Geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaren voor veelpleger wegens verduistering en oplichting, hoger voorwaardelijk dan de eis en zonder onvoorwaardelijk deel

Rechtbank Overijssel 9 april 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:3287

De rechtbank Overijssel veroordeelt een man uit 1988 voor verduistering en medeplegen van verduistering van elektrische fietsen en voor oplichting via valse woningverhuur. De verdachte huurde of leende fietsen bij verschillende fietsenwinkels onder het mom van een proefrit en eigende zich die toe, en bewoog daarnaast meerdere personen tot betaling van huur en borg voor woningen die niet van hem waren. Van een ten laste gelegd helingsfeit wordt hij vrijgesproken, omdat het enkele aantreffen bij een gestolen fiets onvoldoende is. De rechtbank rekent de feiten zwaar aan, maar ziet bij de verdachte een mogelijke omslag en wil hem een kans geven op behandeling en begeleiding. Daarom legt zij een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaren op met een proeftijd van drie jaren en een uitgebreid pakket bijzondere voorwaarden. Verschillende benadeelde partijen krijgen hun schade geheel of gedeeltelijk vergoed, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Inleiding en context

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1988, die ten tijde van het vonnis is gedetineerd en meerdere eerder opgelegde gevangenisstraffen uitzit. De zaak wordt in eerste aanleg behandeld door de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, op de openbare terechtzitting van 26 maart 2026. De verdachte wordt bijgestaan door zijn raadsvrouw. De reclassering merkt de verdachte aan als zeer actieve veelpleger. Uit het over hem opgemaakte advies blijkt van een psychopathische stoornis, een antisociale persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke en borderline trekken en een gokstoornis, en van mogelijke neuropsychologische gebreken na een val op twaalfjarige leeftijd. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. De verdachte verklaart dat zijn detentie een omslag teweeg heeft gebracht en dat hij openstaat voor behandeling en begeleiding.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan acht feiten. De feiten 1 tot en met 6 betreffen verduistering, al dan niet in vereniging gepleegd, van meerdere elektrische fietsen die hij als huurder, houder of degene die een proefrit maakt onder zich had bij verschillende fietsenwinkels in onder meer Enschede, Nunspeet, 's-Heerenberg, Zwolle en Hellendoorn. Feit 7 betreft opzet- dan wel schuldheling van een elektrische fiets van het merk Koga. Feit 8 betreft oplichting van meerdere personen, die de verdachte via de websites kamerverhuur.nl en facebook.com en vervolgens via WhatsApp huurwoningen aanbood die niet van hem waren, waarbij hij zich voordeed als bonafide verhuurder en hen bewoog tot afgifte van huur, borg of een aanbetaling. Het wettelijk kader wordt gevormd door de artikelen 47, 321 en 326 Sr.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht de feiten 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 8 wettig en overtuigend bewezen en vordert vrijspraak van feit 7. De officier van justitie vordert een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw acht de feiten 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 8 eveneens bewezen en bepleit vrijspraak van feit 7 wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Zij verzoekt een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Daartoe voert zij aan dat de verdachte inziet dat een ommekeer nodig is en openstaat voor behandeling, en dat rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Oordeel gerecht

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 8. Omdat de verdachte deze feiten heeft bekend en geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank op grond van artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv met een opgave van de bewijsmiddelen, bestaande uit de bekennende verklaring van de verdachte en de processen-verbaal van aangifte.

Van feit 7 spreekt de rechtbank de verdachte vrij. De verdachte is op 26 juni 2022 in Enschede aangetroffen bij een elektrische damesfiets van het merk Koga, met de bijbehorende sleutel en fietscomputer, terwijl die fiets gestolen bleek. De rechtbank overweegt dat het enkele feit dat de verdachte is aangetroffen bij een, naar later bleek, gestolen fiets onvoldoende is om aan te nemen dat hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de fiets van diefstal afkomstig was.

Het bewezenverklaarde levert op: feit 1 verduistering, meermalen gepleegd; de feiten 2, 3, 4, 5 en 6 medeplegen van verduistering, meermalen gepleegd; en feit 8 oplichting, meermalen gepleegd. De rechtbank acht de feiten en de verdachte strafbaar.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen:

  • feit 1: verduistering van meerdere elektrische fietsen in de periode van 6 juni 2022 tot en met 9 juni 2022 te Enschede, die de verdachte als huurder of als degene die een proefrit maakt onder zich had;

  • feit 2: medeplegen van verduistering van meerdere elektrische fietsen in de periode van 27 juni 2022 tot en met 1 juli 2022 te Nunspeet;

  • feit 3: medeplegen van verduistering van meerdere elektrische fietsen in de periode van 4 juli 2022 tot en met 8 juli 2022 te 's-Heerenberg;

  • feit 4: medeplegen van verduistering van meerdere elektrische fietsen in de periode van 6 juli 2022 tot en met 7 juli 2022;

  • feit 5: medeplegen van verduistering van meerdere elektrische fietsen in de periode van 29 september 2022 tot en met 30 september 2022 te Zwolle;

  • feit 6: medeplegen van verduistering van een of meer elektrische fietsen in de periode van 12 oktober 2022 tot en met 17 oktober 2022 te Hellendoorn;

  • feit 8: oplichting, meermalen gepleegd, in de periode van 10 november 2022 tot en met 12 november 2022 te Enschede, waarbij de verdachte zes (groepen) personen heeft bewogen tot afgifte van bedragen van € 700, € 1.500, € 750, € 1.550, € 1.500 en € 1.500 door niet aan hem toebehorende huurwoningen aan te bieden en zich voor te doen als bonafide verhuurder.

De verdachte wordt vrijgesproken van feit 7 en van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de aard en ernst van de feiten, het forse strafblad van de verdachte met eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten en de toepasselijkheid van artikel 63 Sr. Zij overweegt dat de verdachte in korte tijd meerdere vermogensdelicten heeft gepleegd, veel hinder en financiële schade heeft veroorzaakt en geen respect heeft getoond voor de eigendommen van anderen. Gelet op het strafblad en de veelheid aan bewezenverklaarde feiten acht de rechtbank de eis van de officier van justitie in beginsel passend. Omdat de verdachte zegt zijn criminele verleden achter zich te willen laten en open te staan voor langdurige begeleiding, wil de rechtbank hem die kans geven. Zij legt daarom een hogere maar geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op, waarin de overschrijding van de redelijke termijn ruimschoots is verdisconteerd.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Aan de proeftijd verbindt zij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, waaronder een meldplicht, een klinische opname in een forensische zorginstelling met aansluitend ambulante behandeling, verblijf in een instelling voor begeleid wonen, het zoeken en behouden van dagbesteding en medewerking aan het aflossen van schulden. Mocht klinische plaatsing nog niet mogelijk zijn, dan wordt de verdachte na zijn detentie in een overbruggingskliniek geplaatst.

Over de vorderingen van de benadeelde partijen oordeelt de rechtbank als volgt. De vordering van het bedrijf bij feit 1 wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. De vordering van het bedrijf bij feit 4 wordt toegewezen tot € 873,79 aan materiële schade. De vordering van de fietsenwinkel bij feit 5 wordt toegewezen tot € 60 aan eigen risico, vermeerderd met € 500 aan proceskosten, en voor het overige afgewezen omdat niet is gemotiveerd waarom de schade hoger is dan de door de verzekeraar gehanteerde inkoopprijs. De vordering van het slachtoffer bij feit 8 wordt toegewezen tot € 1.500 aan materiële schade. De vordering van een ander slachtoffer bij feit 8 wordt toegewezen tot € 750 aan materiële schade, terwijl het immateriële deel wordt afgewezen omdat onderbouwing van geestelijk letsel of een andere aantasting in de persoon ontbreekt. Bij de feiten die in vereniging zijn gepleegd, is de verdachte hoofdelijk aansprakelijk. Telkens legt de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr op, met vervangende gijzeling die de betalingsverplichting onverlet laat.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^