Beklag ex art. 552a Sv tegen beslag door het Europees Openbaar Ministerie (EOM)

Rechtbank Rotterdam 23 januari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:533

Het Europees Openbaar Ministerie (EOM) heeft een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar (internationale) belastingfraude. Het betreft fraude waardoor de financiële belangen van de Europese Unie in aanzienlijke mate worden geschaad zodat er sprake is van een feit als bedoeld in artikel 3, lid 2 onder d van Richtlijn (EU) 2017/1371. De verdenking is ter zake van grootschalige intracommunautaire BTW-fraude, gepleegd in georganiseerd verband, en met een totale schade aan de belangen van de Europese Unie van (honderden) miljoenen euro’s. Het onderzoek is gericht tegen meerdere ondernemingen en personen in Italië en andere landen in de Europese Unie, waaronder Nederland.

De klager is aangemerkt als Verdachte binnen dit onderzoek. Hij wordt ervan verdacht de initiator en leider te zijn van de criminele organisatie die zich met deze fraude bezighoudt. Hij is op 12 oktober 2022 aangehouden in Italië en verblijft daar in detentie.

De gedelegeerd Europese aanklagers in Italië, die dit onderzoek hebben ingesteld (de behandelende gedelegeerd Europese aanklagers; hierna: de behandelend EDP) hebben bij ‘decision’ van 11 oktober 2022 een grensoverschrijdende onderzoeksmaatregel op grond van artikel 31 van EU-Verordening 2017/1939 (hierna ook: Vo EOM) toegewezen aan de assisterende gedelegeerd Europese aanklagers in Nederland, mrs. klager02 en klager03 (hierna: de assisterend EDP).

Op 12 oktober 2022 heeft, ter uitvoering van deze grensoverschrijdende onderzoeksmaatregel, na een daartoe gegeven beslissing van de rechter-commissaris en onder diens leiding, een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden op het toenmalige woonadres van de klager aan de adres02 in Den Haag. Bij deze doorzoeking was de partner van de verdachte, mevrouw naam01, aanwezig.

Bij deze doorzoeking is onder de klager (als Verdachte in het onderzoek en bewoner van deze woning) op een aantal goederen beslag gelegd op grond van artikel 94 Sv.

Op dit moment rust alleen nog beslag op grond van artikel 94 Sv op de volgende goederen:

  • tien horloges (IBN-codes: code01 en code02), en;

  • een contant geldbedrag van €18.410 (bankbiljetten) (IBN-code: code03).

Op deze goederen is op 1 maart 2023 is, ter uitvoering van een Europees Bevriezingsbevel van de behandelend EDP in Italië, tevens conservatoir beslag gelegd ten laste van de klager, ter bewaring van verhaal van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De overige in beslag genomen goederen (de gegevensdragers en fysieke stukken) zijn op 2 maart 2023 aan mevrouw naam01 teruggegeven, nadat daarvan (digitale) kopieën zijn gemaakt. Deze (digitale) kopieën zijn overgedragen aan de behandelend EDP in Italië.

Procedure

Het klaagschrift is op 6 januari 2023 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

De rechtbank heeft op 5 juli 2023 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld. De klager is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet verschenen. Hij is gedetineerd in Italië en wordt vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsman. De raadsman had op voorhand verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak en de assisterend EDP mr. klager02, voornoemd, heeft zich daartegen niet verzet. De rechtbank heeft gelet daarop de behandeling van de zaak aangehouden. De rechtbank heeft - met ieders instemming - de raadsman en de assisterend EDP mr. klager02 in raadkamer telefonisch gehoord. Daarbij is, in overleg met hen, besloten tot een schriftelijke conclusiewisseling voorafgaand aan de nadere behandeling van de zaak in raadkamer.

De belanghebbende, mevrouw naam01 is, hoewel daartoe goed opgeroepen, evenmin in raadkamer verschenen. De raadsman heeft meegedeeld dat zij heeft aangegeven ook bij de nadere behandeling van de zaak in raadkamer niet als belanghebbende te willen verschijnen.

De rechtbank heeft hierna ontvangen:

  • een aanvulling op de onderbouwing van het klaagschrift van de raadsman van 3 augustus 2023;

  • de reactie van de assisterende EDP’s, mrs. klager02 en klager03, voornoemd, op het klaagschrift en de aanvulling op de onderbouwing daarvan van 29 augustus 2023;

  • de repliek van de raadsman van 15 september 2023;

  • de dupliek van de assisterende EDP’s van 27 september 2023.

De rechtbank heeft de zaak nader behandeld in openbare raadkamer van 12 december 2023. De gemachtigde raadsman mr. Malewicz en de assisterend EDP mr. klager02, voornoemd, (hierna ook: de officier van justitie) zijn in raadkamer gehoord.

De klager is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet verschenen. De gemachtigde raadsman heeft opnieuw de gedetineerde klager vertegenwoordigd.

De belanghebbende, mevrouw naam01 is, gelet op de mededeling van de raadsman in raadkamer van 5 juli 2023, niet opgeroepen voor deze raadkamer.

Beklag

Het beklag, waarvan het petitum bij de behandeling in raadkamer is gewijzigd, strekt tot teruggave van de goederen waar thans nog beslag op rust, namelijk de horloges en het geldbedrag.

De raadsman heeft aangevoerd dat de toetsing door de rechtbank niet beperkt is tot de aspecten met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de grensoverschrijdende maatregel, maar zich ook dient uit te strekken tot de rechtmatigheid daarvan en of daarbij is voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. In de EU-Verordening 2017/1939 is de waarborg van een rechterlijke toetsing daarvan niet opgenomen. Daarin wordt enkel gesproken over de gedelegeerde Europese aanklagers als de bevoegde autoriteit die onderzoekshandelingen kunnen bevelen of verzoeken. Anders dan de officier van justitie stelt, kan de behandelend EDP niet als ‘rechterlijke autoriteit’ worden aangemerkt. In Italië is er ook geen rechter geweest die de rechtmatigheid van het beslag heeft getoetst, omdat de beslissing tot doorzoeking en inbeslagneming in Italië een zelfstandige bevoegdheid van de officier van justitie is. De Italiaanse advocaat van de klager kan ook niet over deze beslissing van de behandelend EDP en de rechtmatigheid daarvan klagen bij een rechterlijke instantie. Hij kan dat ook niet doen in het kader van de strafzaak, want dan zal de rechtbank oordelen dat dat al in Nederland is getoetst. Er is dus geen sprake van een rechterlijke toetsing in de staat waarin de beslissing tot de dwangmiddelen van doorzoeking en inbeslagneming zijn genomen. Gelet hierop kan er - anders dan bij een Europees Onderzoeksbevel (hierna: EOB) en een Europees Aanhoudingsbevel, waarbij wel sprake is van een dergelijke rechterlijke toetsing - in dit geval niet van worden uitgegaan dat de rechtsbescherming heeft plaatsgevonden in de staat waarin de beslissing omtrent de grensoverschrijdende maatregel is genomen. Daarom behoort het tot de rechtsbescherming van de klager dat deze toetsing plaatsvindt door de Nederlandse rechter.

Inhoudelijk is aangevoerd dat de inbeslagneming onrechtmatig is. De gronden hiervoor zijn weergegeven in het klaagschrift en de daarop bij de schriftelijke conclusiewisseling gegeven nadere toelichting.

De raadsman heeft in raadkamer meegedeeld dat het beklag niet strekt tot teruggave van de aan de behandelend EDP overgedragen (digitale) kopieën van de gegevensdragers en fysieke stukken. Ook ziet het beklag niet op het op 1 maart 2023 (derhalve na indiening van het klaagschrift) op de horloges en het geldbedrag gelegde conservatoire beslag ex artikel 94a Sv.

Standpunt van het Europees Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag. Daartoe heeft hij - kort weergegeven - aangevoerd dat het niet aan de Nederlandse rechter is om te oordelen over de rechtmatigheid van de grensoverschrijdende maatregel (de doorzoeking en inbeslagneming) en of daarbij is voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Deze toetsing is voorbehouden aan de behandelend EDP, die als ‘rechterlijke autoriteit’ is aan te merken. Op grond van het Italiaanse recht heeft hij de bevoegdheid om deze dwangmiddelen te bevelen en gelet daarop is voornoemde toetsing aan hem voorbehouden. Hierover kan verweer worden gevoerd in de strafzaak tegen de klager in Italië.

Beoordeling

De vraag staat centraal of in de lidstaat waar uitvoering is gegeven door een assisterend EDP aan het verzoek van een behandelend EDP om in de lidstaat van de assisterend EDP voorwerpen in beslag (te doen) nemen, nog een rechterlijke toets dient plaats te vinden alvorens deze in beslag genomen voorwerpen in handen worden gesteld van de behandelend EDP.

Bij de beoordeling van voormelde vraag zijn van belang de regels die van toepassing zijn op de nieuwe situatie waarin het EOM gebruikt maakt van de hem in de EU-Verordening 2017/1939 verleende rechten en plichten. Deze zijn beschreven in deze verordening en de Richtlijn (EU) 2017/1371, die zijn genoemd in de noten 1 en 2 van deze beschikking.

Het beklag richt zich niet op de uitvoering van dit verzoek door de rechter-commissaris, zodat kan worden vastgesteld dat in zoverre het beslag rechtmatig is gelegd.

In artikel 31 lid 2 Vo EOM is vastgelegd dat de behandelend EDP alle maatregelen kan nemen die voor hem overeenkomstig artikel 30 Vo EOM beschikbaar zijn. De onderzoeksmaatregelen die hij kan bepalen of verzoeken op grond van artikel 30 Vo EOM betreft o.a. de doorzoeking van particuliere woningen. Artikel 31 lid 2 Vo EOM schrijft voor dat de rechtvaardiging en vaststelling van dergelijke maatregelen wordt beheerst door het recht van de lidstaat van de behandelend EDP.

In artikel 31 lid 3 Vo EOM is bepaald dat, indien voor de maatregel rechterlijke toestemming is vereist krachtens het recht van de lidstaat van de assisterend EDP, deze toestemming door laatstgenoemde wordt verkregen overeenkomstig het recht van die lidstaat. Daarnaast is in artikel 32 Vo EOM bepaald dat de toegewezen maatregelen ten uitvoer worden gelegd overeenkomstig deze verordening en het recht van de lidstaat van de assisterend EDP.

Gelet op de bewoordingen van de artikelen 31 en 32 Vo EOM, de context daarvan en de doelstellingen van de verordening, mag de toetsing die in de lidstaat van de assisterend EDP wordt verricht wanneer voor een toegewezen onderzoeksmaatregel rechterlijke toestemming is vereist krachtens het recht van deze lidstaat (waar in dit geval sprake van is), enkel betrekking hebben op de aspecten betreffende de tenuitvoerlegging van deze maatregel en niet op de aspecten betreffende de rechtvaardiging en de vaststelling ervan.

De toetsing van de rechtbank in deze procedure beperkt zich daarom tot de aspecten van de tenuitvoerlegging van de maatregel. Indien hierop verweer wordt gevoerd, dient te worden getoetst of bij de tenuitvoerlegging van deze maatregel de daarvoor op grond van de verordening en het nationale recht geldende formaliteiten en vereisten in acht zijn genomen. Omdat op dit punt geen verweer is gevoerd, kan dit onbesproken blijven.

Er bestaat geen rechtsgrond voor de door de klager verzochte toetsing ten aanzien van de rechtmatigheid van het beslag en de vraag of daarbij is voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Die toetsing is voorbehouden aan de rechterlijke autoriteit in Italië en dient te worden beoordeeld op basis van het nationale recht van de lidstaat van de behandelend EDP, dus Italië.

De behandelend EDP heeft gelet op artikel 31 Vo EOM juncto 32 Vo EOM, afhankelijk van hoe dit is geregeld in het nationale recht van Italië, de bevoegdheid om doorzoeking van de woning en inbeslagneming te bevelen of te verzoeken. Gelet op het verhandelde in raadkamer staat niet ter discussie dat de openbaar aanklager/officier van justitie in Italië hiertoe zelfstandig bevoegd is en daarvoor dus geen beslissing/machtiging behoeft van een (onderzoeks)rechter. Gelet daarop heeft de behandelend EDP zelfstandig de daartoe strekkende grensoverschrijdende maatregel kunnen bevelen. Indien de verdediging meent dat sprake is van onrechtmatigheid van het beslag en/of dat daarbij is gehandeld in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, kan daarover verweer worden gevoerd in de strafzaak tegen de klager in Italië.

Toetsing is in dit geval ook niet nodig nu door de verdediging ten aanzien van de strafvorderlijke procedures in Italië geen feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht die de rechtbank doen aarzelen met betrekking tot de zorgvuldigheid van de strafvorderlijke gang van zaken bij de berechting in Italië. Dit kan anders zijn in het geval dergelijke feiten en omstandigheden door de verdediging wel naar voren worden gebracht en/of het de rechtbank is gebleken dat binnen de Europese Unie zelf bezwaren zijn omtrent de wijze waarop de rechtstaat en/of in het bijzonder de positie van de rechter daarbij, is ingericht in de lidstaat van de behandelend EDP.

Het beklag wordt daarom ongegrond verklaard.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^