OESO Working Group on Bribery consulteert stakeholders over fase 5 van het toezicht op het Anti-omkopingsverdrag

De OESO Working Group on Bribery heeft op 24 juni 2026 een consultatie gehouden met niet-gouvernementele stakeholders over de inrichting van haar vijfde monitoringfase onder het Verdrag inzake bestrijding van omkoping van buitenlandse ambtenaren in internationale zakelijke transacties, kortweg het OESO-Anti-omkopingsverdrag. De voorzitter van de Working Group heeft de uitkomsten vastgelegd in een samenvatting en presenteerde de resultaten van een voorafgaande publieke enquête in een aparte set slides. De consultatie was hybride en bracht volgens die samenvatting alle 47 delegaties van de Working Group samen met 48 stakeholders uit het bedrijfsleven, het maatschappelijk middenveld, de wetenschap, beroepsverenigingen en andere expertgemeenschappen. De juridische kern is het peer review-toezicht op de naleving van het verdrag, dat de verdragspartijen verplicht tot strafbaarstelling van buitenlandse ambtelijke omkoping en tot effectieve handhaving, en dat in opeenvolgende fasen wordt uitgevoerd. Deze blog zet het kader, de opzet van de consultatie, de uitkomsten van de enquête en de door stakeholders genoemde prioriteiten voor fase 5 op een rij, en beschrijft de door de OESO voorziene vervolgstappen.

Het OESO-Anti-omkopingsverdrag en het monitoringsysteem

Het OESO-Anti-omkopingsverdrag is aangenomen in 1997 en in werking getreden in 1999. Het is gericht op de aanbodzijde van corruptie, de partij die een buitenlandse ambtenaar iets aanbiedt, belooft of geeft in het kader van een internationale zakelijke transactie. Volgens de OESO bindt het verdrag 46 verdragspartijen, die ieder zijn onderworpen aan het toezicht van de Working Group on Bribery. De Working Group is samengesteld uit alle verdragspartijen en stelt na iedere fase een openbaar landenrapport vast met bevindingen, aanbevelingen en follow-up-punten.

Het toezicht verloopt in opeenvolgende fasen. Fase 1 beoordeelt of de implementatiewetgeving aan het verdrag voldoet, fase 2 de effectiviteit waarmee die wetgeving wordt toegepast en fase 3 de handhaving in het licht van eerdere aanbevelingen. Fase 4 is in maart 2016 van start gegaan en richt zich op handhaving via een op het land toegesneden benadering. De monitoringrapporten worden vastgesteld op basis van consensus minus één, wat betekent dat een geëvalueerd land de bevindingen en aanbevelingen van zijn eigen rapport niet kan blokkeren. De deelname van de Russische Federatie aan de Working Group is sinds april 2022 opgeschort, met uitzondering van toezicht op grond van artikel 12 van het verdrag.

Nederland is verdragspartij. De Working Group stelde het Nederlandse fase 4-rapport vast op 16 oktober 2020 en nam op 14 oktober 2022 de conclusies bij het tweejaarlijkse follow-up-rapport aan, waarin de Working Group concludeerde dat Nederland van de aanbevelingen er acht volledig en elf gedeeltelijk had geïmplementeerd. In het Nederlandse strafrecht worden buitenlandse en internationale ambtenaren via artikel 178a Sr gelijkgesteld met Nederlandse ambtenaren voor de toepassing van de omkopingsbepalingen; die gelijkstelling is ingevoerd ter uitvoering van onder meer het OESO-corruptieverdrag. Het Openbaar Ministerie heeft de opsporing en vervolging van buitenlandse ambtelijke corruptie neergelegd in een aparte aanwijzing.

De consultatie van 24 juni 2026

De consultatie was aangekondigd als multistakeholderconsultatie in de week van 22 juni 2026 en had tot doel de reflectie van de Working Group op fase 5 te voeden. De bijeenkomst richtte zich op drie brede vragen: hoe de Working Group de stakeholderparticipatie in het monitoringproces kan versterken, hoe het toezicht effectiever kan worden en meer effect kan sorteren, en welke onderwerpen prioriteit zouden moeten krijgen in fase 5-evaluaties. Enkele ngo's gebruikten de gelegenheid om ook hun standpunten over andere compliancethema's te presenteren.

De gesprekken bouwden voort op een publieke enquête die tussen 30 april en 25 mei 2026 werd gehouden en 99 reacties opleverde. In de slides van de voorzitter worden die respondenten uitgesplitst. Naar sector kwam 49 procent uit het maatschappelijk middenveld, 31 procent uit het bedrijfsleven, 10 procent uit de wetenschap en telkens 5 procent uit denktanks en internationale publieke instellingen. Naar geografische focus richtte 64 procent zich op een of meer landen, 54 procent op een mondiaal perspectief en 28 procent op regio's, waarbij respondenten meerdere opties konden kiezen.

Uitkomsten van de enquête

De respondenten waardeerden de huidige monitoringrapporten en gebruikten deze vooral voor beleidsanalyse, benchmarking en advocacy. Gevraagd naar de onderwerpen die in de rapporten aan bod komen, noemde 77 procent de bescherming van klokkenluiders, gevolgd door de wettelijke regeling en toepassing van de aansprakelijkheid van rechtspersonen met 72 procent en de detectie van buitenlandse omkoping, bedrijfsmatige anti-omkopingscompliance en het overheidsbeleid tegen buitenlandse omkoping met elk 69 procent. Onderwerpen die lager scoorden waren onder meer buitengerechtelijke afdoeningen met 44 procent en verjaring en onderzoeksmethoden met elk 38 procent.

Op de vraag naar de reikwijdte van het toezicht antwoordde 51 procent bevestigend op een sterkere afstemming van evaluaties op risico, koos 15 procent voor een thematische benadering gericht op een beperkt aantal transversale onderwerpen, wist 13 procent het niet en noemde 10 procent andere suggesties. De voorzitter groepeert de reacties onder de noemers dat de brede dekking gewaardeerd wordt om aansluiting bij het verdrag te houden en selectieve beoordeling te voorkomen, dat verdunning van de aandacht voor de belangrijkste onderwerpen moet worden vermeden, en dat er steun is voor een hybride benadering waarin een basisdekking wordt gecombineerd met verdiepende deelonderzoeken.

Over de vorm van de rapporten oordeelde bij de structuur en de logische opbouw 31 procent excellent en 49 procent adequaat. De lengte van de rapporten werd door 64 procent als adequaat en door 8 procent als excellent beoordeeld, en de toegankelijkheid van taal en vorm door 54 procent als adequaat en door 18 procent als excellent. Bij de duidelijkheid van de aanbevelingen gaf 28 procent excellent en 41 procent adequaat aan.

Meer nadruk op implementatie en handhaving

Een van de duidelijkste boodschappen uit zowel de enquête als de consultatie was dat fase 5 sterker zou moeten kijken naar de vraag of anti-omkopingssystemen in de praktijk resultaat opleveren. Stakeholders vroegen om meer expliciete aandacht voor de mate van implementatie van de verdragsverplichtingen, voor handhavingsresultaten en praktische obstakels bij de handhaving, voor sancties en andere remedies, en voor effectieve compliancesystemen bij ondernemingen. Verschillende stakeholders benadrukten dat het verkleinen van de afstand tussen formele naleving van het verdrag, effectieve implementatie en handhavingsresultaten een centraal doel van fase 5 zou moeten zijn.

Meer gebruik van data en toegankelijker rapportages

De stakeholders verwelkomden recente stappen om het toezicht meer op data te baseren, waaronder de publicatie van geactualiseerde handhavingsdata, de introductie van het OESO-dashboard voor landenmonitoring onder het Anti-omkopingsverdrag en de publicatie en actualisering van horizontale studies, zoals de studie over multi-jurisdictionele afdoeningen. Als aanvullingen op de beoordelingen werden onder meer het gebruik van indicatoren, meer verfijnde handhavingsdata van jaar tot jaar en een betere meting van handhavingsresultaten genoemd. Er was steun voor een meer op risico en context afgestemde benadering, naast behoud van consistentie en vergelijkbaarheid tussen evaluaties.

Een terugkerend thema was de behoefte aan een duidelijker en toegankelijker presentatie van de belangrijkste bevindingen. Genoemd werden het gebruik van standaardindicatoren die heldere ratings mogelijk maken, duidelijker samenvattingen, visualisaties, dashboards en tijdlijnen, interactieve online-instrumenten en effectievere communicatie richting overheden, parlementen, bedrijven en het bredere publiek. Het dashboard voor landenmonitoring werd daarbij herhaaldelijk genoemd als voorbeeld van hoe bevindingen toegankelijker kunnen worden gemaakt en landen op naleving en handhaving met elkaar kunnen worden vergeleken.

Sterkere follow-up en meer stakeholderbetrokkenheid

Stakeholders toonden belangstelling voor meer systematische en transparante follow-up-processen. Suggesties waren duidelijker follow-up-procedures die voor stakeholders toegankelijk zijn, duidelijker monitoring van voortgang met meer gebruik van bewijs en externe input, en meer aandacht en transparantie ten aanzien van landen met aanhoudende implementatietekorten. Sommige deelnemers pleitten voor meer zichtbaarheid van follow-up-uitkomsten, waaronder publicatie van meer follow-up-rapporten.

Over de betrokkenheid van stakeholders merkten deelnemers op dat de bezoeken ter plaatse beter bekend zouden moeten worden gemaakt en dat betrokkenheid niet beperkt zou moeten blijven tot die bezoeken tijdens landenevaluaties. Stakeholders werden gepositioneerd als bron van informatie en als partner bij het bevorderen en monitoren van de uitvoering van aanbevelingen. Genoemde mogelijkheden waren meer reguliere consultaties, eerdere en voorspelbaardere gelegenheden om bij te dragen, schriftelijke inbreng bij landenevaluaties, mondelinge of schriftelijke reacties op concept-evaluatierapporten, hernieuwde betrokkenheid bij de beoordeling van de implementatie van aanbevelingen in follow-up-evaluaties, en de mogelijkheid om ad-hockwesties onder de aandacht van de Working Group te brengen buiten een specifieke evaluatie of follow-up om. Enkele deelnemers steunden actievere betrokkenheid van de private sector, in het bijzonder van compliance officers.

Prioriteiten voor fase 5

Bij brede steun voor het behoud van een omvattend monitoringkader benoemden stakeholders een aantal inhoudelijke onderwerpen die prominent in fase 5 zouden moeten terugkomen. Vaak genoemd werden de onafhankelijkheid en de middelen van opsporings- en vervolgingsautoriteiten, de aansprakelijkheid van rechtspersonen, buitengerechtelijke afdoeningen, transparantie over uiteindelijk belanghebbenden, professionele facilitators, de behandeling van slachtoffers inclusief compensatie, en opkomende technologische en sectorspecifieke risico's. Deelnemers benadrukten daarbij de wens om onderwerpen te prioriteren die het meeste effect hebben op de implementatie en handhaving van het verdrag, met aandacht voor nieuwe risico's en ontwikkelingen.

Vervolgstappen

De Working Group zet de reflectie op de inrichting van het fase 5-kader voort. De huidige planning voorziet in verdere uitwerking van de doelstellingen en strategische richting van fase 5 in de loop van 2027, voorbereiding van de methodiek en de procedures in 2027-2028, en een start van de fase 5-evaluaties eind 2028. De voorzitter riep stakeholders op betrokken te blijven via toekomstige consultaties en gelegenheden voor inbreng.

Afsluiting

De consultatie van 24 juni 2026 vormt een tussenstap in de voorbereiding van fase 5 van het OESO-toezicht op de naleving van het Anti-omkopingsverdrag. De uitkomsten zijn vastgelegd in een samenvatting van de voorzitter, gebaseerd op de consultatie en op een enquête onder 99 stakeholders. Terugkerende thema's waren steun voor het bestaande systeem, meer nadruk op implementatie en handhaving, meer gebruik van data, toegankelijker rapportages, sterkere follow-up en ruimere stakeholderbetrokkenheid. De doelstellingen, methodiek en procedures van fase 5 moeten nog worden vastgesteld; de eerste fase 5-evaluaties zijn voorzien voor eind 2028.

Klik hier voor de samenvatting van de voorzitter en hier voor de presentatie met de enquêteresultaten.

Print Friendly and PDF ^