ING/Gazprom: opzegging zakelijke betaalrekening in kort geding getoetst aan het aanstaande recht op een zakelijke basisbetaalrekening

De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft op 19 oktober 2026 in kort geding geoordeeld dat ING Bank N.V. de bankrelatie met Gazprom International Projects B.V. voorlopig niet mag beëindigen. Gazprom maakt deel uit van de Russische Gazprom International groep en houdt bij ING een eurorekening aan, de enige betaalfaciliteit van die groep in Europa. ING had de relatie opgezegd op grond van artikel 35 van de Algemene Bankvoorwaarden en verwees naar sanctierisico’s, een daaruit mogelijk voortvloeiend witwasrisico en reputatierisico. De voorzieningenrechter stelt vast dat Gazprom niet gesanctioneerd is en dat van Wwft-risico’s niet is gebleken, maar acht ook de belangen van ING zwaarwegend. Of de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, laat de voorzieningenrechter in het midden. De beslissing berust op het nieuwe artikel 4:71k van de Wet op het financieel toezicht, dat banken verplicht ondernemingen, verenigingen en stichtingen in de gelegenheid te stellen een basisbetaalrekening aan te vragen en te gebruiken. Die bepaling is bij amendement opgenomen in de Wet chartaal betalingsverkeer en is nog niet in werking getreden.

De opzegging en de voorgeschiedenis

ING berichtte Gazprom bij brief van 29 december 2023 dat zij de bankrelatie op grond van artikel 35 lid 1 ABV wilde beëindigen, met een opzegtermijn van drie maanden. Gazprom maakte bezwaar, omdat zij dan niet aan haar betalingsverplichtingen zou kunnen voldoen. ING verleende daarna meermaals uitstel om Gazprom in de gelegenheid te stellen elders een rekening te openen, voor het laatst tot 1 oktober 2026.

Na een gesprek op 10 juli 2025 honoreerde ING bij brief van 30 juli 2025 het verzoek van Gazprom om de rekening tot 31 december 2025 te mogen gebruiken. De bestuurder van Gazprom ondertekende die brief op 8 augustus 2025 voor akkoord. In de aanloop naar het kort geding bevestigde de advocaat van ING dat de rekening niet zou worden beëindigd voordat vonnis was gewezen.

Bij aanvang van de mondelinge behandeling op 5 oktober 2026 verzocht Gazprom, in verband met de aanwezigheid van een journalist, de zaak achter gesloten deuren te behandelen. De voorzieningenrechter merkte dit aan als verzoek op grond van artikel 27 lid 1 sub c Rv en wees het af, omdat de bankrelatie met ING al bekend was. Voor het geval ING zou citeren uit een productie met concrete partijnamen of bedragen, zou de zaak kort achter gesloten deuren worden behandeld. Van die mogelijkheid is geen gebruik gemaakt.

De vordering en het standpunt van Gazprom

Gazprom vorderde primair een verbod op beëindiging van de bankrelatie zolang zij geen alternatieve bankrelatie heeft kunnen aangaan, op straffe van een dwangsom van € 250.000 per kalenderdag. Subsidiair vorderde zij een verbod zolang in een bodemprocedure niet anders is beslist.

Volgens Gazprom kan zij zonder rekening niet voldoen aan haar verplichtingen jegens de Britse en Nederlandse Belastingdienst, medewerkers en dienstverleners. Zij legde een lijst over van vijftien banken binnen en buiten de EU die een bankrelatie hadden geweigerd, en een opinie van een sanctierechtdeskundige van 24 september 2025 waaruit volgt dat ondernemingen uit gesanctioneerde landen, ook als zij zelf niet gesanctioneerd zijn, binnen de EU moeilijk een bank vinden. Gazprom voerde aan dat de opzeggingsbevoegdheid van ING wordt begrensd door de artikelen 6:248 lid 2 en 3:13 BW en door de bancaire zorgplicht uit artikel 2 ABV, dat zij geen activiteiten verricht die risico’s opleveren in de zin van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en dat ING zich niet op een categorale uitsluiting kan beroepen. Op de zitting verwees Gazprom verder naar het Convenant verbeteren toegang zakelijke bankrekeningen, waarbij ook ING partij is, en naar het aanstaande artikel 4:71k. Haar enige activiteit is volgens Gazprom het Sillimanite-project, de winning van gas in de Noordzee, dat naar verwachting medio 2028 is afgerond.

Het verweer van ING

ING wees op de EU-sanctiepakketten na de Russische invasie in Oekraïne, die volgens haar meebrengen dat cliënten met nauwe Russische banden zorgvuldig op sanctierisico’s moeten worden beoordeeld. Dat Gazprom zelf niet op de EU-sanctielijst staat, neemt volgens ING de risico’s niet weg, gelet op de band met de door de Russische staat gecontroleerde Gazprom-groep en de activiteiten in de energiesector. ING voerde aan dat een sanctierisico kan leiden tot een witwasrisico en dat zij als systeembank een reputatierisico loopt, onder verwijzing naar eerdere berichtgeving en Kamervragen over haar betrekkingen met Russische partijen.

Als meest verstrekkend verweer stelde ING dat partijen met de ondertekening van 8 augustus 2025 overeenstemming hadden bereikt over beëindiging. Verder betoogde ING dat de contractsvrijheid haar toestaat haar risicobereidheid te wijzigen, dat de toets van artikel 6:248 lid 2 BW terughoudend moet worden toegepast en dat de rekening van Gazprom uitsluitend functioneert als financieringskanaal binnen de groep. Volgens ING heeft Gazprom zich onvoldoende ingespannen om een bank, payment service provider of paying agent te vinden in landen als Oostenrijk, Hongarije, Turkije, de Verenigde Arabische Emiraten en Servië.

Het oordeel van de voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter stelt voorop dat ING heeft opgezegd op grond van artikel 35 ABV en niet op grond van de Wwft. Die contractuele bevoegdheid is begrensd door de redelijkheid en billijkheid, waarbij de voorzieningenrechter verwijst naar artikel 6:248 lid 2 BW en HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929, en moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de bancaire zorgplicht. Zonder betaalrekening is het volgens de voorzieningenrechter vrijwel onmogelijk deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en een bedrijf te exploiteren.

Gazprom is niet gesanctioneerd en van Wwft-risico’s is niet gebleken. ING heeft een transactieoverzicht overgelegd, maar heeft niet aangevoerd dat daarop dubieuze transacties staan. Dat Gazprom geen eigen commerciële activiteiten ontplooit, doet volgens de voorzieningenrechter niet af aan haar belang bij de rekening, al was het maar om aan haar fiscale verplichtingen te kunnen voldoen. Gazprom heeft voorshands voldoende pogingen gedaan om elders te bankieren; dat verdere pogingen succes zouden hebben, acht de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk, mede gelet op de opinie van de sanctierechtdeskundige.

Tegelijk oordeelt de voorzieningenrechter dat het gerechtvaardigd is dat ING, gezien de geschetste sanctie- en reputatierisico’s, geen relaties wil onderhouden met aan Rusland gelieerde partijen, en dat aannemelijk is dat monitoring voor ING kostbare extra inspanningen vergt. De belangen van beide partijen worden zwaarwegend geacht. Of beëindiging onaanvaardbaar is in de zin van artikel 6:248 lid 2 BW blijft in het midden, evenals de vraag of op 8 augustus 2025 een definitieve beëindigingsovereenkomst tot stand is gekomen.

Redengevend is het aanstaande artikel 4:71k. Zou de vordering worden afgewezen, dan zou Gazprom kort daarna op grond van die bepaling bij ING een zakelijke basisbetaalrekening kunnen aanvragen en een weigering aan de rechter kunnen voorleggen. Volgens de voorzieningenrechter mag een bank na inwerkingtreding slechts onder bijzondere omstandigheden een zakelijke basisbetaalrekening weigeren, zoals bij Wwft-risico’s, wanneer de aanvrager al over een rekening beschikt of wanneer de aanvrager in het verleden is veroordeeld voor strafbare feiten. Die omstandigheden doen zich voorshands niet voor. De voorzieningenrechter overweegt daarbij dat de bepaling naar het zich laat aanzien grote implicaties heeft voor de contractsvrijheid van banken. Beëindiging van de rekening acht de voorzieningenrechter daarom niet opportuun.

De primaire vordering wordt toegewezen, zonder dwangsom, omdat ING op de zitting verklaarde zich vrijwillig aan een veroordeling te zullen houden. Toewijzing ontslaat Gazprom niet van de verplichting verder te zoeken naar een andere bankrelatie, mogelijk met hulp van ING. ING is veroordeeld in de proceskosten van € 2.226,57.

Artikel 4:71k Wft en de Wet chartaal betalingsverkeer

Het vonnis spreekt van artikel 4:71k Wwft. De bepaling is echter opgenomen in de Wet op het financieel toezicht, in de paragraaf over de basisbetaalrekening. Zij is ingevoegd door het amendement Flach c.s. op het wetsvoorstel Wet chartaal betalingsverkeer (Kamerstukken II 2025/26, 36711, nr. 27). Volgens het eerste lid stelt een bank die in Nederland betaalrekeningen aan ondernemingen aanbiedt, ondernemingen, verenigingen en stichtingen uit de Europese Unie die in het Nederlandse handelsregister zijn ingeschreven in de gelegenheid een basisbetaalrekening in euro’s aan te vragen en te gebruiken. De toelichting op het amendement wijst erop dat voor consumenten al een dergelijk recht bestaat op grond van artikel 4:71f Wft en Richtlijn 2014/92/EU. Volgens de toelichting, zoals Gazprom die in het kort geding aanhaalde, mag een rekening alleen op een concrete, wettelijke basis worden geweigerd. kst 36711 27 +2

Het amendement werd op 29 januari 2026 aangenomen. De Eerste Kamer nam het wetsvoorstel op 19 mei 2026 aan. De Wet chartaal betalingsverkeer en aanpassing van het toepassingsbereik van het bonusplafond is gepubliceerd in Stb. 2026, 182 en treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Volgens de Nederlandse Vereniging van Banken treedt de regeling naar verwachting op 1 januari 2027 in werking. Toegang tot betalingsverkeer +3

Het convenant waarop Gazprom zich beriep, werd eind 2025 gesloten. De NVB heeft na aanvaarding van de wet bekendgemaakt dat de banken het convenant in de huidige vorm beëindigen, omdat de functie ervan grotendeels door wetgeving wordt overgenomen. Eerder had de minister van Financiën in een Kamerbrief over de toegang tot het betalingsverkeer voor zakelijke klanten een zakelijke basisbetaalrekening al als mogelijke oplossingsrichting beschreven, met de kanttekening dat zakelijke klanten die zich met illegale of verboden activiteiten inlaten niet voor een basisbetaalrekening in aanmerking kunnen komen. nvbofficielebekendmakingen

Afsluiting

De voorzieningenrechter heeft ING verboden de bankrelatie met Gazprom te beëindigen zolang Gazprom geen alternatieve bankrelatie heeft kunnen aangaan. Gazprom blijft gehouden verder te zoeken naar een andere bank. De vragen of de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en of partijen in augustus 2025 een beëindigingsovereenkomst hebben gesloten, zijn onbeantwoord gebleven. Het gaat om een voorlopige voorziening; in een eventueel hoger beroep of een bodemprocedure kan anders worden geoordeeld. Artikel 4:71k Wft treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen datum, naar verwachting 1 januari 2027.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^