EHRM schrapt zaak Koopmans tegen Nederland van de rol na schikking over onschuldpresumptie bij afgewezen schadevergoeding

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft op 3 september 2026 de zaak Koopmans tegen Nederland van de rol geschrapt omdat tussen verzoeker en de Nederlandse regering een schikking is bereikt. De klacht was gebaseerd op artikel 6 lid 2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en zag op de beslissingen van het gerechtshof om verzoeken tot schadevergoeding na een vrijspraak af te wijzen. Verzoeker, geboren in 1985 en bijgestaan door mr. M. Berndsen, advocaat te Amsterdam, had de klacht op 30 oktober 2024 ingediend. Op grond van de schikking betaalt de Nederlandse regering € 3.000 voor immateriële schade en € 1.571 voor kosten, te voldoen binnen drie maanden na kennisgeving van de beslissing. Het Hof stelde vast dat de schikking berust op eerbiediging van de in het verdrag omschreven mensenrechten en schrapte de zaak op grond van artikel 39 EVRM.

De klacht: onschuldpresumptie bij een afgewezen schadevergoeding

De onderliggende kwestie draait om schadevergoeding voor voorlopige hechtenis die is ondergaan door iemand die daarna onherroepelijk is vrijgesproken. Volgens de bij de klacht behorende toelichting had verzoeker een verzoek tot schadevergoeding ingediend na zijn vrijspraak. Het gerechtshof Den Haag wees dat verzoek af. Als grond noemde het hof dat het handelen van verzoeker laakbaar zou zijn geweest en dat hij, gelet op de wijze van tenlasteleggen, niet was veroordeeld. In de klacht wordt het standpunt ingenomen dat het gerechtshof daarmee een vermoeden van schuld aan een strafbaar feit heeft geuit dat zich niet verdraagt met de onschuldpresumptie. Op die grondslag is de klacht wegens schending van artikel 6 lid 2 EVRM ingediend. Dit is de weergave van het standpunt van de indienende partij; het Hof heeft dat standpunt niet inhoudelijk beoordeeld.

De Nederlandse regeling: artikelen 530 en 533 Sv en de billijkheidsmaatstaf

De schadevergoeding voor gewezen verdachten is geregeld in Titel VIA van het Wetboek van Strafvordering. Artikel 533 Sv voorziet in vergoeding van schade als gevolg van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis wanneer de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel. Artikel 530 Sv geeft een aanspraak op vergoeding van onder meer de kosten van een raadsman. Deze bepalingen kwamen per 1 januari 2020 met de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen in de plaats van de eerdere artikelen 89 en volgende en 591 en volgende Sv, zoals de conclusie van het parket bij de Hoge Raad van 19 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:619 beschrijft.

Voor beide aanspraken geldt de maatstaf van artikel 534 Sv: toekenning van een vergoeding heeft steeds plaats indien en voor zover daartoe, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Uitgangspunt is dat vergoeding plaatsvindt, maar het staat de rechter vrij op gronden van billijkheid vergoeding achterwege te laten of slechts gedeeltelijk toe te kennen. Die oordeelsvrijheid wordt begrensd door de onschuldpresumptie van artikel 6 lid 2 EVRM, zoals onder meer het gerechtshof Amsterdam overwoog in zijn beschikking van 21 mei 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2458.

De Straatsburgse maatstaf: van Sekanina naar Nealon en Hallam

De Nederlandse verzoekschriftprocedure is een aan de strafzaak gekoppelde procedure. Uit de rechtspraak van het Europees Hof volgt dat de onschuldpresumptie ook buiten de eigenlijke strafprocedure kan doorwerken wanneer er een voldoende band bestaat met de afgesloten strafzaak. In Sekanina tegen Oostenrijk (25 augustus 1993, ECLI:CE:ECHR:1993:0825JUD001312687) en Asan Rushiti tegen Oostenrijk (21 maart 2000, ECLI:CE:ECHR:2000:0321JUD002838995) oordeelde het Hof dat het na een definitieve vrijspraak niet langer toelaatbaar is om in een schadevergoedingsprocedure verdenkingen tegen de betrokkene te uiten. In Del Latte tegen Nederland (9 november 2004, ECLI:CE:ECHR:2004:1109JUD004476098) toetste het Hof een Nederlandse zaak waarin verzoekers stelden dat het gerechtshof bij de beslissing over schadevergoeding een schuldvaststelling had gedaan voor een feit waarvoor zij nooit waren vervolgd.

De maatstaf is verduidelijkt in het Grote Kamer-arrest Nealon en Hallam tegen het Verenigd Koninkrijk (11 juni 2024, ECLI:CE:ECHR:2024:0611JUD003248319). Nederlandse gerechten passen die uitleg toe: de motivering van de beslissing in de gekoppelde procedure mag niet neerkomen op het uiten van de mening dat de voormalige verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, ongeacht of de strafzaak eindigde met een vrijspraak dan wel een sepot. Het gerechtshof Amsterdam verwees in zijn genoemde beschikking van 21 mei 2025 uitdrukkelijk naar dit arrest en oordeelde dat het criterium of de zaak onmiskenbaar tot een veroordeling zou hebben geleid, de grens van de oordeelsvrijheid overschrijdt.

De schikking en het schrappen van de rol

Nadat de klacht aan de Nederlandse regering was medegedeeld, ontving het Hof de door beide partijen ondertekende schikkingsverklaringen. Daarin heeft de regering zich verbonden tot betaling van € 3.000 voor immateriële schade en € 1.571 voor kosten, blijkens de bij de beslissing gevoegde tabel. De bedragen zijn vermeerderd met eventueel verschuldigde belasting en moeten binnen drie maanden na kennisgeving van de beslissing worden betaald. Bij niet-tijdige betaling is de regering enkelvoudige rente verschuldigd, gelijk aan de marginale beleningsrente van de Europese Centrale Bank gedurende de periode van betalingsverzuim, vermeerderd met drie procentpunten. De betaling vormt de definitieve afdoening van de zaak.

Het Hof, in een comité van drie rechters onder voorzitterschap van Anne Louise Bormann, nam kennis van de schikking, stelde vast dat deze berust op eerbiediging van de in het verdrag en de protocollen omschreven mensenrechten en zag geen reden het onderzoek voort te zetten. Het besloot de zaak op grond van artikel 39 EVRM van de lijst te schrappen. De beslissing is op 24 september 2026 in het Engels schriftelijk bekendgemaakt. Een schikking in de zin van artikel 39 EVRM leidt tot beëindiging van de zaak zonder inhoudelijke uitspraak over de gestelde schending; het Hof heeft de vraag of artikel 6 lid 2 EVRM is geschonden dan ook niet beantwoord.

Afsluiting

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft de zaak Koopmans tegen Nederland op 3 september 2026 van de rol geschrapt na een schikking tussen verzoeker en de Nederlandse regering. De klacht betrof de afwijzing van een schadevergoedingsverzoek na een onherroepelijke vrijspraak en de verhouding daarvan tot de onschuldpresumptie van artikel 6 lid 2 EVRM. De regering betaalt op grond van de schikking € 3.000 aan immateriële schade en € 1.571 aan kosten. Omdat de zaak met een schikking is geëindigd, bevat de beslissing geen inhoudelijk oordeel over de gestelde schending. De beslissing is op 24 september 2026 bekendgemaakt.

Print Friendly and PDF ^