Dezelfde criminele organisatie dus 'hetzelfde feit'?

Hoge Raad 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:125

De verdachte is eerder onherroepelijk veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie gericht op drugshandel (zaak 26Sartell). In een latere zaak (26Douglasville) wordt hij vervolgd voor deelname aan een organisatie met een geweldsoogmerk. De verdediging stelt dat sprake is van hetzelfde feit (artikel 68 Sr) en dat het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk is. De Hoge Raad oordeelt dat, hoewel de juridische kwalificatie gelijk is, de gedragingen en het oogmerk wezenlijk verschillen. Daardoor is geen sprake van hetzelfde feit. Het beroep wordt verworpen.

Achtergrond

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1981, die eerder onherroepelijk is veroordeeld door de rechtbank Rotterdam (zaak 26Sartell) voor deelneming aan een criminele organisatie gericht op de grootschalige invoer van en handel in cocaïne en het witwassen van de opbrengsten daarvan. De bewezenverklaring betrof deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), met een oogmerk op het plegen van misdrijven zoals (gewoonte)witwassen (artikel 420bis/ter Sr) en Opiumwetdelicten (artikelen 10 en 10a Opiumwet).

In de onderhavige zaak – die bekendstaat als de ‘martelcontainerzaak’ (zaak 26Douglasville) – is de verdachte veroordeeld voor deelneming aan een andere criminele organisatie, eveneens op grond van artikel 140 Sr. Het oogmerk van deze organisatie was echter het plegen van andere strafbare feiten, te weten geweldsmisdrijven (zoals moord, gijzeling en zware mishandeling met voorbedachten rade), opzetheling (artikel 416 Sr) en het voorhanden hebben van vuurwapens (artikel 26 juncto 55 Wet wapens en munitie). Deze feiten vielen volgens het hof onder artikel 140 lid 3 Sr, gelet op de zwaarte van de misdrijven waarop het oogmerk was gericht (waarop een strafmaximum van twaalf jaar of meer staat).

In cassatie is door de verdediging aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard in de vervolging van de verdachte, omdat deze eerder al is veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie, hetgeen volgens de verdediging betrekking had op hetzelfde feit als bedoeld in artikel 68 Sr (ne bis in idem).

Middel

Het aangevoerde cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van het onder 2 tenlastegelegde feit, namelijk deelneming aan een criminele organisatie in zaak 26Douglasville. Volgens de verdediging is dit feit inhoudelijk identiek aan het feit waarvoor verdachte al onherroepelijk is veroordeeld in zaak 26Sartell, zodat vervolging in strijd zou zijn met het ne bis in idem-beginsel van artikel 68 Sr.

De verdediging betoogt dat sprake is van één en dezelfde organisatie, die zich aanvankelijk richtte op drugshandel, maar zich vanwege gewijzigde omstandigheden ook met geweldsmisdrijven is gaan bezighouden. Volgens de verdediging is het daardoor niet zo dat sprake is van een andere criminele organisatie, maar slechts van een gewijzigde modus operandi van dezelfde groep. Voorts stelt de verdediging dat het bewijs voor beide zaken grotendeels uit dezelfde bron komt, namelijk uit EncroChat-gegevens.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad stelt voorop dat artikel 68 Sr bepaalt dat niemand opnieuw mag worden vervolgd voor een feit waarover bij gewijsde van een Nederlandse rechter onherroepelijk is beslist. Voor de beoordeling of sprake is van “hetzelfde feit” in de zin van artikel 68 Sr zijn zowel de juridische aard van de feiten als de gedragingen van de verdachte van belang. Daarbij geldt als vuistregel dat een aanzienlijk verschil in juridische aard en/of in gedragingen leidt tot het oordeel dat géén sprake is van hetzelfde feit.

De Hoge Raad volgt het hof in diens oordeel dat, ondanks de formeel gelijke delictsomschrijving (artikel 140 Sr), de tenlastegelegde feiten in zaak 26Sartell en zaak 26Douglasville inhoudelijk verschillen. De Hoge Raad overweegt dat de juridische aard van de feiten in beide zaken formeel gelijk is, nu in beide zaken artikel 140 Sr ten laste is gelegd en geen sprake is van vervolging op grond van artikel 11b Opiumwet. In zoverre slaagt de klacht dat het hof op dit punt ten onrechte van verschil in juridische aard is uitgegaan.

Desondanks leidt dit niet tot cassatie. De Hoge Raad oordeelt dat de andere gronden die het hof heeft aangedragen – met name met betrekking tot de gedragingen en feitelijke omstandigheden – het oordeel zelfstandig kunnen dragen. De kern van het oordeel luidt dat de deelneming aan de organisatie in zaak 26Douglasville niet betrekking heeft op hetzelfde feitencomplex als de organisatie in zaak 26Sartell. De gedragingen waarop de verschillende tenlasteleggingen betrekking hebben, verschillen wezenlijk in aard, tijd, plaats en samenstelling van de betrokkenen.

Het hof heeft vastgesteld dat de organisatie waarop zaak 26Sartell betrekking had, zich uitsluitend richtte op drugshandel en witwassen. Door latere gebeurtenissen (onder meer de diefstal van miljoenen euro’s aan drugsopbrengsten en de liquidatie van een lid) is deze organisatie zich ook gaan toeleggen op (de voorbereiding van) gewelddadige strafbare feiten. Daarmee is volgens het hof sprake van een gewijzigd oogmerk, andere gedragingen, een andere groep deelnemers en een wezenlijk andere organisatie, ondanks het feit dat er een gedeeltelijke overlap is in personen en gebruikte communicatiemiddelen.

Volgens de Hoge Raad doet het feit dat de organisaties mogelijk voortkomen uit hetzelfde samenwerkingsverband en dat er enige overlap is in tijd en personen, niet af aan het oordeel dat sprake is van afzonderlijke criminele organisaties met verschillende strafrechtelijke doelen. Het blijft dan ook mogelijk om een verdachte te vervolgen voor deelneming aan meerdere criminele organisaties als de verschillen in oogmerk en gedragingen voldoende duidelijk zijn en in de tenlastelegging tot uitdrukking komen.

De Hoge Raad benadrukt dat het Openbaar Ministerie in vervolgingen op grond van artikel 140 Sr de vrijheid heeft om het oogmerk van een criminele organisatie te specificeren en te begrenzen tot bepaalde misdrijven. Wanneer de gedragingen van een organisatie in de loop van de tijd significant veranderen, mag het OM afzonderlijke vervolgingen instellen voor verschillende fasen of activiteiten van die organisatie, mits dit zorgvuldig wordt onderbouwd en tot uitdrukking komt in de tenlastelegging.

De klacht dat het Openbaar Ministerie op onjuiste wijze tot tweemaal toe deelneming aan één en dezelfde organisatie ten laste heeft gelegd, faalt daarom. De beoordeling door het hof is – afgezien van het eerder genoemde punt omtrent artikel 11b Opiumwet – juridisch juist en toereikend gemotiveerd.

Conclusie

De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt het oordeel van het hof dat in deze zaak geen sprake is van een schending van artikel 68 Sr. De verdachte is terecht vervolgd voor deelneming aan een criminele organisatie met een ander oogmerk dan de organisatie waarvoor hij eerder is veroordeeld. Ook bij gedeeltelijke personele overlap en gezamenlijke ontstaansgeschiedenis kan sprake zijn van afzonderlijke criminele organisaties als de gedragingen en doelen wezenlijk verschillen.

Wel stelt de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden, maar verbindt daaraan geen rechtsgevolgen gelet op de beperkte mate van overschrijding.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^