Beklag van een echtgenote (erfgename) over een inbeslaggenomen auto van zijn overleden echtgenoot (erflater). HR herhaalt aan te leggen maatstaf.

Hoge Raad 7 februari 2017,  ECLI:NL:HR:2017:181

In deze zaak gaat het om een personenauto (Audi S8) die op 10 november 2011 in de strafzaak tegen de zoon van de klaagster, betrokkene 1, in beslag is genomen. Blijkens de kennisgeving van inbeslagneming rustte op de inbeslaggenomen auto beslag ex art. 94 Sv. Bij onherroepelijke vonnissen van 16 oktober 2012 zijn zowel de zoon van de klaagster, betrokkene 1, als de echtgenoot van de klaagster, betrokkene 3, vrijgesproken ter zake van witwassen. De rechtbank heeft in de strafzaak van betrokkene 1 tevens de teruggave aan de rechthebbende gelast van de inbeslaggenomen personenauto. Een aantal maanden later wordt betrokkene 1 in een andere strafzaak bij vonnis van 12 februari 2013 veroordeeld voor een Opiumwetdelict en in het kader van die veroordeling heeft het openbaar ministerie een ontnemingszaak tegen hem gestart. Het vonnis in de hoofdzaak is onherroepelijk geworden. Met het oog op ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel heeft de officier van justitie op 4 april 2013, na machtiging daartoe door de rechter-commissaris ex art. 103 Sv, ten laste van betrokkene 1 conservatoir beslag ex art. 94a Sv gelegd op de auto. Volgens de klaagster was de auto eigendom van haar man, die op 24 november 2012 is overleden. Nu beide zonen in april 2013 afstand hebben gedaan van de erfenis van hun vader, stelt de klaagster de enige en algehele erfgename van haar man en dus rechthebbende te zijn van de inbeslaggenomen auto. De klaagster en haar zoon betrokkene 1 hebben elk afzonderlijk, respectievelijk op 7 maart 2016 en op 19 februari 2016, een klaagschrift ingediend strekkende tot de teruggave van de auto.

De Rechtbank heeft in de bestreden beschikking het beklag ongegrond verklaard. Daaromtrent heeft de Rechtbank het volgende overwogen:

"Volgens klaagster was de auto eigendom van haar echtgenoot, die op 24 november 2012 is overleden. Blijkens een bij de stukken gevoegde verklaring van erfrecht heeft de overledene zijn echtgenote - klaagster - en zijn beide zoons [betrokkene 2] en [betrokkene 1] als enige en algehele erfgenamen achtergelaten.
Bij akte van 26 april 2013 is de nalatenschap van de overledene namens zijn beide zoons verworpen. Klaagster stelt daarom de enige en algehele erfgename van de overledene en rechthebbende op de auto te zijn.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het klaagschrift.
De rechtbank overweegt als volgt.
De auto is aanvankelijk in beslag genomen onder een autoschadebedrijf, waar [betrokkene 1] deze met opdracht tot herstel heeft achtergelaten. Nadat [betrokkene 1] bij vonnis van 12 februari 2013 door deze rechtbank is veroordeeld voor het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het bepaalde in artikel 2 onder B van de Opiumwet en aan hem tevens de verplichting tot betaling van een bedrag van € 140.934,64 is opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, heeft de officier van justitie middels een machtiging ex artikel 103 van het Wetboek van Strafvordering (Sv.) op 4 april 2013 onder zichzelf conservatoir beslag gelegd op de auto.
Het strafvorderlijk belang brengt mee dat dit beslag moet worden gecontinueerd. Door [betrokkene 1] is weliswaar hoger beroep ingesteld tegen de beslissing waarbij de vordering tot ontneming is toegewezen, maar het vonnis waarbij [betrokkene 1] is veroordeeld is onherroepelijk en betreft een feit waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, terwijl voorts niet onwaarschijnlijk is dat de hiermee verband houdende vordering tot ontneming ook in hoger beroep zal worden toegewezen.
Dit geldt ook indien de auto geen volledig eigendom van [betrokkene 1] is, maar deel uitmaakt van de nalatenschap waarin hij als erfgenaam gerechtigd is en hij die erfenis heeft verworpen.
Gelet op het bepaalde in de artikelen 94d Sv. jo. 4:205 van het Burgerlijk Wetboek kan de nalatenschap immers desondanks op verzoek in het belang van de schuldeisers worden vereffend. Dat klaagster bevoegd is de boedel te beheren en daarover te beschikken doet daaraan niet af, omdat het gaat om een onverdeeld boedelbestanddeel en de voornoemde vereffenings- en verhaals- mogelijkheden met opheffing van het beslag illusoir zou worden.
Beslissing
De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond."

 

Middel

Het tweede middel klaagt dat de rechtbank bij de ongegrondverklaring van het beklag de verkeerde maatstaf heeft aangelegd, althans dat zij de ongegrondverklaring ontoereikend heeft gemotiveerd.
 

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de rechter in een geval als het onderhavige, waarin op de voet van art. 94a Sv beslag is gelegd en een derde in een beklagprocedure op de voet van art. 552a Sv om teruggave verzoekt, als maatstaf moet aanleggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat die derde als rechthebbende van het in beslag genomen goed moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk te geven.

Bij bevestigende beantwoording zal de rechter tevens moeten onderzoeken en daarvan blijk moeten geven of zich de situatie van (thans) art. 94a, vierde of vijfde lid, (oud) Sv voordoet (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.15).

Het gaat bij dit beklag om het antwoord op de vraag of de erflater redelijkerwijs als rechthebbende van de inbeslaggenomen auto moet worden aangemerkt. Uit de overwegingen van de Rechtbank blijkt niet dat zij de maatstaven heeft aangelegd bij de beoordeling van het klaagschrift. De bestreden beschikking kan daarom niet in stand blijven.

Het middel is gegrond.
 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF