Hoge Raad verwerpt cassatieberoep over de uitleg van het bestanddeel kopen van goederen bij flessentrekkerij
/Hoge Raad 16 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:875
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van een man die onder valse namen bij KPN/XS4ALL en Vodafone/Ziggo abonnementen voor internet, televisie en vaste telefonie aanvroeg om modems, mediaboxen en wifiversterkers te krijgen zonder de rekeningen te betalen. In cassatie staat de vraag centraal of dit handelen valt onder het kopen van goederen in de zin van artikel 326a Sr, de strafbaarstelling van flessentrekkerij. De Hoge Raad zet uiteen dat de wetgever met deze regeling gedragingen strafbaar heeft gesteld waarbij iemand een ander beweegt tot afgifte van een goed met het oogmerk de overeengekomen betaling niet volledig te voldoen, en dat de regeling gevallen uitsluit waarin een ander enkel tot dienstverlening wordt bewogen. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de aanbieders telkens niet alleen tot dienstverlening, maar ook tot afgifte van apparatuur heeft bewogen en dat de niet betaalde bedragen op beide zien. Het oordeel dat daarmee mede sprake is van kopen van goederen getuigt volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De advocaat-generaal had tot vernietiging en terugwijzing geconcludeerd.
Achtergrond
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1969. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelt hem bij arrest van 3 mei 2024 wegens onder 1 het maken van een beroep of gewoonte van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren, meermalen gepleegd, en onder 2 de poging daartoe, meermalen gepleegd. Beide feiten zijn toegesneden op artikel 326a Sr. Het hof legt een gevangenisstraf op van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het hof verklaart de benadeelde partij VodafoneZiggo Group Holding BV niet-ontvankelijk en beveelt de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van twee maanden uit het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 28 augustus 2020.
Het feitencomplex houdt in dat de verdachte in 2020 bij twee telecomaanbieders, KPN/XS4ALL en Vodafone/Ziggo, online aanvragen doet voor de levering van internet, televisie en vaste telefonie. Bij die aanvragen gebruikt hij telkens valse namen, adressen, bankrekeningnummers en e-mailadressen. Bij elke aanvraag worden internetmodems, mediaboxen en wifiversterkers toegestuurd. De verdachte wijzigt het afleveradres telkens naar een PostNL-afhaalpunt, waar hij de zendingen onder vertoon van zijn eigen identiteitsbewijs ophaalt. De rekeningen voor deze bestellingen worden niet betaald. In een aantal gevallen krijgt hij de zendingen niet mee, omdat een afwijkende naam op het pakket staat; deze gevallen liggen ten grondslag aan het onder 2 bewezenverklaarde, de poging. De aangiften van beide aanbieders, een proces-verbaal van verhoor waarin de verdachte de werkwijze bevestigt en de registratie van zijn identiteitsbewijs bij de afhaalpunten dragen de bewezenverklaring.
Cassatiemiddel
Namens de verdachte is één cassatiemiddel voorgesteld. Het middel klaagt over de bewezenverklaring voor zover het hof telkens heeft bewezenverklaard dat de verdachte een beroep of gewoonte heeft gemaakt van het kopen van goederen in de zin van artikel 326a Sr. De kern van de klacht is dat van het kopen van goederen geen sprake is.
De advocaat-generaal Van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden om opnieuw te worden berecht en afgedaan. De conclusie strekt daarmee tot een andere uitkomst dan die de Hoge Raad bereikt.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad stelt vast dat de tenlastelegging is toegesneden op artikel 326a Sr, zodat de woorden kopen van goederen moeten worden begrepen in de betekenis die zij in die bepaling hebben. Aan de hand van de memorie van toelichting en de memorie van antwoord bij de invoering van artikel 326a Sr, en van een latere passage uit de wetsgeschiedenis bij de Wet van 12 juni 2009, leidt de Hoge Raad af dat de wetgever gedragingen strafbaar heeft willen stellen waarbij iemand, al dan niet met gebruikmaking van oplichtingsmiddelen, een ander beweegt tot de afgifte van een goed, met het oogmerk om de overeengekomen betaling daarvoor niet volledig te willen voldoen en zich of een ander de beschikking over dat goed te verzekeren. De wetgever heeft van de regeling de gevallen willen uitsluiten waarin de ander niet wordt bewogen tot de afgifte van een goed, maar tot de verlening van een dienst.
De Hoge Raad wijst erop dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte bij twee telecomaanbieders telkens online aanvragen heeft gedaan voor de levering van internet, televisie en vaste telefonie, dat hij daarbij telkens een of meer internetmodems, mediaboxen of wifiversterkers heeft besteld en ontvangen, en dat de rekeningen voor deze bestellingen niet zijn betaald. Het daarin besloten liggende oordeel van het hof houdt in dat de verdachte de aanbieders niet alleen heeft bewogen tot verlening van een dienst, maar telkens ook tot afgifte van een of meer goederen, en dat de in rekening gebrachte en niet betaalde bedragen zien op zowel de dienstverlening als de afgifte van de goederen, zodat in ieder geval mede sprake is van het kopen van goederen in de zin van artikel 326a Sr. Tegen de achtergrond van de weergegeven wetsgeschiedenis getuigt dit oordeel volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk. Het cassatiemiddel faalt.
Ambtshalve overweegt de Hoge Raad dat hij uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Gelet op de opgelegde gevangenisstraf van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden en verbindt hij daaraan geen ander rechtsgevolg.
Beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
