Geen terugwijzing onder de kernroljurisprudentie en veroordeling van een bewindvoerder voor diefstal en verduistering, met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 9 juli 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1826

De verdachte is jarenlang bewindvoerder en budgetbeheerder van tientallen kwetsbare, veelal oudere mensen en maakt in die hoedanigheid geld van hen weg. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch wijst het verzoek tot terugwijzing naar de rechtbank af en doet de zaak onder de kernroljurisprudentie zelf af. Het verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk en acht diefstal en verduistering in dienstbetrekking bewezen ten nadele van 34 slachtoffers. Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal legt het hof geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op, maar een taakstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. Reden is dat schadeloosstelling van de benadeelden bij vrijheidsbeneming illusoir zou worden. Het hof wijst de materiële vorderingen van de benadeelde partijen toe en legt de schadevergoedingsmaatregel op.

Inleiding en context

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1972. Hij treedt gedurende een reeks jaren op als bewindvoerder en budgetbeheerder, mede handelend onder de naam van een eigen onderneming. In die hoedanigheid beheert hij het vermogen van een groot aantal kwetsbare, veelal oudere personen. Het verwijt is dat hij geld van deze mensen aan hun vermogen heeft onttrokken.

De zaak dient in hoger beroep. De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, heeft bij vonnis van 2 december 2024 de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van feit 3 primair en het overige tenlastegelegde bewezen verklaard, gekwalificeerd als diefstal, meermalen gepleegd (feit 1 primair), verduistering in dienstbetrekking of beroep, meermalen gepleegd (feit 1 subsidiair en feit 2) en verduistering (feit 3 subsidiair). De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden met aftrek van voorarrest en beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt onder feit 1 primair verweten dat hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 2 september 2013 meermalen geldbedragen heeft weggenomen die toebehoren aan een reeks personen, subsidiair dat hij deze bedragen, die hij als bewindvoerder onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. Onder feit 2 wordt hem verweten dat hij in de periode van 1 juli 2009 tot en met 31 mei 2014 geldbedragen die hij als bewindvoerder en budgetbeheerder onder zich had, zich heeft toegeëigend. Onder feit 3 primair is oplichting ten laste gelegd van een geldbedrag van € 50.000 en subsidiair verduistering van datzelfde bedrag.

De relevante bepalingen zijn diefstal (artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht) en verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking of van zijn beroep onder zich heeft (artikel 322 juncto artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht). Bij verduistering staat centraal dat de verdachte de gelden anders dan door misdrijf onder zich heeft, in dit geval in zijn hoedanigheid van bewindvoerder of budgetbeheerder, en zich deze vervolgens wederrechtelijk toe-eigent.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal vordert dat het hof het vonnis van de rechtbank bevestigt en de verdachte, evenals de rechtbank, veroordeelt tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van feit 3 primair stelt de advocaat-generaal zich, met de verdediging, op het standpunt dat het recht tot strafvervolging is verjaard en dat het Openbaar Ministerie in zoverre niet-ontvankelijk is.

Standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt primair de zaak terug te wijzen naar de rechtbank op grond van artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Zij legt daaraan ten grondslag dat het recht op een eerlijk proces is geschonden doordat de raadsman van de verdachte in eerste aanleg niet in kennis is gesteld van de regiezitting van 9 oktober 2024 en geen afschrift heeft ontvangen van de brief waarin is meegedeeld dat op de zitting van 18 november 2024 zou worden beslist op de verzoeken van de verdachte tot aanhouding en tot het horen van getuigen.

Subsidiair verzoekt de verdediging het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de strafvervolging wegens schending van het recht op een eerlijk proces in twee instanties binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. In dat verband voert zij aan dat de rechtbank het verzoek om 35 met name genoemde getuigen te horen ten onrechte heeft afgewezen.

Meer subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard ten aanzien van feit 3 primair wegens verjaring. Zij bepleit vrijspraak van het onder 1 primair en subsidiair, 2 en 3 subsidiair tenlastegelegde wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Tot slot voert de verdediging een strafmaatverweer en bepleit zij dat aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd.

Oordeel gerecht

Het hof wijst het verzoek tot terugwijzing af. Het stelt voorop dat het hof, wanneer de rechtbank op de hoofdzaak heeft beslist en zich een tot nietigheid leidend verzuim heeft voorgedaan, de zaak op grond van artikel 423, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering na een nieuwe behandeling zelf afdoet en niet terugwijst op de enkele grond dat de verdachte een instantie heeft gemist. Terugwijzing op grond van het tweede lid is aan de orde als de rechtbank ten onrechte niet in de hoofdzaak heeft beslist. De kernroljurisprudentie (HR 7 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0442) breidt dit uit tot het geval waarin de rechtbank ten onrechte wél heeft beslist, maar alleen bij een gebrek in de samenstelling van het gerecht of bij afwezigheid van een kernrolspeler die niet op de wettelijk voorgeschreven wijze van de zittingsdag op de hoogte was.

Het hof stelt vast dat de raadsman die op 3 oktober 2024 als waarnemer optrad, tijdens die zitting de verdediging heeft neergelegd, waardoor ook de gestelde raadsman niet langer voor de verdachte optrad. Die raadsman hoefde daarom niet in kennis te worden gesteld van de regiezitting van 9 oktober 2024, waarvan de datum aan de verdachte is aangezegd. Uit de brief van de verdachte van 7 november 2024 en uit de kennisgevingen van 16 en 17 oktober 2024 blijkt bovendien dat de raadsman op de hoogte was van de zitting van 18 november 2024. Dat de raadsman daarnaast geen afschrift heeft ontvangen van de brief van 15 november 2024, levert geen schending van het recht op een eerlijk proces op. Het had op de weg van de verdachte gelegen de raadsman van de inhoud daarvan op de hoogte te stellen. Klachten over de afwijzing van verzoeken kan de verdachte in hoger beroep aan de orde stellen. Het hof doet de zaak daarom zelf af.

Het hof verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (onder meer HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059) komt de sanctie van niet-ontvankelijkheid bij enkele overschrijding van de redelijke termijn in het geheel niet in beeld. Van een onherstelbare inbreuk op de verdedigingsrechten als bedoeld in de derde categorie van dat arrest is geen sprake. Het hof neemt de overweging van de rechtbank over dat de verklaringen van de niet gehoorde getuigen voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal, waaronder bankafschriften en de deels bekennende verklaringen van de verdachte zelf, en dat de betrouwbaarheid van die verklaringen toereikend kan worden getoetst. Het hof voegt daaraan toe dat een eventuele inbreuk niet onherstelbaar is, omdat de verdediging het getuigenverzoek in hoger beroep had kunnen herhalen. Door daarvan bewust af te zien, heeft zij afstand gedaan van haar ondervragingsrecht. Voor bewijsuitsluiting bestaat evenmin grond.

Ten aanzien van feit 3 primair verklaart het hof, met de advocaat-generaal en de verdediging, het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk omdat het recht tot strafvervolging is verjaard. Van feit 3 subsidiair spreekt het hof de verdachte vrij, omdat het dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Het door de raadsman gevoerde bewijsverweer bij de feiten 1 en 2 vindt naar het oordeel van het hof zijn weerlegging in de bewijsmiddelen. Het hof verwerpt dit verweer en acht het onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Het kwalificeert het onder 1 primair bewezenverklaarde als diefstal, meermalen gepleegd, en het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde telkens als verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking of van zijn beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd. Het hof stelt het aantal slachtoffers, na beoordeling in hoger beroep, vast op 34.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen:

  • diefstal, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2013 tot en met 2 september 2013, van geldbedragen die toebehoren aan achttien slachtoffers (feit 1 primair);

  • verduistering, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2013 tot en met 2 september 2013, van geldbedragen die de verdachte als bewindvoerder onder zich had en die toebehoren aan een aantal slachtoffers (feit 1 subsidiair);

  • verduistering, meermalen gepleegd, in de periode van 1 juli 2009 tot en met 31 mei 2014, van geldbedragen die de verdachte als bewindvoerder en als budgetbeheerder onder zich had en die toebehoren aan een aantal slachtoffers (feit 2).

Het hof spreekt de verdachte vrij van feit 3 subsidiair en van hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. Ten aanzien van feit 3 primair is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk.

Strafoplegging en maatregelen

Het hof neemt de strafmotivering van de rechtbank over. De verdachte heeft grote bedragen verduisterd en gestolen ten koste van zeer kwetsbare mensen en heeft daarmee niet enkel financiële schade veroorzaakt, maar ook het vertrouwen dat in bewindvoerders en budgetbeheerders moet kunnen worden gesteld ernstig beschaamd. Sommige slachtoffers ontvingen hun leefgeld niet of raakten in ernstige moeilijkheden doordat hun huur niet werd betaald. De verdachte heeft geen spijt getoond, legt de verantwoordelijkheid bij anderen en is, op een enkel geval na, niet tot terugbetaling overgegaan. Het hof slaat acht op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld, maar niet voor soortgelijke feiten, en dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Verder betrekt het hof de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die een eigen sloopbedrijf heeft en met zijn gezin een koopwoning bewoont.

Gelet op de ernst van de feiten kan volgens het hof in beginsel niet worden volstaan met een lichtere sanctie dan onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming. Het hof ziet zich echter voor de vraag gesteld of een strafmodaliteit die het belang van de gedupeerden bij schadeloosstelling beter dient de voorkeur verdient. Bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan de verdachte geen inkomsten genereren, waardoor schadeloosstelling illusoir dreigt te worden. Mede wegens het ruime tijdsverloop acht het hof het belangrijker dat op niet te lange termijn een begin kan worden gemaakt met het schadeloos stellen van de benadeelden. In de keuze voor een andere strafmodaliteit ligt tevens de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg besloten.

Het hof legt voor de feiten 1 primair, 1 subsidiair en 2 een taakstraf op van 180 uren, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 90 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest naar de maatstaf van twee uren per dag, en daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Daarmee wijkt het hof af van de eis van de advocaat-generaal en van het vonnis van de rechtbank.

Op de vorderingen van de benadeelde partijen beslist het hof als volgt. De benadeelde partij die zich met betrekking tot feit 3 heeft gevoegd, wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat voor dat feit geen straf of maatregel wordt opgelegd, en deze partij wordt in de proceskosten van de verdachte veroordeeld. De gevorderde immateriële schade acht het hof onvoldoende onderbouwd en wordt in zoverre niet-ontvankelijk verklaard. De materiële vorderingen zijn niet gemotiveerd betwist en liggen voor toewijzing gereed. Het hof wijst deze toe, waaronder bedragen van € 373,08, € 876,02, € 441,65, € 102,85 en € 1.613,38 ter zake van feit 1 primair en bedragen van € 2.875, € 2.067,35, tweemaal € 7.028,34, € 99 en € 3.190 ter zake van feit 2, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Op de vordering van een van de slachtoffers wordt het reeds terugbetaalde bedrag in mindering gebracht. Voor elke toegewezen vordering legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op, met bepaling van de duur van de gijzeling, die de betalingsverplichting niet opheft.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^