Gevangenisstraf van tien jaar voor leidinggeven aan een criminele organisatie gericht op cocaïne en witwassen, nadat de verdachte de procesafspraken niet nakomt

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 5 oktober 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:9481

De rechtbank veroordeelt een verdachte tot een gevangenisstraf van tien jaren voor acht feiten met betrekking tot cocaïne en witwassen. Het gaat om voorbereidingshandelingen, het bewerken, verwerken, afleveren en vervoeren van cocaïne, het buiten Nederland brengen van dertig kilogram, deelneming aan een criminele organisatie en gewoontewitwassen van € 5.023.250. De verdachte is de leider van de criminele organisatie, die gespecialiseerd is in het versnijden van pure cocaïne. Eerder hebben het Openbaar Ministerie en de verdediging procesafspraken gemaakt over een passende uitkomst van de zaak. Die afspraken komen niet tot uitvoering, omdat de verdachte zich niet uiterlijk per 1 september 2025 in Nederland meldt en evenmin aanwezig is op de inhoudelijke behandeling. De officier van justitie eist daarom een aanzienlijk hogere straf dan overeengekomen, en de rechtbank vindt de gevorderde tien jaar gevangenisstraf passend en geboden.

Inleiding en context

De verdachte is een man, geboren in 1990, niet ingeschreven in de basisregistratie personen en verblijvend op een niet vermeld adres. De zaak is in eerste aanleg behandeld door de meervoudige kamer, zittingsplaats Breda, op de zitting van 27 augustus 2026. Het onderzoek is gesloten op 21 september 2026. De verdachte is op tegenspraak berecht en wordt bijgestaan door een raadsman.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte gebruiker is van een EncroChat-account en van twee SKY-ECC-accounts. Uit de chatgesprekken en de administratie van een medeverdachte volgt dat de verdachte zich van maart 2020 tot en met februari 2021 bezighoudt met werkzaamheden die direct of indirect met het bewerken, met name het versnijden, van cocaïne samenhangen. De verdachte geeft opdrachten en instructies aan medeverdachten, betaalt hen uit, regelt koks voor de versnijdingsplaatsen en onderhoudt externe contacten met de leveranciers en opdrachtgevers.

Tenlastelegging en wettelijk kader

Feit 1 betreft het samen met anderen treffen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10, vierde lid, Opiumwet voor het bewerken, verkopen en vervoeren van ongeveer 1000 kilogram cocaïne. De feiten 2 tot en met 5 betreffen het opzettelijk handelen in strijd met het verbod van artikel 2 onder B Opiumwet met betrekking tot respectievelijk 1.677, 121, 334 en 269 kilogram cocaïne. Feit 6 betreft het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van 30 kilogram cocaïne. Feit 7 betreft deelneming aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, en artikel 10a, eerste lid, Opiumwet. Feit 8 betreft gewoontewitwassen van € 5.023.250, met een subsidiaire tenlastelegging van witwassen van eigen misdrijf. De tenlastelegging is als bijlage bij het vonnis gevoegd.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt dat alle feiten kunnen worden bewezen en vordert een gevangenisstraf van tien jaren met aftrek van het voorarrest. Ter terechtzitting formuleert de officier van justitie een aanzienlijk hogere strafeis dan in de procesafspraken was overeengekomen. De hoogte van de eis in die afspraken staat niet in het vonnis.

Standpunt van de verdediging

De verdediging voert aan dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de feiten 6 en 8 kan komen. Bij feit 6 stelt de verdediging dat niet kan worden vastgesteld dat hetgeen op 17 oktober 2020 is uitgevoerd daadwerkelijk cocaïne is, omdat het ook mix kan zijn geweest. Ook stelt de verdediging dat uit de boekhouding van een medeverdachte volgt dat op 27 oktober 2020 dertig stuks zijn vervoerd en niet op 17 oktober 2020. Bij feit 8 voert de verdediging aan dat de verdachte geen zeggenschap had over het geld. Ten aanzien van de straf verzoekt de verdediging rekening te houden met de afstand waarop de aan de verdachte toegeschreven rol is uitgeoefend en met de hoeveelheden die daadwerkelijk uit de bewijsmiddelen volgen. Een standpunt van de verdediging over de procesafspraken en het niet nakomen daarvan is in het vonnis niet weergegeven.

Oordeel gerecht

De rechtbank oordeelt dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is, dat de officier van justitie ontvankelijk is en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

Bij de feiten 1 tot en met 6 baseert de rechtbank zich op de chatgesprekken en de administratie van de medeverdachte. De verdachte blijkt precies te weten waarover hij spreekt, gelet op de gebruikte termen voor kilo-blokken en bedragen en op de gedeelde foto's van blokken, wit poeder en contant geld. De verweren bij feit 6 verwerpt de rechtbank. Wanneer sprake is van mix, wordt dat in de boekhouding als mix vermeld, terwijl de afkorting st. wordt gebruikt voor al dan niet gemixte blokken cocaïne. Uit de chatberichten van de medeverdachte met zowel een andere medeverdachte als met de verdachte blijkt dat op 17 oktober 2020 dertig stuks naar Antwerpen zijn gebracht. De datum 27 oktober 2020 in de handgeschreven boekhouding ziet de rechtbank als een verschrijving.

Bij feit 7 hanteert de rechtbank de vereisten voor een criminele organisatie: een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid, structuur en organisatiegraad, gericht op het plegen van misdrijven, waarbij de deelnemer in het verband van de organisatie participeert en voorwaardelijk opzet heeft op het oogmerk. Zij stelt vast dat verschillende personen in wisselende samenstellingen samenwerken in een gestructureerd en duurzaam verband gericht op het bewerken en vervoeren van grote hoeveelheden cocaïne en het vervoeren van grote contante geldbedragen. De verdachte beschikt over meerdere locaties waar cocaïne wordt versneden, vermeerderd, geperst en gestempeld, en stuurt de medeverdachten in de keukens aan. Zijn bijdrage heeft voldoende intensiteit en duur, en hij heeft de leiding over de organisatie.

Bij feit 8 past de rechtbank het toetsingskader van HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352 toe. De verdachte heeft in de periode van 13 mei 2020 tot en met 27 januari 2021 meerdere grote contante geldbedragen voorhanden, in totaal € 5.023.250. Hij geeft rechtstreeks opdracht tot het ophalen en wegbrengen van die bedragen, waarvan een medeverdachte een boekhouding bijhoudt op basis waarvan de verdachte hem uitbetaalt. De rechtbank acht dit ongebruikelijk en neemt een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen aan, mede omdat de geldtransporten worden afgewisseld met cocaïnetransporten. Het voorhanden hebben vereist feitelijke zeggenschap, maar geen fysieke nabijheid. Omdat de verdachte als leider de opdrachten geeft, heeft hij de beschikkingsmacht. Uit het onderzoek naar zijn legale inkomsten volgt dat de bedragen daaruit niet kunnen komen en hij geeft geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring. Een criminele herkomst blijft daarom als enige aanvaardbare verklaring over. Vanwege de periode van ruim acht maanden en de regelmaat van de transporten neemt de rechtbank gewoontewitwassen aan.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte, telkens tezamen en in vereniging met anderen voor zover het medeplegen betreft:

  • feit 1: in de periode van 2 maart 2020 tot en met 21 maart 2020 in Nederland voorbereidingshandelingen heeft verricht voor het opzettelijk afleveren, verstrekken, bewerken en verwerken van ongeveer 1000 kilogram cocaïne;

  • feit 2: in de periode van 19 april 2020 tot en met 7 mei 2020 in Nederland opzettelijk ongeveer 1677 kilogram cocaïne heeft bewerkt, verwerkt, verstrekt en vervoerd;

  • feit 3: in de periode van 11 mei 2020 tot en met 26 mei 2020 te Breda opzettelijk ongeveer 121 kilogram cocaïne heeft bewerkt, verwerkt, afgeleverd, vervoerd en verstrekt;

  • feit 4: in de periode van 28 juli 2020 tot en met 1 december 2020 te Zevenbergen opzettelijk ongeveer 334 kilogram cocaïne heeft bewerkt, verwerkt, afgeleverd, verstrekt en vervoerd;

  • feit 5: in de periode van 3 augustus 2020 tot en met 5 september 2020 te Luyksgestel opzettelijk ongeveer 269 kilogram cocaïne heeft bewerkt, verwerkt, afgeleverd, verstrekt en vervoerd;

  • feit 6: op 17 oktober 2020 opzettelijk ongeveer 30 kilogram cocaïne buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht;

  • feit 7: in de periode van 1 maart 2020 tot en met 1 februari 2021 in Nederland en/of België heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, en artikel 10a, eerste lid, Opiumwet;

  • feit 8: in de periode van 13 mei 2020 tot en met 27 januari 2021 in Nederland en/of België geldbedragen van in totaal € 5.023.250 heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en gebruikt, wetende dat deze uit enig misdrijf afkomstig waren, en van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Welke onderdelen dat betreft, vermeldt het vonnis niet. De feiten 2 tot en met 5 kwalificeert de rechtbank als medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder B Opiumwet, meermalen gepleegd, en feit 6 als medeplegen van handelen in strijd met artikel 2 onder A Opiumwet. Er zijn geen omstandigheden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank legt een gevangenisstraf op van tien jaren, met aftrek van het voorarrest. Zij overweegt dat de verdachte de leider van de criminele organisatie is, opdrachten en instructies geeft, medeverdachten uitbetaalt, koks regelt en externe contacten onderhoudt. Zij wijst op de schadelijke gevolgen van harddrugs voor gebruikers en op de overlast, de andere vormen van criminaliteit en het gevoel van onveiligheid die de grootschalige handel veroorzaakt. Het witwassen van ruim vijf miljoen euro in ruim acht maanden duidt volgens de rechtbank op winstbejag en tast de integriteit van het financieel en economisch verkeer aan. Het strafblad van 6 november 2025 vermeldt geen soortgelijke feiten.

Over de procesafspraken overweegt de rechtbank dat het Openbaar Ministerie en de verdediging in een eerder stadium afspraken hebben gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst zou zijn. Deze afspraken kunnen geen doorgang vinden, omdat de verdachte zich niet aan de overeengekomen voorwaarden houdt. Hij meldt zich niet uiterlijk per 1 september 2025 in Nederland en is evenmin aanwezig op de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak. Daarom formuleert de officier van justitie ter terechtzitting een aanzienlijk hogere eis dan in de procesafspraken. Gelet op de aard en de ernst van de feiten, in samenhang met alle overige omstandigheden, vindt de rechtbank de strafeis passend en geboden en volgt zij deze. De rechtbank wijkt dus niet af van de eis.

Bij de redelijke termijn stelt de rechtbank vast dat de termijn op 4 april 2023 is gestart, na de aanhouding van de verdachte, en dat zonder bijzondere omstandigheden een termijn van twee jaren geldt. Tot het vonnis is drieënhalf jaar verstreken. De rechtbank neemt bijzondere omstandigheden aan: een groot en langlopend onderliggend onderzoek met veel verdachten, een omvangrijk dossier en een internationale component. Daarnaast hebben de onderhandelingen over de procesafspraken bijna twee jaar geduurd, en die vertraging rekent de rechtbank aan de verdachte toe. De redelijke termijn is daarom niet geschonden.

De tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf vindt volledig plaats binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv. Andere bijkomende straffen of maatregelen legt de rechtbank niet op. De beslissing berust op de artikelen 47, 57 en 420ter Sr en de artikelen 2, 10, 10a en 11b Opiumwet.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^