Hof Arnhem-Leeuwarden: vrijspraak van oplichting en witwassen tractor wegens ontbreken oplichtingsmiddelen en objectief steunbewijs

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 april 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:2733

Het gerechtshof spreekt een verdachte vrij van oplichting bij de verkoop van een iPhone aan een telefoonzaak. Daarnaast volgt vrijspraak van verduistering, diefstal en witwassen van een tractor van het merk Fiat. Het hof oordeelt dat de gedragingen rond de iPhone-verkoop niet kwalificeren als oplichtingsmiddelen in de zin van artikel 326 Sr. Voor de tenlastegelegde verduistering ontbreekt het vereiste dienstverband, terwijl voor diefstal en witwassen onvoldoende duidelijk is hoe de verdachte de tractor voorhanden kreeg. Het belastende bewijs herleidt zich tot één bron zonder objectief steunbewijs. Beide benadeelde partijen worden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding.

Inleiding en context

De zaak speelt zich af voor de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, en betreft een hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 17 oktober 2025. De verdachte, een in 1983 geboren natuurlijk persoon, is in eerste aanleg veroordeeld voor oplichting, diefstal van een tractor en witwassen van diezelfde tractor. De politierechter heeft een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken met een proeftijd van twee jaren opgelegd, alsmede een taakstraf van honderdtachtig uren, subsidiair negentig dagen hechtenis. De verdachte heeft onbeperkt hoger beroep ingesteld. Het hof verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dit is gericht tegen de in eerste aanleg gegeven partiële vrijspraken, nu tegen een vrijspraak geen rechtsmiddel openstaat voor de verdachte.

De zaak omvat twee feitencomplexen. Het eerste betreft de verkoop op of omstreeks 28 november 2024 van een iPhone aan een telefoonzaak voor een bedrag van € 675. Het tweede feitencomplex betreft een tractor van het merk Fiat die toebehoort aan een vennootschap en die in de periode van 25 oktober 2024 tot en met 7 november 2024 zou zijn verduisterd, gestolen en witgewassen door de verdachte.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting in de zin van artikel 326 Sr door zich voor te doen als bonafide verkoper en de indruk te wekken dat de verkochte iPhone nieuw en geschikt was om door te verkopen, waardoor de afnemer is bewogen tot betaling van € 675. Daarnaast wordt hem verweten dat hij de tractor van het merk Fiat heeft verduisterd uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als werknemer bij een vennootschap die was ingehuurd door de eigenaar van de tractor, dan wel subsidiair dat hij deze heeft weggenomen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. De primaire variant ziet op verduistering in dienstbetrekking in de zin van artikel 322 Sr, de subsidiaire op diefstal in de zin van artikel 310 Sr. Ten slotte wordt de verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen in de zin van artikel 420bis Sr, doordat hij de tractor heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat het voorwerp uit eigen misdrijf afkomstig was.

Het hof leest de tenlastelegging onder feit 2 primair, 2 subsidiair en 3 als impliciet cumulatief tenlastegelegd, hetgeen relevant is voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep ten aanzien van de in eerste aanleg gegeven partiële vrijspraken.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal vordert algehele vrijspraak van de verdachte en niet-ontvankelijkverklaring van beide benadeelde partijen in hun vorderingen. Daarmee schaart het Openbaar Ministerie zich in hoger beroep aan de zijde van de verdediging waar het de bewijswaardering betreft.

Standpunt van de verdediging

De verdediging, gevoerd door mr. H. Veldman, bepleit eveneens algehele vrijspraak. Wat het hof betreft inhoudelijk wordt aangevoerd, blijkt uit de uitspraak slechts beperkt. Het hof vermeldt dat zowel de advocaat-generaal als de verdediging van oordeel is dat de tenlastegelegde gedragingen rond de iPhone-verkoop niet kunnen worden aangemerkt als oplichtingsmiddelen die de afnemer tot betaling hebben bewogen. Ten aanzien van het tractor-complex blijkt uit de uitspraak niet welke specifieke verweren namens de verdachte zijn gevoerd, anders dan dat de verdediging vrijspraak heeft bepleit. Het hof maakt melding van een door de verdachte ter zitting afgelegde verklaring waaruit naar voren komt dat zich weliswaar een situatie heeft voorgedaan met een tractor op een aanhanger waarbij de verdachte betrokken was, maar dat niet duidelijk is dat dit de tenlastegelegde tractor betreft.

Oordeel gerecht

Het hof komt na onderzoek ter terechtzitting tot een andere bewijsbeoordeling dan de politierechter en vernietigt het bestreden vonnis. Het hof doet onmiddellijk uitspraak na het onderzoek ter terechtzitting en licht de beslissing mondeling toe.

Ten aanzien van feit 1 oordeelt het hof, met de advocaat-generaal en de verdediging, dat de gedragingen van de verdachte zoals deze uit het dossier naar voren komen, niet kunnen worden aangemerkt als oplichtingsmiddelen die de medewerker van de telefoonzaak hebben bewogen tot betaling van € 675. Daarmee ontbreekt een constitutief bestanddeel van het delict oplichting. Het hof acht feit 1 niet wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2 primair, de verduistering in dienstbetrekking, stelt het hof vast dat niet uit het dossier blijkt dat tussen de verdachte en de eigenaar van de tractor sprake was van een dienstbetrekking. Nu de tenlastelegging dit element expliciet vereist, ontbreekt een wezenlijk bestanddeel van het delict en kan tot bewezenverklaring niet worden gekomen.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair, de diefstal, overweegt het hof dat het dossier onvoldoende duidelijkheid biedt over de vraag wanneer en hoe de verdachte de tractor zou hebben weggenomen. Het enkele gegeven dat de verdachte toegang had tot de loods waar de tractor zich bevond, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om wegnemingshandelingen aan hem toe te rekenen. De wegnemingshandeling laat zich aldus niet vaststellen.

Ten aanzien van feit 3, het witwassen, hanteert het hof een vergelijkbare lijn. Het dossier biedt weinig duidelijkheid over de vraag wanneer en hoe de verdachte de tractor voorhanden kreeg of overdroeg. De getuigenverklaringen die wijzen in de richting van betrokkenheid van de verdachte bij het overdragen van de tractor zijn in de kern allemaal terug te voeren op één bron, een specifieke getuige. Voor diens verklaring bestaat geen objectief steunbewijs. Hoewel zowel uit het dossier als uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting blijkt dat zich een situatie heeft voorgedaan met een tractor op een aanhanger waarbij de verdachte betrokken was, kan niet worden vastgesteld dat dit de tenlastegelegde tractor van het merk Fiat betreft of wat precies de rol van de verdachte daarbij was. De verklaringen lopen op dit punt uiteen. Het hof past hier in feite het uit jurisprudentie bekende uitgangspunt toe dat voor een bewezenverklaring meer nodig is dan één belastende bron zonder objectieve onderbouwing. Het hof kan niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen.

Bewezenverklaring

Nu het hof tot integrale vrijspraak komt, is er geen bewezenverklaring. Het hof verklaart niet bewezen:

  • dat de verdachte zich op of omstreeks 28 november 2024 schuldig heeft gemaakt aan oplichting van de telefoonzaak;

  • dat de verdachte zich in de periode van 25 oktober 2024 tot en met 7 november 2024 schuldig heeft gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking van een tractor van het merk Fiat;

  • dat de verdachte zich in diezelfde periode schuldig heeft gemaakt aan diefstal van diezelfde tractor;

  • dat de verdachte zich in diezelfde periode schuldig heeft gemaakt aan witwassen van diezelfde tractor.

De verdachte wordt van al deze feiten vrijgesproken.

Strafoplegging en maatregelen

Nu het hof de verdachte integraal vrijspreekt, komt het niet toe aan strafoplegging of het opleggen van maatregelen. Daarmee komt de in eerste aanleg opgelegde combinatie van een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van honderdtachtig uren, subsidiair negentig dagen hechtenis, integraal te vervallen.

Met betrekking tot de vordering van de eerste benadeelde partij, oorspronkelijk € 775 aan materiële schade bestaande uit toestelkosten en gederfde inkomsten, geldt dat in hoger beroep nog slechts € 100 aan gederfde inkomsten wordt gevorderd, nu de toestelkosten onderling zijn geregeld. Doordat de verdachte niet schuldig wordt verklaard aan het handelen waaruit de schade zou zijn voortgevloeid, verklaart het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering. De benadeelde partij wordt veroordeeld in de door de verdachte gemaakte kosten, begroot op nihil.

De tweede benadeelde partij heeft een vordering van € 3.241,75 gehandhaafd. Ook hier geldt dat de verdachte niet schuldig wordt verklaard aan de tenlastegelegde feiten. Bovendien constateert het hof dat de gevorderde schade kennelijk betrekking heeft op een ander voorval. Ook deze benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, met een kostenveroordeling begroot op nihil.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^