Hof Den Bosch bevestigt gevangenisstraf voor strafadvocaat: drie maanden voor schending beroepsgeheim tijdens verhoor in beperkingen

Op 15 april 2026 heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch een strafrechtadvocaat veroordeeld tot drie maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens opzettelijke schending van zijn beroepsgeheim, gebaseerd op artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. De advocaat liet op 22 april 2020, tijdens de telefonische verhoorbijstand aan een cliënt die in volledige beperkingen zat, een onbevoegde derde op zijn kantoor meeluisteren met het politieverhoor. De zaak kwam aan het licht via Encrochat-berichten die in een ander onderzoek werden ontsleuteld. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 september 2024, versmalde de bewezenverklaring en kwam bovendien tot een andere strafmaat dan door de advocaat-generaal gevorderd. De uitspraak markeert een opvallend moment in de strafrechtelijke handhaving van de geheimhoudingsplicht van advocaten en raakt aan de verhouding tussen strafrecht, tuchtrecht en het bijzondere privilege van de raadsman bij verdachten in beperkingen.

De feiten: telefonische verhoorbijstand en een meeluisterende derde

De zaak speelt zich af in april 2020, tijdens de eerste coronagolf. De cliënt van de advocaat werd op 22 april van dat jaar om 09.13 uur in verzekering gesteld in een grootschalig Opiumwetonderzoek. Op last van de officier van justitie werden hem alle beperkingen opgelegd, een en ander op grond van artikel 62 Sv. Op de bij de advocaat bezorgde meldingsformulieren consultatiebijstand en inverzekeringstelling stond die beperkingenstatus expliciet vermeld. Tussen 14.17 uur en 15.04 uur vond het politieverhoor plaats; de advocaat stond zijn cliënt telefonisch bij vanuit zijn Rotterdamse kantoor, omdat fysieke aanwezigheid vanwege coronamaatregelen niet mogelijk was.

Uit onderschepte Encrochat-berichten in een separaat onderzoek bleek dat een derde gedurende het verhoor op het advocatenkantoor aanwezig was geweest en had meegeluisterd. In die berichten stond onder meer dat het verhoor nog bezig was en dat de gebruiker op dat moment aan het luisteren was. Ook werd melding gemaakt van een betaling van 500 euro aan de advocaat. De verzonden gegevens bevatten cruciale opsporingsinformatie uit het onderzoek, waaronder locaties van doorzoekingen, inbeslaggenomen bedragen en de naam van een persoon die nog "onder de korrel" stond. Zendmastgegevens bevestigden dat het PGP-toestel van de derde zich die dag van zijn woonplaats naar de omgeving van het advocatenkantoor had verplaatst.

Het juridisch kader: beroepsgeheim en het bijzondere privilege bij beperkingen

De strafrechtelijke kern van de zaak betreft de reikwijdte van artikel 272 Sr. Dat artikel stelt het opzettelijk schenden van een geheim strafbaar voor degenen die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift tot geheimhouding verplicht zijn. Bij een verdachte in beperkingen bestaat voor de advocaat een bijzondere positie: hij heeft, als enige buiten justitie, vrije toegang en vertrouwelijke communicatie met zijn cliënt, teneinde effectieve rechtsbijstand te waarborgen. Volgens vaste tuchtrechtelijke jurisprudentie brengt dat privilege de absolute verantwoordelijkheid mee zich te onthouden van iedere gedraging die in strijd is met het doel van de opgelegde beperkingen (zie onder meer Hof van Discipline 31 augustus 2009, ECLI:NL:TAHVD:2009:YA0072).

De verdediging betoogde dat een geheimhoudingsplicht op grond van artikel 272 Sr uitsluitend kan volgen uit een wettelijke bepaling, en dat schending van de beperkingen door de advocaat enkel tuchtrechtelijk kan worden gesanctioneerd. Het hof verwierp dat standpunt en verwees naar een arrest van de Hoge Raad van 13 januari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:32), waaruit het hof afleidt dat een geheimhoudingsverplichting in de zin van artikel 272 Sr ook kan voortvloeien uit een ambt of beroep. Het hof koppelt vervolgens artikel 10 van de Advocatenwet aan artikel 62 Sv: doordat advocaten hun praktijk uitoefenen overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering, rust op hen in een situatie als de onderhavige een geheimhoudingsplicht die onder de reikwijdte van artikel 272 Sr valt.

Wetenschap van de beperkingen: de piketmeldingen als bewijs

Een belangrijke bewijskwestie betrof de vraag of de advocaat voorafgaand aan het verhoor wist dat aan zijn cliënt beperkingen waren opgelegd. De verdediging stelde dat dit pas aan het einde van het verhoor, bij de uitreiking van het bevel beperkingen om 15.15 uur, bekend werd. Het hof volgde die lezing niet. Beide piketmeldingen die de advocaat in de ochtend had ontvangen, vermeldden onder de contactgegevens van de zaakscoördinator expliciet dat alle beperkingen waren opgelegd. Voor een ervaren strafrechtadvocaat, die op 22 april 2020 al ruim twaalf jaar in het vak stond, was deze informatie essentieel voor het verlenen van bijstand. Het hof achtte diens verklaring dat hij de beperkingenstatus pas aan het einde van het verhoor vernam, ongeloofwaardig. Ten overvloede zag het hof in de mededeling aan het begin van het verhoor, dat de telefoon op mute stond en het verzoek aan de cliënt om harder te praten, een bevestiging dat bewust was gekozen voor meeluistermogelijkheden voor een derde.

Versmalde bewezenverklaring en een andere kwalificatie dan in eerste aanleg

Opvallend is dat het hof de bewezenverklaring beduidend versmalt ten opzichte van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De rechtbank had in september 2024 bewezen verklaard dat de advocaat het delict meermalen had gepleegd en kwalificeerde dit als "opzettelijke schending van een beroepsgeheim en een wettelijke geheimhoudingsplicht, meermalen gepleegd". Daarbij oordeelde de rechtbank onder meer dat de Wet politiegegevens en de artikelen 10a en 11a Advocatenwet in deze context niet onder artikel 272 Sr brengen, maar liet zij het feit desondanks meermalen bewezen. Het hof kiest voor een scherpere lijn: één bewezenverklaring op grond van artikel 10 Advocatenwet en artikel 62 Sv, gekwalificeerd als "opzettelijke schending van een beroepsgeheim". De aan de tenlastelegging toegevoegde grondslagen, waaronder de Wet politiegegevens, de gedragsregels en de artikelen 10a en 11a Advocatenwet, komen in de bewezenverklaring van het hof niet terug.

De strafmaat: strenger dan de eis, beperkter dan in eerste aanleg

De strafoplegging laat een opvallende beweging zien. De rechtbank kwam in eerste aanleg tot vijf maanden gevangenisstraf, waarvan twee maanden voorwaardelijk. Zowel de advocaat-generaal als de verdediging bepleitten in hoger beroep een lichtere sanctie: de advocaat-generaal vorderde een taakstraf van 200 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, de raadsman vrijspraak dan wel een (voorwaardelijke) taakstraf. Het hof ging echter een andere kant op en legde, afwijkend van de eis, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden op. Bij die keuze woog het hof, naast de aard en ernst van het feit, mee dat voor vergelijkbare delicten gepleegd door politiefunctionarissen vergelijkbare straffen worden opgelegd en dat met deze handelwijze de pijlers van de rechtsstaat worden geraakt. Ook werd een faciliterende rol bij de instandhouding van georganiseerde drugscriminaliteit vastgesteld, een categorie waarin doorgaans lange gevangenisstraffen worden opgelegd.

Bij het bepalen van de straf werd tevens rekening gehouden met de tuchtrechtelijke afdoening. De Raad van Discipline in het ressort Den Haag had op 19 februari 2025 een schorsing van 52 weken opgelegd, waarvan 26 weken voorwaardelijk. De deken had om schrapping verzocht, maar de raad zag daar geen aanleiding toe.

De grenzen van de strafrechter: geen ontzetting uit het beroep

Een principieel punt betreft de overweging van het hof over de maatregel van ontzetting uit het beroep. Het hof geeft expliciet aan dat dergelijke misstappen naar zijn oordeel in beginsel tot beëindiging van de beroepsuitoefening zouden moeten leiden, tenzij er verantwoordelijkheid wordt genomen en sprake is van disculperende omstandigheden. Volgens het hof waren die omstandigheden in deze zaak niet aanwezig. Het hof onderzocht vervolgens of in de strafzaak de maatregel van ontzetting uit het beroep van advocaat kon worden opgelegd. De wet voorziet bij artikel 272 Sr echter niet in deze mogelijkheid. Het hof kon daartoe dus niet overgaan. Daarmee komt het hof tot een expliciete vaststelling over de grenzen van het strafrechtelijk arsenaal in dit soort zaken.

Verschoningsrecht en proceshouding

Zowel de rechtbank als het hof rekenen de advocaat aan dat hij ter zitting geen verantwoordelijkheid heeft genomen en zich bij veel vragen op zijn verschoningsrecht beriep. Het hof verwijst in dat kader naar het oordeel van de Raad van Discipline, die overwoog dat het verschoningsrecht van de advocaat zich beperkt tot hetgeen de rechtzoekende cliënt aan hem heeft toevertrouwd. Gedragingen ten overstaan van een derde die geen cliënt is in de betreffende kwestie, vallen daar volgens de raad buiten. Dat de advocaat zich hierdoor naar eigen zeggen niet ten volle kon verdedigen, komt volgens het hof voor zijn eigen rekening.

Afsluiting

De uitspraak van het hof 's-Hertogenbosch geeft op meerdere niveaus richting aan de strafrechtelijke beoordeling van schending van het beroepsgeheim door advocaten. Inhoudelijk schept het arrest duidelijkheid over de reikwijdte van artikel 272 Sr in samenhang met artikel 62 Sv en artikel 10 Advocatenwet, en bevestigt het dat schending van de beperkingen door een raadsman ook buiten het tuchtrecht strafrechtelijk kan worden geadresseerd. Procedureel is opvallend dat het hof tegelijkertijd de bewezenverklaring versmalt en een strengere straf oplegt dan gevorderd, waarbij expliciet wordt gewezen op de grenzen van het strafrechtelijk arsenaal. Hoe deze lijn zich verder zal ontwikkelen, zal mede afhangen van eventuele cassatie en van latere jurisprudentie over de verhouding tussen strafrecht, tuchtrecht en het bijzondere privilege van de advocaat bij verdachten in beperkingen.

Print Friendly and PDF ^