Hoge Raad verwerpt cassatieberoep over beklag tegen beslag op kleding en gereedschap bij verdenking van diefstal

Hoge Raad 23 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:1006

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van een klager tegen een beklagbeschikking van de rechtbank Midden-Nederland over beslag op kledingstukken en gereedschappen. Het beslag is gelegd op grond van artikel 94 Sv in het kader van een verdenking van diefstal. De rechtbank verklaart de klager voor zover het de kleding en het gereedschap betreft niet-ontvankelijk in zijn beklag, en in cassatie wordt geklaagd dat de klager als beslagene ten onrechte niet als belanghebbende is aangemerkt en dat een onjuiste maatstaf is aangelegd. De Hoge Raad oordeelt dat de cassatiemiddelen niet tot cassatie kunnen leiden om de redenen die de advocaat-generaal in zijn conclusie onder 2.5 noemt. Volgens die conclusie zijn beide middelen terecht voorgesteld, maar leidt het slagen ervan wegens gebrek aan belang niet tot cassatie. De advocaat-generaal leest de overwegingen van de rechtbank zo dat de aangetroffen goederen op basis van summier onderzoek van diefstal afkomstig zijn, waarin besloten ligt dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en zich tegen teruggave verzet.

Achtergrond

De klager is een natuurlijk persoon, geboren in 2001. Onder hem zijn in het kader van een verdenking van diefstal voorwerpen in beslag genomen op grond van artikel 94 Sv, waaronder een bedrijfsauto, een aanhanger, een identiteitskaart, diverse kledingstukken en divers gereedschap. De klager dient een klaagschrift in op grond van artikel 552a Sv, dat strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan hem.

De rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, beslist op dit klaagschrift bij beschikking van 9 september 2024 (RK 24/014769, parketnummer 16-151378-24). De rechtbank verklaart het beklag voor wat betreft de aanhanger ongegrond en verklaart de klager voor het overige niet-ontvankelijk in zijn beklag. Tegen deze beschikking stelt de klager beroep in cassatie in.

Uit de uitspraak blijkt niet of in de onderliggende strafzaak een veroordeling of straf is gevolgd; de procedure betreft uitsluitend het beklag tegen het beslag.

Cassatiemiddelen

Namens de klager stelt advocaat L.C. de Lange twee middelen voor. Beide middelen komen op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn beklag ten aanzien van het gereedschap en de kleding en lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

Het eerste middel klaagt dat het getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel dat ontoereikend is gemotiveerd, dat de klager niet-ontvankelijk is in zijn beklag ten aanzien van het gereedschap en de kleding op de grond dat de rechtbank niet kan beoordelen of de klager daadwerkelijk rechthebbende en dus belanghebbende is bij een deel van die voorwerpen. Volgens het middel moet de klager als beslagene worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 552a Sv, nu de auto en de aanhanger onder hem in beslag zijn genomen en dit ook geldt voor de zich daarin bevindende gereedschappen en kleding.

Het tweede middel klaagt dat de rechtbank bij de beoordeling van het beklag een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, dan wel dat de beslissing ontoereikend is gemotiveerd. Bij een beklag tegen beslag op grond van artikel 94 Sv had de rechtbank volgens het middel moeten beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en, zo niet, de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen moeten gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die voorwerpen moet worden beschouwd.

De advocaat-generaal M.E. van Wees concludeert tot verwerping van het beroep.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt dat de cassatiemiddelen niet tot cassatie kunnen leiden en verwijst voor de redenen naar de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.5.

De advocaat-generaal stelt voorop dat de rechtbank, nu het beslag is gelegd op grond van artikel 94 Sv, diende te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en, zo niet, de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp diende te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. De rechtbank heeft overwogen dat het dossier aanwijzingen bevat dat in ieder geval een deel van het gereedschap en de kleding van diefstal afkomstig is, en heeft daarbij gewezen op verklaringen van verschillende aangevers en op aanwijzingen in het dossier dat de verdachte zich aan de betreffende diefstallen heeft schuldig gemaakt.

Volgens de advocaat-generaal heeft de rechtbank hiermee tot uitdrukking willen brengen dat op basis van het summiere onderzoek in raadkamer het uitgangspunt kan worden gehanteerd dat de aangetroffen goederen van diefstal afkomstig zijn. Anders dan de steller van het middel betoogt, ligt daarin besloten dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en zich tegen teruggave verzet. De advocaat-generaal komt tot de slotsom dat ook het tweede middel terecht is voorgesteld, maar dat het slagen van beide middelen wegens gebrek aan belang niet tot cassatie hoeft te leiden.

Beslissing van de Hoge Raad

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^