Behoedzaam omgaan met herkenningen leidt tot vrijspraak van oplichting

Rechtbank Oost-Brabant 16 september 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:6692

De rechtbank Oost-Brabant spreekt een verdachte vrij van oplichting van een 76-jarige vrouw omdat de herkenning berust op foto's waarop een mondkapje het grootste deel van het gezicht bedekt en onderscheidende kenmerken als mond en neus niet zichtbaar zijn. Behoedzaam omgaan met herkenningen brengt hier extra voorzichtigheid mee, temeer nu de foto's niet gedateerd zijn en de pleegdatum onduidelijk is. Voor medeplegen van handel in harddrugs volgt wel een bewezenverklaring, beperkt tot cocaïne. Door een overschrijding van de redelijke termijn met ruim drieënhalf jaar legt de rechtbank geen gevangenisstraf op, maar een taakstraf van zestig uren.

Inleiding en context

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 2000, zonder bekende woon- of verblijfplaats. De rechtbank voegt op de terechtzitting van 3 september 2026 twee zaken samen. De ene zaak betreft handel in harddrugs in de periode van 14 oktober 2020 tot en met 30 november 2020 te Helmond, de andere oplichting van een destijds 76-jarige vrouw in augustus 2021 te Nuenen. Het vonnis wordt op tegenspraak gewezen.

Tenlastelegging en wettelijk kader

In de zaak met parketnummer 01.049457.21 wordt de verdachte verweten dat hij, al dan niet in vereniging, opzettelijk cocaïne en heroïne heeft geteeld, bereid, bewerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd of aanwezig heeft gehad, middelen als bedoeld op lijst I bij de Opiumwet (artikel 2 en 10 Opiumwet).

In de zaak met parketnummer 01.307667.22 wordt de verdachte verweten dat hij met een of meer anderen de aangeefster door het aannemen van een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels heeft bewogen tot afgifte van een bankpas, pincode en bankgegevens (oplichting, artikel 326 Sr). Volgens de tenlastelegging is zij telefonisch benaderd door iemand die zich voordeed als medewerker van een bank en gewaarschuwd voor een hack, waarna een koerier de in een enveloppe gestopte pinpas aan de deur zou komen ophalen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vordert een bewezenverklaring van beide feiten en eist een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt vrijspraak van beide feiten. Ten aanzien van de tapgesprekken voert hij aan dat de betekenis daarvan niet zonder meer duidelijk is en dat met de woorden 'snu' en 'snoe' geen harddrugs worden bedoeld, maar nicotinezakjes. Voor het geval de rechtbank tot een veroordeling komt, verzoekt hij te volstaan met een taakstraf.

Oordeel gerecht

Bij de oplichting stelt de rechtbank voorop dat behoedzaam moet worden omgegaan met herkenningen. Twee verbalisanten herkennen de verdachte op de foto's en de rechtbank neemt ter terechtzitting zelf overeenkomsten waar tussen de verdachte en de persoon op de foto's. Toch acht zij in deze zaak extra voorzichtigheid geboden, omdat een groot deel van het gezicht van de persoon op de foto's wordt bedekt door een mondkapje en belangrijke onderscheidende kenmerken, zoals de mond en de neus, niet te zien zijn. Die behoedzaamheid werkt door in de waardering van het overige bewijs. De foto's zijn niet gedateerd en uit het dossier volgt niet wanneer ze zijn gemaakt; evenmin volgt eruit dat het afdrukken zijn van de door de aangeefster verstrekte beelden van haar ringdeurbel. Daar komt bij dat de afschrijving van € 1.500,30 dateert van 18 augustus 2021, terwijl het feit volgens de aangeefster op 20 augustus 2021 is gepleegd. Door deze onduidelijkheid over de pleegdatum staat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende vast dat de ringdeurbeelden zijn gemaakt op de dag dat de bankpas is opgehaald en dat de afschrijving betrekking heeft op het tenlastegelegde feit. Nu de verdachte ontkent en ander bewijs ontbreekt, volgt vrijspraak.

Bij de drugshandel stelt de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte de enige gebruiker is van het getapte telefoonnummer. Hij verklaart dat bij de politie zelf, en zijn toenmalige vriendin bevestigt dat zij dat nummer in de tenlastegelegde periode belde en steeds de verdachte aan de lijn kreeg. De suggestie ter zitting dat hij niet de enige gebruiker is, acht de rechtbank niet onderbouwd. De politie relateert dat 'sannie' en 'sosa' straattaal zijn voor cocaïne en 'snu' en 'snoe' voor snuif cocaïne. Voor 'sannie' en 'sosa' geeft de verdediging geen verklaring, en de rechtbank twijfelt niet aan de uitleg van de politie. Een getuige van wie de verdachte een bankpas in bezit heeft, verklaart kort na de aanhouding dat hij twee maanden cocaïne van de verdachte heeft gekocht; in een tapgesprek van 12 november 2020 gebruikt deze getuige het woord 'drugs'. De rechtbank wijst verder op een nachtelijk tapgesprek van 10 november 2020, waarin een vrouw vraagt of de verdachte rauwe snuif heeft, wat naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan in relatie tot cocaïne kan worden uitgelegd. Zij verwerpt het verweer en oordeelt dat de verdachte samen met twee medeverdachten in cocaïne heeft gehandeld. Voor handel in heroïne acht zij onvoldoende bewijs aanwezig en spreekt zij vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder B van de Opiumwet, meermalen gepleegd.

Bewezenverklaring

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van de oplichting onder parketnummer 01.307667.22 en van het onder 01.049457.21 tenlastegelegde deel dat op heroïne ziet. Bewezen wordt verklaard:

  • Dat de verdachte in de periode van 14 oktober 2020 tot en met 30 november 2020 te Helmond, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen opzettelijk een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, zijnde cocaïne een middel als bedoeld op lijst I bij de Opiumwet.

Strafoplegging en maatregelen

Bij de straftoemeting zoekt de rechtbank aansluiting bij de oriëntatiepunten. Voor het verkopen, afleveren of verstrekken van gebruikershoeveelheden harddrugs vanuit een pand of op straat gedurende één tot drie maanden geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. De rechtbank stelt een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM vast. Als beginpunt geldt de inverzekeringstelling op 1 december 2020; tussen die datum en het eindvonnis van 16 september 2026 ligt een periode van vijf jaar en ruim negen maanden, een overschrijding met drie jaar en ruim negen maanden. Bijzondere omstandigheden die meewegen ontbreken volgens de rechtbank. Zij compenseert het nadeel langs de weg van strafvermindering, ziet af van een gevangenisstraf en volstaat met een taakstraf van beperkte duur.

De rechtbank legt een taakstraf op van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht, waarbij een dag inverzekeringstelling wordt gewaardeerd op twee uren arbeid. Deze straf is lager dan de eis, omdat de rechtbank de verdachte anders dan de officier van justitie vrijspreekt van het feit onder parketnummer 01.307667.22 en vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.

Lees hier de volledige uitspraak: hier.

Print Friendly and PDF ^