Miljardair Bolloré moet alsnog voor de strafrechter verschijnen voor omkoping in Afrika

Het is een zaak die al meer dan tien jaar door het Franse rechtssysteem slingert, maar nu eindelijk op een openbare behandeling afstevent: de Franse miljardair Vincent Bolloré moet zich in december 2026 voor de correctionele rechtbank in Parijs verantwoorden voor omkoping van buitenlandse ambtsdragers in Togo en Guinee. Samen met hem staan twee voormalige topbestuurders terecht: Gilles Alix, voormalig directeur van de Bolloré Group, en Jean-Philippe Dorent, thans werkzaam bij Havas International Consulting. De zitting is gepland van 7 tot en met 17 december 2026.

Wat ons betreft is deze zaak bijzonder illustratief voor de spanning tussen onderhandelde afdoening en de behoefte aan een openbaar strafproces. En voor de vraag of je als verdachte kunt ontsnappen aan een inhoudelijke behandeling wanneer je eerder schuld hebt bekend in het kader van een mislukte deal.

De feiten: campagnediensten in ruil voor havenconcessies

De verdenking is in de kern overzichtelijk, al is de onderliggende bedrijfsstructuur dat allerminst. Het Franse Parquet National Financier (PNF) verdenkt de Bolloré Group ervan dat zijn toenmalige communicatiedochter Havas (voorheen Euro RSCG) tegen sterk gereduceerde tarieven campagnediensten heeft verleend aan presidentskandidaten in Togo en Guinee. Een dochteronderneming van de groep zou ongeveer 300.000 euro, zo'n 75 procent van de totale kosten, hebben gedekt van de campagnediensten voor Faure Gnassingbé in Togo. In ruil daarvoor zou het concern gunstige voorwaarden hebben verkregen voor het beheer van de haven van Lomé en containerterminals in Conakry, Guinee. Het gaat om strategische logistieke assets met aanzienlijke langetermijnwaarde. De vermeende feiten dateren uit de periode 2009 tot 2011.

De opmerkelijke procesgang: CJIP gehonoreerd, schikking met personen geweigerd

De procesgang in deze zaak verdient bijzondere aandacht. In februari 2021 bereikte Bolloré SE een zogenoemde Convention Judiciaire d'Intérêt Public (CJIP) met het PNF, het Franse equivalent van een deferred prosecution agreement. De onderneming betaalde een boete van 12 miljoen euro en committeerde zich aan een complianceprogramma onder toezicht van de Agence Française Anticorruption. De Cour d'Appel van Parijs honoreerde deze CJIP.

Voor de natuurlijke personen lag dat anders. Bolloré, Alix en Dorent hadden in het kader van een Comparution sur Reconnaissance Préalable de Culpabilité (CRPC, het Franse equivalent van een plea bargain) de feiten erkend en een boete van 375.000 euro per persoon geaccepteerd. De correctionele rechtbank in Parijs weigerde deze schikking echter te homologeren. De rechter oordeelde dat de feiten te ernstig waren en dat zij de economische openbare orde en de soevereiniteit van Togo ernstig hadden geschaad. Een openbaar proces was volgens de rechtbank noodzakelijk.

Dat is opmerkelijk. De rechtspersoon kon het via een CJIP afdoen, maar voor de bestuurders achtte de rechter dezelfde route onvoldoende. Wordt er dan werkelijk recht gedaan wanneer het bedrijf betaalt en de natuurlijke personen vrijuit gaan?

De verdediging: fair trial onmogelijk?

De verdediging van Bolloré, geleid door advocaten Céline Astolfe en Olivier Baratelli, heeft sindsdien niet stilgezeten. Zij betogen dat een eerlijk proces onmogelijk is nu hun cliënt eerder in het kader van de CRPC schuld heeft erkend en die erkenning vervolgens niet werd gehonoreerd. Die eerdere schuldbekentenis zou de onschuldpresumptie onherstelbaar hebben aangetast. Bolloré heeft geprobeerd de gehele procedure nietig te laten verklaren. In 2024 verwierp het Cour de Cassation, de hoogste Franse rechterlijke instantie, dit verzoek en oordeelde dat de procedure rechtsgeldig was en het onderzoek kon worden voortgezet.

Het is een interessant verweer. In het Franse recht bestaat, anders dan in het Nederlandse, geen beroepsmogelijkheid tegen een weigering tot homologatie van een CRPC. Het Conseil Constitutionnel heeft inmiddels bevestigd dat dit niet in strijd is met het recht op een effectief rechtsmiddel. Maar de vraag of een verdachte die eerder schuld heeft bekend in een mislukte onderhandelingsprocedure vervolgens nog een eerlijk proces kan krijgen, blijft prikkelend.

De bredere context: Restitution for Africa

Naast het strafrechtelijke traject is er een civielrechtelijke dimensie. De anti-corruptieorganisaties Sherpa en Anticor hebben zich als benadeelde partij bij de procedure gevoegd. Daarnaast heeft een coalitie van ngo's uit Togo, Guinee, Ghana, Ivoorkust en Kameroen, opererend onder de naam "Restitution for Africa", een afzonderlijke vordering ingesteld. Deze coalitie stelt dat de Bolloré Group onrechtmatig havenconcessies heeft verkregen en eist dat opbrengsten van de verkoop van de Afrikaanse logistieke activiteiten aan MSC Group in 2022 ten goede komen aan de gemeenschappen in de getroffen landen.

Waarom dit ertoe doet

Deze zaak raakt aan meerdere thema's die voor de strafrechtpraktijk relevant zijn. Allereerst de verhouding tussen onderhandelde afdoening voor rechtspersonen en de individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid van bestuurders. Het Franse recht laat zien dat die twee niet noodzakelijk gelijk opgaan, en dat een rechter een schikking met natuurlijke personen kan weigeren, ook wanneer de rechtspersoon al heeft betaald.

Verder roept de zaak vragen op over de bruikbaarheid van eerder afgelegde verklaringen in het kader van een mislukte plea bargain. En tot slot illustreert zij dat anti-corruptieorganisaties een steeds prominentere rol spelen in het afdwingen van openbare berechting, ook wanneer de verdachte daar alles aan doet om die te vermijden.

Het proces begint in december. Wij volgen het met belangstelling.

Print Friendly and PDF ^