Geen vrijgave geld voor verdediging in mondkapjesdeal
/Rechtbank Amsterdam 6 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:4473
De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam weigert op 6 mei 2026 de gevorderde gedeeltelijke opheffing van executoriale derdenbeslagen ten laste van een van de hoofdrolspelers van de mondkapjesdeal. De eiser vordert vrijgave van € 150.000 uit de door Stichting Hulptroepen Alliantie gelegde beslagen om zijn rechtsbijstand in hoger beroep te financieren. De voorzieningenrechter oordeelt dat de eiser geen transparant en consistent inzicht verschaft in zijn inkomens- en vermogenspositie. De wisselende opgaven roepen vragen op over verantwoording van grote sommen geld die niet zijn beantwoord. Daardoor kan financiële nood en daarmee een aantasting van de effectieve toegang tot de rechter niet aannemelijk worden geacht. De eerder door de strafrechter verleende opheffing van het strafvorderlijk beslag werkt niet door in de civiele belangenafweging tussen partijen.
Inleiding en context
De zaak betreft een kort geding bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam, ingesteld door een natuurlijke persoon en drie aan hem verbonden rechtspersonen (Noah Holding B.V., Nomi B.V. en Stichting Nomi) tegen Stichting Hulptroepen Alliantie (SHA) en Hulptroepen Alliantie B.V. (HABV). Hoewel de procedure civielrechtelijk van aard is, raakt zij aan het strafprocesrecht doordat parallel een strafzaak loopt en eerder een beschikking ex artikel 552a Sv is gewezen.
De eiser is bestuurder en enig aandeelhouder van Noah Holding. Samen met twee andere personen is hij indirect aandeelhouder van Relief Goods Alliance B.V. (RGA). Deze vennootschap sluit in april 2020, tijdens de coronacrisis, een overeenkomst voor de levering van 40 miljoen mondkapjes, de zogenoemde mondkapjesdeal. De drie aandeelhouders beweren de mondkapjes tegen kostprijs te leveren via SHA, een non-profitorganisatie die zij tevens besturen. De met de deal behaalde winst wordt grotendeels als dividend uitgekeerd aan de aandeelhouders van RGA. Twee van de drie betrokkenen worden later geschorst en ontslagen als bestuurder van SHA; de eiser is daarvoor al afgetreden.
Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2025 worden onder meer de eiser en zijn vennootschappen hoofdelijk en uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld tot betaling aan SHA c.s. van € 20.733.550 als voorschot op schadevergoeding, met verwijzing naar de schadestaatprocedure. Alle procespartijen gaan in hoger beroep. Ter verzekering van haar vorderingen heeft SHA conservatoire en later executoriale (derden)beslagen gelegd ten laste van de eiser en zijn vennootschappen. Daarnaast wordt in de strafzaak strafvorderlijk beslag gelegd op privé- en zakelijke bankrekeningen, vorderingen op derden, voertuigen en het woonhuis van de eiser.
Juridisch kader en vordering
De eisers vorderen, samengevat, gedeeltelijke opheffing van het door SHA c.s. onder de Rabobank gelegde executoriale derdenbeslag ten laste van Noah Holding tot een bedrag van € 150.000, betaling van dit bedrag zonder korting of verrekening op de derdenrekening van de procesadvocaat, dan wel het treffen van een andere voorziening gericht op effectieve toegang tot de rechter. Het toetsingskader betreft de schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis. Beslissend is een belangenafweging tussen het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand hangende hoger beroep en het belang van de geëxecuteerde bij de uitvoerbaarheid bij voorraad. De kans van slagen van het hoger beroep blijft daarbij buiten beschouwing.
Standpunt van eisers
De eisers stellen dat zij geen financiële middelen meer hebben om in het hoger beroep verweer te voeren en dat hun effectieve toegang tot de rechter daardoor op het spel staat. Zij wijzen op drie eerdere uitspraken waarin in vergelijkbare situaties ten gunste van de medeprocespartijen is geoordeeld: een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 mei 2024 waarin het conservatoire beslag ten laste van een medebetrokkene is opgeheven tot € 100.000, een vonnis van diezelfde rechtbank van 6 oktober 2025 waarin het executoriale beslag ten laste van een andere medebetrokkene gedeeltelijk is opgeheven tot € 150.000, en een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 7 november 2025 in vergelijkbare zin. Verder beroepen de eisers zich op de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 24 februari 2026, waarin het klaagschrift ex artikel 552a Sv gegrond is verklaard en het strafvorderlijk beslag op de bankrekening van Noah Holding tot € 150.000 is opgeheven ten behoeve van de financiering van rechtsbijstand in de civiele procedure. Ten aanzien van gefinancierde rechtsbijstand stellen de eisers dat een toevoeging zal worden afgewezen omdat het geschil als zakelijk zal worden gekwalificeerd door vereenzelviging van natuurlijk persoon en rechtspersoon.
Standpunt van verweerders
SHA c.s. voeren gemotiveerd verweer en betwisten dat sprake is van financiële nood. Zij wijzen erop dat de eiser geen transparant en consistent inzicht geeft in zijn inkomens- en vermogenspositie en die van de bij hem betrokken rechtspersonen. Aan herhaalde sommaties en informatieverzoeken vanaf november 2025 wordt volgens SHA c.s. niet, althans niet behoorlijk, voldaan. Uit de op 18 maart 2026 alsnog verstrekte informatie blijkt onder meer onbeslagen vermogen in de vorm van indirecte aandelen in Nanook B.V., inkomsten van ongeveer € 120.000 over 2024 en 2025, een aanzienlijke discrepantie in de rekening-courantpositie van Noah Holding en grote leningen, onder meer aan de partner van de eiser. Vervolgvragen blijven onbeantwoord. Voorts voeren SHA c.s. aan dat de eiser in privé wordt aangesproken als oud-bestuurder van SHA en op die grondslag wel degelijk in aanmerking kan komen voor gefinancierde rechtsbijstand, waarmee de effectieve toegang tot de rechter kan worden geborgd.
Oordeel voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het aan eisers is om aannemelijk te maken dat zij geen middelen meer hebben om verweer te voeren. In die bewijslast slagen zij niet. De inkomens- en vermogenspositie is sinds november 2025 onderwerp van correspondentie. Aanvankelijk wordt gesteld dat al het vermogen onder beslag ligt en dat de inkomsten zich beperken tot een geringe vergoeding voor vrijwillig brandweerwerk. Uit de op 18 maart 2026 verstrekte informatie blijkt echter dat er wel degelijk onbeslagen vermogen en aanzienlijke inkomsten zijn, dat de rekening-courantpositie van Noah Holding in 2022 ongeveer € 290.000 lager was dan eerder opgegeven, dat grote leningen zijn verstrekt en dat de advocaatkosten in eerste aanleg € 47.211,66 lager zijn dan opgegeven. De daaropvolgende vragen van SHA c.s. blijven onbeantwoord. De voorzieningenrechter oordeelt dat de wisselende opgaven terechte vragen oproepen over de verantwoording van grote sommen geld en dat zonder nadere onderbouwing niet kan worden aangenomen dat deze gelden daadwerkelijk niet ter beschikking van de eisers staan.
De voorzieningenrechter onderscheidt deze zaak uitdrukkelijk van de eerdere uitspraken ten gunste van de medeprocespartijen. In die zaken was doorslaggevend dat onvoldoende aannemelijk was dat de betrokkenen nog ergens geld hadden verstopt en dat niemand hen het benodigde bedrag voor rechtsbijstand kon of wilde lenen. Voor de eisers in dit kort geding ligt dat anders. De beschikking van de rechtbank Rotterdam van 24 februari 2026 werkt niet door in de civiele belangenafweging, omdat de strafrechter binnen dat strafvorderlijk kader uitsluitend de verhouding tussen het openbaar ministerie en de verdachte heeft beoordeeld en SHA daarin geen belanghebbende is. In de civiele procedure worden de belangen van SHA c.s. wél tegen die van eisers afgewogen, en SHA c.s. heeft de financiële nood gemotiveerd betwist. Voorts ontbreekt voldoende spoedeisend belang. Tot het eerste kwartaal van 2027 zijn geen gewichtige proceshandelingen nodig en de eisers hebben op 31 maart 2026 reeds van grieven gediend, waaruit blijkt dat zij in middelen voor rechtsbijstand kunnen voorzien. Er resteert voldoende tijd om de gestelde financiële nood alsnog te onderbouwen en eventueel een toevoeging aan te vragen, waartoe de eiser zich blijkens zijn e-mail van 18 maart 2026 ook bereid heeft verklaard.
Beslissing
De voorzieningenrechter weigert de gevraagde voorzieningen en veroordeelt de eisers in de proceskosten van € 2.101, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening indien niet tijdig wordt voldaan. De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
