Hoge Raad casseert: niet reageren op vraag naar advocaat is geen afstand doen

Hoge Raad 24 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:426

De Hoge Raad vernietigt de veroordeling wegens diefstal van een fopspeen omdat het gerechtshof Amsterdam ontoereikend heeft gemotiveerd waarom de verdachte niet als kwetsbaar is aangemerkt en rechtsgeldig afstand zou hebben gedaan van rechtsbijstand. De verdachte verklaarde bij de politie aan psychoses te lijden, gaf als reden voor de diefstal dat een speen "prettig" is terwijl zij geen kinderen heeft, en reageerde niet op de vraag of zij een advocaat wilde. Op grond van artikel 28b lid 1 Sv en het arrest HR:2024:556 moet een kwetsbare verdachte in de gelegenheid worden gesteld een advocaat te raadplegen voor het eerste politieverhoor, en kan zij slechts afstand doen van dat recht nadat een raadsman haar over de gevolgen heeft ingelicht. De zaak is teruggewezen naar het hof Amsterdam voor een nieuwe behandeling.

Achtergrond

Deze zaak draait om de diefstal van een fopspeen uit een Albert Heijn-supermarkt in Amsterdam op 22 september 2021. De verdachte, een natuurlijke persoon (vrouw, geboren in 1983), wordt op heterdaad aangehouden en door de politie verhoord. Tijdens dat verhoor bekent zij het feit: zij verklaart de speen te hebben meegenomen en niet te hebben afgerekend. Op de vraag waarom zij de fopspeen heeft weggenomen, antwoordt zij dat een speen "prettig" is, terwijl zij aangeeft geen kinderen te hebben.

De verdachte is door het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 12 oktober 2023 (parketnummer 23-000435-23) in de zaak met parketnummer 13-254592-21 (zaak B) veroordeeld wegens diefstal in de zin van artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof legt daarbij met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel op. Het hof overweegt dat winkeldiefstal in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt, zeker gelet op het uitgebreide strafblad van de verdachte, maar ziet daarvan af vanwege haar psychische problemen en verslavingsproblematiek. Hoewel het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in zaak B, heeft het hof ook de straf voor zaak A (parketnummer 13-141212-21) opnieuw bepaald op een gevangenisstraf van vier dagen, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar, omdat de rechtbank voor beide zaken gezamenlijk een straf had opgelegd.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De advocaten D.W.H.M. Wolters en S.W. Kuijpers, beiden werkzaam in Hoofddorp, hebben een cassatiemiddel voorgesteld.

Middel

Het cassatiemiddel richt zich tegen twee samenhangende oordelen van het hof. Ten eerste klaagt het middel over de verwerping door het hof van het verweer dat de verdachte als kwetsbaar had moeten worden aangemerkt en dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om voorafgaand aan het eerste politieverhoor een advocaat te raadplegen. Ten tweede klaagt het middel over het oordeel van het hof dat de verdachte rechtsgeldig afstand heeft gedaan van het recht op rechtsbijstand.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep uitvoerig betoogd waarom de verdachte als kwetsbare verdachte in de zin van artikel 28b lid 1 van het Wetboek van Strafvordering had moeten worden aangemerkt. Daartoe heeft zij onder meer de volgende omstandigheden aangevoerd. De verdachte heeft bij de politie zelf verklaard dat zij aan psychoses lijdt en daarvoor onder behandeling is bij een behandelaar van de instelling Mentrum. Zij heeft de fopspeen weggenomen omdat een speen "prettig" is, terwijl zij geen kinderen heeft. Bij haar voorgeleiding voor de hulpofficier van justitie heeft de verdachte niet gereageerd op de vraag of zij bij het verhoor bijstand van een advocaat wenst. De raadsvrouw heeft daarnaast gewezen op het grote aantal politieregistraties op naam van de verdachte (31 registraties in 2022), op eerdere sepots met als reden dat anders dan strafrechtelijk ingrijpen prevaleerde, op eerdere schuldverklaringen zonder strafoplegging, en op zorgen die bij de politie over de verdachte bestonden. De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte gelet op haar geestelijke toestand niet in staat was om een strafprocedure te begrijpen en daaraan effectief deel te nemen, en dat zij op zijn minst als kennelijk kwetsbaar had moeten worden aangemerkt. In geval van een vermoeden van kwetsbaarheid kan volgens de raadsvrouw niet van consultatie worden afgezien.

Het hof heeft het verweer verworpen met de overweging dat uit de dossierstukken geen concrete feiten of omstandigheden blijken op grond waarvan de politie de verdachte had moeten aanmerken als een kwetsbare verdachte. Het hof wijst erop dat de verdachte tijdens haar verhoor te kennen heeft gegeven dat zij geen advocaat hoefde te raadplegen en dat het op dat moment goed met haar ging. Het hof overweegt dat er geen persoonlijke omstandigheden waren waarvan de verbalisanten op de hoogte moesten zijn, en dat de enkele omstandigheid dat de verdachte een bijzonder antwoord gaf op de vraag waarom zij een speen had weggenomen, niet tot de conclusie hoeft te leiden dat de verdachte kwetsbaar was.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad begint zijn beoordeling met een weergave van het relevante juridische kader, onder verwijzing naar zijn arrest van 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:556. Artikel 6 lid 3 onder c EVRM kent de verdachte het recht toe zich te laten bijstaan door een advocaat. Dit recht komt ook tot uitdrukking in het Wetboek van Strafvordering: op grond van artikel 28 Sv is de verdachte bevoegd zich te doen bijstaan door een gekozen of aangewezen raadsman.

De verdachte kan afstand doen van dit recht, maar aan die afstand worden strikte eisen gesteld. Op grond van artikel 28a lid 1 Sv, dat een omzetting is van artikel 9 lid 1 van de Europese richtlijn, moet de afstand vrijwillig en ondubbelzinnig worden gedaan. De verdachte moet ermee bekend zijn dat hij recht heeft op rechtsbijstand, moet worden ingelicht over de gevolgen van het doen van afstand en moet te horen krijgen dat hij van zijn beslissing kan terugkomen. Als zich feiten en omstandigheden voordoen die meebrengen dat de verdachte niet in vrijheid zijn wil heeft kunnen bepalen over het doen van afstand, is van vrijwillige afstand geen sprake.

Voor kwetsbare verdachten gelden aanvullende regels. Wanneer een aangehouden verdachte vanwege bijvoorbeeld een psychische stoornis of verstandelijke beperking een kwetsbare verdachte betreft in de zin van artikel 28b lid 1 Sv, moet een raadsman worden aangewezen. De rechtsbijstand van deze raadsman is op grond van artikel 43 lid 1 van de Wet op de rechtsbijstand kosteloos. Op grond van artikel 28c lid 2 Sv kan een kwetsbare verdachte alleen afstand doen van het recht op bijstand voorafgaand aan het eerste verhoor nadat hij door een raadsman over de gevolgen van die afstand is ingelicht.

De Hoge Raad overweegt vervolgens, eveneens onder verwijzing naar het arrest uit 2024, dat wanneer de rechter vaststelt dat de verdachte weliswaar te kennen heeft gegeven afstand te doen van het recht op rechtsbijstand, maar die afstand niet rechtsgeldig is omdat de verdachte als gevolg van de met zijn kwetsbaarheid samenhangende concrete beperkingen niet in staat was zijn wil te bepalen, in beginsel sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Als daarover verweer wordt gevoerd, moet dat vormverzuim in de regel leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen die de verdachte zonder rechtsbijstand heeft afgelegd. Dat rechtsgevolg hoeft echter niet noodzakelijkerwijs te worden verbonden als bewijsuitsluiting niet nodig is ter verzekering van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, zoals daaraan mede door het EHRM uitleg is gegeven in de arresten Ibrahim e.a./Verenigd Koninkrijk en Beuze/Belgie.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof, door te overwegen dat geen concrete feiten of omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan de politie de verdachte als kwetsbaar had moeten aanmerken, het verweer ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. Het hof heeft met dat oordeel kennelijk ook geoordeeld dat de verdachte rechtsgeldig afstand heeft gedaan van het recht op rechtsbijstand. Beide oordelen zijn niet toereikend gemotiveerd, gelet op hetgeen de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd. Die aanvoering omvat immers de eigen verklaring van de verdachte over psychoses en haar behandeling, haar opvallende antwoord over de fopspeen, het uitblijven van een reactie op de vraag naar bijstand bij de voorgeleiding en de ruime voorgeschiedenis bij politie en justitie.

Het cassatiemiddel slaagt.

Beslissing

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen in zaak B (parketnummer 13-254592-21). De zaak wordt teruggewezen naar het gerechtshof Amsterdam, opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Het arrest is gewezen door vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en F. Damsteegt, en is uitgesproken op 24 maart 2026.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^