Geen belastingfraude, wel valsheid in geschrift: ex-echtgenote ondernemer bestraft voor vervalste aangiften

Rechtbank Amsterdam 3 juni 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5921

De rechtbank spreekt een vrouw vrij van belastingfraude omdat zij geen belastingplichtige is en er geen sprake is van 'doen plegen'. Wel wordt zij veroordeeld voor valsheid in geschrift door tussen 2018 en 2022 op naam van haar ex-echtgenoot valse belastingaangiften in te dienen. Hiermee is de Belastingdienst voor ruim 285.000 euro benadeeld. De vrouw krijgt een voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden en een geldboete van duizend euro. De rechtbank houdt bij de strafmaat rekening met haar persoonlijke en medische situatie.

Context van de zaak

De verdachte is een natuurlijke persoon, geboren in 1966 en woonachtig in Nederland. Zij is de voormalige echtgenote van een zelfstandig ondernemer, die sinds 1 januari 2015 een eenmanszaak exploiteert in de ICT-sector onder de handelsnaam “bedrijf 1”. De ondernemer heeft in de periode van 2018 tot en met 2022 inkomsten gegenereerd via een samenwerking met een besloten vennootschap, aangeduid als “bedrijf 2”. Deze inkomsten zijn door hem echter niet verantwoord in de desbetreffende belastingaangiften.

Gedurende deze jaren neemt de verdachte de feitelijke afhandeling van de belastingzaken op zich. In correspondentie met de Belastingdienst verklaart zij onder andere dat alle zakelijke post voor haar ex-echtgenoot naar haar woonadres gestuurd moet worden en dat zij verantwoordelijk is voor zijn zakelijke aangelegenheden. Ondanks meerdere verzoeken van de Belastingdienst tot het verstrekken van informatie over de aangiften inkomsten- en omzetbelasting, blijft een inhoudelijke reactie uit. Dit leidt uiteindelijk tot een boekenonderzoek en vervolgens tot een strafrechtelijk onderzoek.

De verdachte verschijnt niet op de terechtzitting van 20 mei 2025. In een eerder verzonden e-mail van 19 mei 2025 stelt zij onder meer dat zij geen officiële dagvaarding per aangetekende post heeft ontvangen. De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding wel op juiste wijze is betekend en wijst haar verzoek om aanhouding af. De zaak wordt daarom bij verstek behandeld.

De tenlastelegging

De verdachte wordt verweten dat zij:

  1. Geen aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen heeft gedaan ten name van haar ex-echtgenoot over het jaar 2018, met het oogmerk dat te weinig belasting wordt geheven;

  2. Primair: Opzettelijk onjuiste aangiften inkomstenbelasting heeft gedaan ten name van haar ex-echtgenoot over de jaren 2019, 2020 en 2021, met hetzelfde oogmerk;

    Subsidiair: Deze aangiften valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

  3. Primair: Opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan over meerdere kwartalen in de jaren 2018 tot en met 2022, eveneens met het oogmerk dat te weinig belasting wordt geheven;

    Subsidiair: Deze aangiften valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie stelt dat alle primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Volgens de officier van justitie is de verdachte degene die, door namens haar ex-echtgenoot aangiften in te dienen, het delict heeft doen plegen. Omdat het hier om een zogenoemd kwaliteitsdelict gaat, waarbij alleen de belastingplichtige zelf of diens wettelijke vertegenwoordiger strafbaar kan zijn, wordt betoogd dat de verdachte door ‘doen plegen’ verantwoordelijk moet worden gehouden. Indien dit standpunt niet wordt gevolgd, stelt de officier van justitie zich subsidiair op het standpunt dat valsheid in geschrift bewezen moet worden geacht.

Het standpunt van de verdediging

De verdachte voert geen inhoudelijk verweer. Zij stelt slechts in een e-mail dat zij geen officiële dagvaarding heeft ontvangen, hetgeen door de rechtbank wordt verworpen.

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van belastingfraude (feit 1, 2 primair en 3 primair)

De rechtbank stelt vast dat artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een kwaliteitsdelict betreft. Enkel de belastingplichtige zelf of diens vertegenwoordiger, zoals gedefinieerd in de artikelen 42 tot en met 44 AWR, kan hiervoor als dader worden aangemerkt. De verdachte is geen van beiden. Aangezien de belastingaangiften op naam van haar ex-echtgenoot zijn gedaan en hij ook degene is aan wie de uitnodiging tot het doen van aangifte was gericht, kan de verdachte niet als pleger van dit delict worden aangemerkt.

Ook van ‘doen plegen’ is volgens de rechtbank geen sprake. Daarvoor zou moeten zijn gebleken dat de feitelijke dader – in dit geval haar ex-echtgenoot – als een willoos werktuig heeft gehandeld. De rechtbank constateert echter dat het juist de verdachte is geweest die zelfstandig de aangiften heeft ingevuld en ingediend, zonder dat is gebleken van betrokkenheid van de ex-echtgenoot. Hierdoor ontbreekt het vereiste element van ‘doen plegen’. Op grond hiervan spreekt de rechtbank de verdachte vrij van de onder 1, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde belastingfraudedelicten.

Bewezenverklaring van valsheid in geschrift (feit 2 subsidiair en 3 subsidiair)

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte valsheid in geschrift heeft gepleegd. Tussen 2018 en 2022 heeft zij aangiften inkomstenbelasting en omzetbelasting digitaal ingediend, waarin zij onjuiste informatie heeft opgenomen. De aangiften bevatten telkens te lage of nihil-opgaves, ondanks dat uit onderzoek is gebleken dat de onderneming van haar ex-echtgenoot in werkelijkheid aanzienlijke inkomsten genereerde.

De bewezen valsheid betreft:

  • Drie onjuiste aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2019, 2020 en 2021;

  • Zeventien onjuiste aangiften omzetbelasting over de kwartalen in de jaren 2018 tot en met 2022.

De bewezenverklaring

De verdachte maakt zich schuldig aan telkens valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, door het opzettelijk onjuist invullen van de genoemde aangiften met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken.

De strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van acht maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast wordt een geldboete opgelegd van duizend euro, bij gebreke van betaling te vervangen door twintig dagen hechtenis.

Overwegingen bij de strafmaat

De rechtbank acht het bewezenverklaarde ernstig. Gedurende meerdere jaren heeft de verdachte willens en wetens valse belastingaangiften ingediend. Hierdoor is een bedrag van in totaal 285.278 euro aan belastinginkomsten ontdoken. De verdachte heeft geen enkele poging ondernomen om de situatie op te lossen, ondanks herhaalde verzoeken en contactpogingen van de Belastingdienst.

Tegen haar wordt ook in het nadeel meegewogen dat zij niets heeft gedaan om de foutieve aangiften te corrigeren, zelfs niet nadat het strafrechtelijk onderzoek was gestart. Zij heeft het vertrouwen in het belastingstelsel ondermijnd. Daar staat tegenover dat zij niet eerder is veroordeeld en dat zij zich in een moeilijke persoonlijke en medische situatie bevindt. Gezien haar gezondheidstoestand acht de rechtbank het onwenselijk en niet proportioneel om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of taakstraf op te leggen.

Om herhaling te voorkomen en de ernst van de feiten te onderstrepen, kiest de rechtbank voor een langere voorwaardelijke gevangenisstraf dan door het Openbaar Ministerie is geëist. De geldboete wordt passend geacht, mede gelet op het ontbreken van een persoonlijke belastingschuld bij verdachte.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^