Dierenwelzijn krijgt een wettelijk anker bij BuRO: wijziging Wet onafhankelijke risicobeoordeling NVWA in consultatie

Het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) heeft op 20 maart 2026 een wetsvoorstel ter consultatie gelegd dat de reikwijdte van de Wet onafhankelijke risicobeoordeling Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: WOR) uitbreidt naar de domeinen dierenwelzijn en diergezondheid. Op het eerste gezicht een bescheiden, bijna technische exercitie. Toch verdient het voorstel aandacht van de strafrechtpraktijk.

Wat regelt de WOR ook alweer?

De WOR, in werking sinds 2006, borgt de onafhankelijkheid van het Bureau Risicobeoordeling & onderzoek (BuRO), een onderdeel van de NVWA. BuRO voert wetenschappelijk gefundeerde risicobeoordelingen uit en adviseert gevraagd en ongevraagd over risico's op het terrein van voedselveiligheid en consumentenproductveiligheid. De achtergrond is Europees: Verordening (EG) nr. 178/2002 schrijft voor dat risicobeoordeling gescheiden moet zijn van risicomanagement. De WOR geeft die scheiding handen en voeten door onder meer een functionele scheiding binnen de NVWA te organiseren, een eigen directeur voor BuRO aan te wijzen en een Raad van advies in te stellen die waakt over de wetenschappelijke kwaliteit van de beoordelingen.

Wat verandert er?

Het wetsvoorstel bevat drie inhoudelijke wijzigingen.

  1. De reikwijdte van de WOR wordt uitgebreid met de domeinen dierenwelzijn en diergezondheid. De taken van BuRO, nu wettelijk beperkt tot voeding, voedsel en andere consumentenproducten, worden verruimd (wijziging van artikel 2, eerste lid). Dit is naar de letter nieuw, maar naar de praktijk niet: BuRO betrekt dierenwelzijn en diergezondheid al jaren in zijn risicobeoordelingen. De memorie van toelichting spreekt dan ook nadrukkelijk van "codificatie van een reeds bestaande praktijk". De aanleiding is de evaluatie van de WOR uit 2021, die aanbeval dierenwelzijn wettelijk te verankeren, en de nog altijd onuitgevoerde motie Thieme uit 2014 (Kamerstukken II 2013/14, 26991, 398).

  2. De procedure voor het doorzenden van adviezen wordt vereenvoudigd. Onder het huidige artikel 4, tweede lid, stuurt de Inspecteur-Generaal van de NVWA (IG NVWA) de adviezen door naar de bewindspersonen. In de praktijk deed de directeur van BuRO dat al rechtstreeks. Het wetsvoorstel formaliseert die werkwijze: de directeur stuurt voortaan zelf de vastgestelde adviezen naar zowel de IG NVWA als de ministers van LVVN en VWS, zonder tussenkomst van de IG. De toelichting presenteert dit als een versterking van de onafhankelijke positie van BuRO.

  3. De Raad van advies wordt uitgebreid van vijf naar zes leden, waarbij het zesde lid deskundigheid moet hebben op het gebied van dierenwelzijn en diergezondheid (wijziging van artikel 7, eerste lid). Ook hier betreft het codificatie van wat in de praktijk al het geval is.

Waarom is dit relevant voor de strafrechtpraktijk?

De risicobeoordelingen van BuRO zijn niet vrijblijvend. Zij vormen de wetenschappelijke onderbouwing voor het risicomanagement van de NVWA, en daarmee indirect ook voor de prioritering en sturing van toezicht- en handhavingsactiviteiten. De NVWA beschikt over een eigen Inlichtingen- en Opsporingsdienst (NVWA-IOD), die onder gezag van het Openbaar Ministerie werkt. Een BuRO-advies over dierenwelzijnsrisico's kan aanleiding geven tot verscherpt toezicht, en vanuit verscherpt toezicht is de stap naar strafrechtelijk onderzoek niet altijd groot.

Met de wettelijke verankering van dierenwelzijn en diergezondheid in de WOR wordt de grondslag voor onafhankelijke risicobeoordeling op dit terrein steviger. Dat is relevant voor de bewijsvoering in strafzaken: een risicobeoordeling die tot stand is gekomen onder de waarborgen van de WOR en is getoetst door de Raad van advies, heeft een ander gewicht dan een intern NVWA-document zonder die formele status. En nu de directeur van BuRO rechtstreeks aan de bewindspersonen rapporteert, wordt bovendien de afstand tussen wetenschappelijk advies en politieke besluitvorming over handhavingsprioriteiten verkleind.

De toelichting benadrukt dat er geen overlap ontstaat met andere adviesorganen, zoals de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA), het deskundigenberaad Zoönosen en de Deskundigengroep Dierziekten. Dat klinkt netjes, maar de praktijk zal moeten uitwijzen hoe die afbakening werkt wanneer het gaat om concrete handhavingsvraagstukken. In het bijzonder bij integrale ketenbeoordelingen, waarbij voedselveiligheid en dierenwelzijn samenkomen, kan ik mij voorstellen dat de vraag wie nu eigenlijk wat heeft geadviseerd in een strafzaak tot discussie leidt.

Oplettendheid geboden

Het wetsvoorstel leest als een hamerstuk. Codificatie van bestaande praktijk, geen financiële gevolgen, zelfs de NVWA heeft aangegeven dat een uitvoerbaarheidstoets niet nodig is. Toch is het zinvol om de implicaties scherp te houden. De formalisering van dierenwelzijn binnen het WOR-kader geeft de NVWA een stevigere wetenschappelijke basis voor haar optreden op dit terrein. Voor advocaten die cliënten bijstaan in zaken rondom dierenwelzijn of diergezondheid, betekent dat concreet dat BuRO-adviezen vaker en met meer gezag een rol zullen spelen in het dossier.

De internetconsultatie loopt tot 1 mei 2026. Het wetsvoorstel treedt, als het wordt aangenomen, in werking de dag na publicatie in het Staatsblad. Reageren is dus nu het moment.

Print Friendly and PDF ^