffeur in. De eerste verdachte en een derde betrokkene komen die dag met een blauwe Volkswagen Caddy naar het transportbedrijf. De eerste verdachte stapt bij de chauffeur in de cabine, de derde betrokkene rijdt in de Caddy voor de vrachtwagen uit. Bij een tankstation ter hoogte van Boxtel moet de chauffeur stoppen, blijft de Caddy achter en stapt ook de derde betrokkene in de vrachtwagen. Beiden gaan achterin de cabine zitten, buiten het zicht van derden. Tijdens de rit krijgt de chauffeur het adres in Veldhoven door. Ter plaatse rijdt hij de vrachtwagen op aanwijzen van de twee inzittenden een laaddock in van het bedrijf dat de sneakers opslaat, waar dagelijks vrachtwagens van twee vaste vervoerders lading ophalen. Medewerkers laden de gesealde pallets met sneakers in volgens de gebruikelijke werkwijze. De chauffeur tekent een vrachtbrief waarop in strijd met de waarheid staat dat de goederen worden opgehaald door een van die vaste vervoerders. Daarna rijdt de vrachtwagen naar een adres in Engelen, waar de sneakers in een Volkswagen Crafter worden overgeladen.

De eerste verdachte is op 27 juni 2022 in verzekering gesteld, de tweede verdachte op 4 april 2022.

Tenlastelegging en wettelijk kader

Aan beide verdachten wordt hetzelfde feitencomplex verweten, primair medeplegen van oplichting van het bedrijf door het aannemen van een valse naam of valse hoedanigheid, listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels, waardoor het bedrijf is bewogen tot de afgifte van twaalf pallets met dozen met sneakers ter waarde van ongeveer € 200.000. Subsidiair is diefstal in vereniging van diezelfde lading ten laste gelegd, meer subsidiair opzetheling dan wel schuldheling.

De rechtbank grondt de beslissing in de zaak tegen de eerste verdachte op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 63 en 326 van het Wetboek van Strafrecht. In de zaak tegen de tweede verdachte werkt de rechtbank artikel 417bis lid 1 sub a van het Wetboek van Strafrecht uit en past zij artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe. Dat vonnis bevat geen afzonderlijke opsomming van de toepasselijke wetsartikelen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht in beide zaken oplichting bewezen en gaat uit van een nauwe en bewuste samenwerking tussen beide verdachten. Door een onjuiste voorstelling van zaken zijn medewerkers van het bedrijf bewogen tot afgifte van de sneakers.

De eerste verdachte heeft volgens de officier van justitie een initiërende rol gespeeld bij het regelen van het transport en actief meegeholpen bij het overladen in Engelen. Hij heeft het adres in Veldhoven doorgegeven, zijn Caddy bij een tankstation naast de A2 achtergelaten, is bewust uit het zicht achterin de cabine gaan zitten, heeft de weg gewezen naar de loods op het bedrijventerrein en wist bij welk dock zij moesten zijn.

Bij de tweede verdachte hadden volgens de officier van justitie al snel de alarmbellen moeten gaan rinkelen, toen de Caddy werd achtergelaten, de twee inzittenden uit het zicht achterin de cabine gingen zitten, hij naar een loods in Veldhoven in plaats van naar Berlicum moest rijden en zeker op het moment dat hij de dozen met schoenen op de pallets zag staan. Hij heeft geen vragen gesteld, is niet weggegaan en heeft de politie niet gebeld, terwijl hij dat wel had moeten doen. Hij liet zijn oplegger laden, tekende de vrachtbrief af, reed naar de overlaadlocatie en hielp daar mee.

Tegen de eerste verdachte vordert de officier van justitie een taakstraf van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis, met aftrek van de duur van de inverzekeringstelling, en een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Tegen de tweede verdachte vordert hij een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de duur van de inverzekeringstelling.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de eerste verdachte bepleit vrijspraak van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde. De verdachte verkeerde in de veronderstelling dat hij iemand hielp met verhuizen. Uit het dossier volgt hooguit dat hij betrokken is geweest bij het regelen van transport en aanwezig is geweest bij onderdelen van het logistieke proces, wat onvoldoende is voor oplichting of diefstal. De voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking en een bijdrage van voldoende gewicht ontbreken. Voor heling geldt dat de verdachte op het moment van verwerven of voorhanden krijgen niet wist en ook niet redelijkerwijs moest vermoeden dat de goederen van misdrijf afkomstig waren. Een achteraf ontstaan vermoeden kan daarmee niet worden gelijkgesteld. Bij een bewezenverklaring verzoekt zij rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, de persoonlijke omstandigheden en de beperkte rol van de verdachte, en te volstaan met een taakstraf of een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.

De raadsvrouw van de tweede verdachte bepleit eveneens integrale vrijspraak. De verdachte is gevraagd iemand te verhuizen die in nood was en verkeerde in die veronderstelling. Na het inladen heeft hij vluchtig in de vrachtwagen gekeken en een lading dozen gezien, wat aanleiding was om vragen te stellen aan de mannen in de cabine. Hun antwoord was voor hem voldoende plausibel. Pas de gebeurtenissen daarna wekten argwaan, reden om contact op te nemen met het transportbedrijf en met zijn broer. Hij kan niet worden aangemerkt als pleger van de oplichting of de diefstal en de voor medeplegen vereiste samenwerking ontbreekt. Voor heling geldt dat de vereiste wetenschap of het vereiste vermoeden op het moment van verkrijging ontbrak. Mocht de rechtbank toch tot een bewezenverklaring komen, dan kan dit hooguit schuldheling opleveren. Bij de strafmaat wijst zij erop dat van de verdachte misbruik is gemaakt door hem als chauffeur in te schakelen, dat hij niet beter is geworden van het feit, jarenlang stress heeft ervaren en bang is voor represailles, en verzoekt zij toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Oordeel gerecht

In beide zaken stelt de rechtbank vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen gronden voor schorsing van de vervolging zijn gebleken. Voor de bewijsmiddelen verwijst de rechtbank in beide vonnissen naar een aan het vonnis gehechte bewijsbijlage.

Over de eerste verdachte stelt de rechtbank vast dat hij een initiërende rol heeft gehad door het transport te regelen, dat hij daarover veelvuldig contact heeft gehad met de derde betrokkene, dat hij op de hoogte was van het adres van het bedrijf en dit heeft doorgegeven aan de chauffeur, dat zijn Caddy zonder goede reden bij het tankstation is achtergelaten, dat hij en de derde betrokkene uit het zicht achterin de cabine zijn gaan zitten en zich bij het bedrijf niet hebben laten zien, dat de chauffeur op hun aanwijzen naar 's-Hertogenbosch is gereden en dat de sneakers daar door hen zijn overgeladen. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen dat hij onder valse voorwendselen het transport heeft geregeld met de bedoeling en de wetenschap de lading sneakers samen met een ander of anderen mee te nemen en zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en listige kunstgrepen. Zijn verklaring dat hij de vrachtwagen voor een verhuizing heeft geregeld acht de rechtbank ongeloofwaardig. Dat hij tegenover de mede-eigenaar van het transportbedrijf en zijn toenmalige vriendin over een verhuizing heeft verklaard doet daaraan niet af, nu aannemelijk is dat hij dit heeft gedaan om het werkelijke doel te verdoezelen.

In de zaak tegen de tweede verdachte volgt de rechtbank hem in zijn verklaring dat hij in eerste instantie dacht dat het om een verhuizing ging en niet wist dat de rit was bedoeld om een lading sneakers op te halen. Zij vindt daarvoor bevestiging in de verklaring van de mede-eigenaar van het transportbedrijf en in de WhatsApp-berichten die de verdachte kort na het ophalen van de lading aan haar en aan zijn broer heeft gestuurd, waarin hij aangeeft dat het helemaal geen verhuizing is, dat het pallets met dozen zijn en dat hij bang is gestolen spullen te hebben vervoerd. De rechtbank acht wel bewezen dat de eerste verdachte zich samen met een of meer anderen schuldig heeft gemaakt aan de oplichting, maar niet dat de chauffeur nauw en bewust met hem heeft samengewerkt of het opzet had het bedrijf op te lichten dan wel zich de pallets wederrechtelijk toe te eigenen. Ook voor voorwaardelijk opzet ziet zij geen bewijs, zodat vrijspraak volgt van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Om dezelfde reden acht zij niet bewezen dat de verdachte ten tijde van het overdragen of voorhanden krijgen wist, ook niet in voorwaardelijke zin, dat de goederen door misdrijf waren verkregen, en spreekt zij hem vrij van opzetheling.

Voor schuldheling stelt de rechtbank voorop dat is vereist dat ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen sprake is van schuld ten aanzien van de herkomst van het goed, waarbij het volgens de rechtspraak van de Hoge Raad gaat om grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Daarvan is sprake als de verdachte bij enig nadenken had kunnen vermoeden dat het goed van misdrijf afkomstig was en dus zonder nader onderzoek niet had mogen handelen. Het was niet gebruikelijk dat er mensen meegingen met een transport. De verdachte had een raar gevoel bij de situatie vanaf het moment dat de Caddy op het tankstation werd achtergelaten, kreeg daarna te horen dat hij naar Veldhoven moest rijden in plaats van naar Berlicum, reed op aanwijzen van de inzittenden een laaddock in, zag bij het sluiten van de achterdeur geen verhuisdozen of huisraad maar kleine ingepakte doosjes op gesealde pallets, vond dat op dat moment vreemd en is toch doorgereden naar 's-Hertogenbosch. Hij had zich moeten distantiëren of de politie moeten inschakelen en was daartoe ook in de gelegenheid. De rechtbank begrijpt dat de situatie intimiderend voor hem moet zijn geweest, maar dat neemt niet weg dat hij zich had moeten realiseren dat het niet om een verhuizing ging. Daarmee is de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid gegeven.

Bewezenverklaring

Ten aanzien van de eerste verdachte verklaart de rechtbank het primair ten laste gelegde bewezen, gekwalificeerd als medeplegen van oplichting. Bewezen is dat hij op 1 oktober 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen het bedrijf heeft bewogen tot de afgifte van twaalf pallets met dozen met sneakers ter waarde van ongeveer € 200.000, door:

  • onder valse voorwendselen een vrachtwagen te regelen

  • met die vrachtwagen het terrein van het bedrijf op te laten rijden, contact te laten zoeken met een medewerker op het terrein en de vrachtwagen te laten parkeren aan een dok waar goederen worden geladen

  • medewerkers van het bedrijf pallets met sneakers in de vrachtwagen te laten laden

  • een vrachtbrief (CMR) te laten ondertekenen waarin valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat de goederen werden opgehaald door een ander vervoersbedrijf

  • zich aldus, overeenkomstig de gebruikelijke bedrijfsprocessen voor het laden en lossen binnen het bedrijf, voor te doen als een bonafide transporteur die dagelijks in opdracht van het bedrijf goederen komt laden en transporteren

Van hetgeen hem meer of anders is ten laste gelegd wordt hij vrijgesproken.

Ten aanzien van de tweede verdachte volgt vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde en van de meer subsidiair ten laste gelegde opzetheling. Bewezen wordt verklaard, gekwalificeerd als schuldheling:

  • dat hij op 1 oktober 2021 in Nederland twaalf pallets met dozen met sneakers ter waarde van ongeveer € 200.000 voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verkrijgen en het voorhanden krijgen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof

Van hetgeen hem meer of anders is ten laste gelegd wordt hij vrijgesproken.

Strafoplegging en maatregelen

Bij de eerste verdachte weegt de rechtbank mee dat het bedrijf op een geraffineerde en brutale wijze is opgelicht door zich voor te doen als bonafide transporteur, dat de sneakers een aanzienlijke financiële waarde vertegenwoordigen en dat de verdachte de vrachtwagen met chauffeur heeft geregeld en betrokken is geweest bij het ophalen, vervoeren, overladen en wegmaken van de lading. Een oplichting als deze corrumpeert het handelsverkeer en schaadt het maatschappelijk vertrouwen. De verdachte heeft gehandeld uit puur winstbejag, zich niets aangetrokken van de belangen van het bedrijf en met zijn handelen minachting getoond voor andermans eigendom. De rechtbank constateert dat hij enige openheid van zaken heeft gegeven, maar pas is gaan verklaren nadat hij over het complete dossier beschikte. Gelet op de ernst van het feit en zijn aandeel daarin acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. De redelijke termijn van twee jaar als bedoeld in artikel 6 EVRM is echter met ruim twee jaar overschreden, gerekend vanaf de inverzekeringstelling op 27 juni 2022 tot het eindvonnis op 6 juli 2026, welke overschrijding niet aan de verdediging is te wijten. Om die reden ziet de rechtbank af van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Zij legt een taakstraf op van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarbij een in verzekering doorgebrachte dag wordt gewaardeerd op twee uur arbeid, en daarnaast een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, om hem ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank legt daarmee een zwaardere straf op dan gevorderd, omdat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.

Bij de tweede verdachte overweegt de rechtbank dat hij een hoeveelheid sneakers met een aanzienlijke materiële waarde voorhanden heeft gehad en zich door anderen heeft laten gebruiken voor hun criminele activiteiten, waardoor het bedrijf aanzienlijke financiële schade heeft geleden. In zijn voordeel weegt zij mee dat hij blijkens zijn strafblad niet eerder is veroordeeld, dat hij vanaf het begin zonder enig voorbehoud heeft meegewerkt aan het onderzoek en openheid van zaken heeft gegeven, en dat hij, zo blijkt uit het reclasseringsrapport van 14 mei 2026 en uit de behandeling ter terechtzitting, zichtbaar heeft geleden onder de gevolgen van de zaak. Ook hier is de redelijke termijn overschreden, met twee jaar en twee maanden, gerekend vanaf de inverzekeringstelling op 4 april 2022 tot het eindvonnis op 6 juli 2026, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat de zaak niet van een zodanig uitzonderlijke aard of complexiteit is dat de overschrijding daarmee kan worden gerechtvaardigd. Gelet op de persoon van de verdachte, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de termijnoverschrijding volstaat de rechtbank met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel op grond van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

In beide zaken vordert de benadeelde partij vergoeding van materiële schade, te weten 233.557 dollar, omgerekend € 203.195, voor de weggenomen sneakers en € 8.535 aan onderzoekskosten, met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie bepleit hoofdelijke toewijzing van € 203.195 met wettelijke rente en oplegging van de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, en niet-ontvankelijkverklaring voor de summier onderbouwde onderzoekskosten. De verdediging verzoekt in beide zaken de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, onder meer omdat een machtiging ontbreekt waaruit blijkt dat de indiener bevoegd is de rechtspersoon te vertegenwoordigen. De rechtbank stelt vast dat die machtiging bij de vordering ontbreekt en ook ter terechtzitting niet is overgelegd. Heropening van de zaak om de benadeelde partij daartoe alsnog gelegenheid te geven levert, mede gelet op het belang van een voortvarende afdoening en de reeds aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn, een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij wordt in beide zaken niet-ontvankelijk verklaard en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De benadeelde partij wordt veroordeeld in de proceskosten van de verdediging, tot op heden begroot op nihil.

Lees hier de volledige uitspraak in de zaak tegen de eerste verdachte en hier de volledige uitspraak in de zaak tegen de tweede verdachte.

Print Friendly and PDF ^