Verdachte heeft grote contante geldbedragen gestort op bankrekening eigen rechtspersoon en is daarvoor veroordeeld. HR over “overdragen en omzetten” en “verwerven en voorhanden hebben”.

Hoge Raad 7 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:376

De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achtentachtig dagen wegens witwassen, meermalen gepleegd en witwassen, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon en terwijl de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd (feit 3).

In het bestreden arrest heeft het hof naar aanleiding van een door de raadsman gevoerd vrijspraakverweer het volgende overwogen:

“Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman vrijspraak bepleit, nu volgens hem geen sprake is geweest van witwassen. De raadsman heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat er een plausibele verklaring is voor de herkomst van een groot deel van de ten laste gelegde geldbedragen. Immers, de verdachte heeft verklaard dat hij een geldbedrag van 150.000 Amerikaanse dollars heeft geleend van de vader van [betrokkene] in Ecuador. Het Openbaar. Ministerie heeft onvoldoende onderzoek gedaan om deze verklaring van de verdachte te kunnen weerleggen. Voorts is volgens de raadsman niet onaannemelijk dat de verdachte eerder geld heeft ontvangen door verkoop van goederen en een erfenis en/of geleend geld van zijn vader.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Conform de vordering van de advocaat-generaal en hetgeen de verdediging heeft aangevoerd spreekt het hof de verdachte vrij van het witwassen van de opbrengsten van de teelt van hennep in Veenendaal en Rotterdam.

Uit de bewijsmiddelen in het onderliggende strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep volgt dat in de jaren 2001 - 2005 diverse stortingen van grote contante geldbedragen op rekeningen van twee bedrijven plaatsvinden waarbij de verdachte betrokken is. Het gaat dan om stortingen ten bedrage van 4.000 gulden in 2001 en € 25.810,- in 2002 op de rekening van [A] B.V. en kasstortingen van in totaal € 142.250,- in 2004 en een storting in 2005 van € 79.150,- in contanten op de bankrekening van [medeverdachte]. Uit de bedrijfsadministratie volgt dat dit geld contant is gestort door de verdachte. Gelet op de gebezigde bewijsmiddelen kan de verdachte als feitelijk leidinggevende van [A] B.V. en, na de wijziging bij statuten van de naam van het bedrijf in [medeverdachte] in juni 2004, van laatstgenoemd bedrijf worden aangemerkt.

De verdachte heeft over grote geldbedragen beschikt en deze bedragen overgedragen aan [A] B.V. en [medeverdachte]. De transacties staan niet in verhouding tot de toenmalige inkomsten van de verdachte, die zichzelf destijds een deel van deze periode geringe inkomsten uit zijn bedrijf toeschreef en een deel van deze periode een bijstandsuitkering genoot. Deze omstandigheden rechtvaardigen een vermoeden van witwassen en in dat licht bezien mag van de verdachte worden verwacht dat hij een aannemelijke verklaring geeft over de herkomst van het geld.

De verdachte heeft verklaard dat het geldbedrag van € 142.250,- (verdachtes inbreng in [medeverdachte] in 2004) grotendeels te verklaren is vanuit een geldlening ten bedrage van 150.000 Amerikaanse dollars, welke lening hij is aangegaan met de vader van [betrokkene] in 2001, in Ecuador. De geleende dollars zou hij tot 2004 contant in een bankkluis hebben bewaard en vervolgens hebben gewisseld in euro's. Hij heeft sinds het aangaan van de lening geen contact meer met de geldverstrekker gehad, dan wel enig deel van het geleende geld afgelost. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de verdachte bij dit ingenomen standpunt blijft.

De verdachte heeft in eerste aanleg verklaard dat hij geen concrete verklaring heeft voor het gegeven dat het totale bedrag dat in [A] B.V. en [medeverdachte] is ingebracht veel hoger is dan de door de verdachte opgegeven lening van Amerikaanse 150.000 dollars, anders dan de mededeling dat hij via [A] B.V. wel eens wat heeft geëxporteerd, wel eens een autootje heeft verkocht en een bedrag van € 20.000,- van zijn vader heeft geërfd. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij niet meer wist waar het bedrag van € 25.810,- vandaan kwam, die in 2002 in [A] B.V. is gestort.

Uit de mededeling van de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep leidt het hof af dat er ook thans geen nadere stukken voorhanden zijn van de beweerdelijke erfenis of lening van de vader of van de verkoop van auto's, althans, deze stukken zijn niet aan het hof overgelegd.

Op grond van de inhoud van het dossier kan worden vastgesteld dat het Openbaar Ministerie onderzoek heeft gedaan naar de verklaring van de verdachte omtrent de lening die de verdachte zou zijn aangegaan in Ecuador.

Dit onderzoek heeft echter niet geleid tot enige concrete ondersteuning van de verklaring van de verdachte. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat het door het Openbaar Ministerie gedane onderzoek als voldoende kan worden beschouwd. Het hof acht de verklaring van de verdachte omtrent de lening' in Ecuador niet aannemelijk geworden. Het hof merkt daarbij op, dat zelfs indien het hof deze verklaring zou aannemen, het de kans dat de vertegenwoordiger van de verdachte het geld heeft ontvangen van een bonafide geldverstrekker, verwaarloosbaar klein acht.

Evenmin is de verklaring dat de verdachte geld heeft ontvangen uit de erfenis of lening van zijn vader of uit de verkoop van auto's naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk geworden. Er zijn geen stukken ten bewijze van de erfenis of lening van de vader overgelegd en evenmin is aan de hand van stukken onderbouwd dat de verdachte auto's zou hebben verkocht die de (aanzienlijke) bedragen zouden kunnen verklaren.

Het hof stelt voorts vast dat de verdachte geen verklaring heeft gegeven voor de herkomst van de stortingen van 4.000 gulden in 2001.en € 25.810,- in 2002 op de rekening van [A] B.V., noch van de storting van € 79.150,- op de rekening van [medeverdachte] in 2005.

De verdachte heeft naar het oordeel van het hof dan ook het bestaan van een legale inkomstenbron op geen enkele wijze aannemelijk geworden. De verklaringen van de verdachte over het in bezit zijnde geld zijn onvoldoende concreet, vinden geen steun in andere bewijsmiddelen en zijn hoogst onwaarschijnlijk te noemen. Het hof komt op grond van deze. omstandigheden tot de conclusie dat de bewezen verklaarde geldbedragen die de verdachte in [A] B.V. en [medeverdachte] heeft ingebracht onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig zijn geweest, nu, gelet op de algemene ervaringsregels, de criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Voorts komt het tot de slotsom dat de verdachte wist van die criminele herkomst van het geld.

Het hof verwerpt het verweer.”
 

Middel

Het middel klaagt ten eerste dat de bewezenverklaring voor zover inhoudende dat "de rechtspersonen A B.V. en/of medeverdachte" geldbedragen heeft/hebben "overgedragen en omgezet", niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
 

Beoordeling Hoge Raad

Uit de bewijsvoering kan niet volgen dat de rechtspersonen A B.V. of medeverdachte geldbedragen hebben overgedragen. Het Hof heeft de bewezenverklaring in dat opzicht derhalve onvoldoende gemotiveerd.

Voor vernietiging van de bestreden uitspraak deswege en terugwijzing of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling bestaat echter onvoldoende grond, aangezien door zo een partiële vernietiging de aard en de ernst van het feit in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast. In zoverre is het middel tevergeefs voorgesteld.

In aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte een groot aantal contante geldbedragen heeft gestort op een bankrekening van de rechtspersoon A B.V. en van medeverdachte is de bewezenverklaring voor zover die betrekking heeft op het omzetten van die geldbedragen toereikend gemotiveerd. In zoverre faalt het middel.

Het middel klaagt daarnaast over het oordeel van het Hof dat de bewezenverklaarde handelingen van A B.V. en/of medeverdachte waaraan de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven, kunnen worden gekwalificeerd als 'witwassen'.

Het middel doet een beroep op rechtspraak van de Hoge Raad die inhoudt dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf, niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.

Deze rechtsregel geldt slechts indien aannemelijk is dat de in de bewezenverklaring bedoelde geldbedragen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd dat deze geldbedragen afkomstig zijn uit een door hetzij de verdachte, hetzij A B.V. en/of medeverdachte begaan misdrijf, terwijl uit de bewijsvoering van het Hof evenmin rechtstreeks voortvloeit dat deze geldbedragen afkomstig zijn uit een door hetzij de verdachte, hetzij A B.V. en/of medeverdachte begaan grondmisdrijf. Dat betekent dat voormelde nadere motiveringseisen in de onderhavige zaak niet van toepassing zijn en dat ook deze klacht faalt. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

 

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

Print Friendly and PDF