Advies AG aan Hoge Raad: de verhogingen van verkeersboetes moeten aan de rechter kunnen worden voorgelegd en mogen in sommige gevallen niet meer worden opgelegd

De verhogingen van verkeersboetes moeten aan de rechter kunnen worden voorgelegd. Bovendien kunnen de verhogingen niet worden geïnd als de niet-betaling van verkeersboetes een gevolg is van een gebrek aan draagkracht en als iemand van de niet-betaling geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Advocaat-generaal (AG) Snijders adviseert de Hoge Raad in zijn conclusie van vandaag om dit als antwoord te geven op de prejudiciële vraag die rechtbank Den Haag heeft gesteld over de verhogingen van verkeersboetes.

Verhogingen van verkeersboetes

Als verkeersboetes niet op tijd worden betaald, worden deze op grond van de wet automatisch verhoogd met 50%. Als ook daarna niet wordt betaald, vindt automatisch een tweede verhoging met 100% plaats. De verhogingen komen daardoor in totaal neer op een verhoging van de verkeersboete met 200%. Niet betaling leidt er dus toe dat de verschuldigde boete wordt verhoogd tot een drie keer zo hoog bedrag. Dat betekent dat de betalingsverplichting bij een verkeersboete van € 100,- na de verhogingen in totaal € 300,- bedraagt. De verhogingen zijn bedoeld als een prikkel om op tijd te betalen.

Over de hoogte van de verkeersboetes en de verhogingen bestaat discussie. Er worden jaarlijks vele miljoenen verkeersboetes opgelegd. In ruwweg 15% van de gevallen worden deze niet op tijd betaald en is sprake van verhogingen. In een deel van die gevallen komt dit doordat degene die de boete moet betalen, daarvoor geen of onvoldoende geld heeft. In diverse rapporten en ook in de Tweede Kamer is geconstateerd dat de verkeersboetes en de verhogingen bijdragen aan de schuldenproblematiek. In andere gevallen van het niet-tijdig betalen van schulden en boetes vinden veel lagere verhogingen plaats. In de Tweede Kamer is een motie aangenomen die inhoudt dat de verhogingen sterk verlaagd moeten worden. Het vorige kabinet heeft deze motie niet uitgevoerd omdat daarvoor geen financiële middelen waren. Ook het huidige kabinet heeft laten weten dat er geen financiële middelen beschikbaar zijn voor een verlaging van de verhogingen.

De zaak

Een man heeft in ongeveer één jaar tijd zeven verkeersboetes gekregen voor een totaalbedrag van € 1029,-. Hij heeft deze boetes niet op tijd betaald. Daardoor is hij ook de verhogingen van de boetes schuldig geworden. Zijn schuld aan het CJIB is daardoor in totaal € 3.087,- geworden. Hij wordt bijgestaan door een belangenorganisatie. Met de hulp van deze organisatie is hij een procedure tegen de Staat begonnen. In de procedure verlangt hij dat de rechtbank beslist dat hij de verhogingen niet hoeft te betalen. Volgens hem zijn de verhogingen een vorm van bestraffing in de zin van art. 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De regeling van de verhogingen voldoet volgens hem niet aan de eisen die deze bepaling stelt aan het opleggen van een straf. Ook zijn de verhogingen volgens hem in strijd met het recht op eigendom van art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (EP EVRM). Zij vormen volgens hem een buitensporige last voor degene die niet op tijd zijn verkeersboete betaalt.

Prejudiciële vraag rechtbank

In de door de man begonnen procedure heeft de rechtbank besloten om over diens standpunt een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te stellen. De vraag luidt of de verhogingen in strijd zijn met art. 6 EVRM of art. 1 EP EVRM. De strijd met die bepalingen zou betekenen dat de Nederlandse wet waarin de verhogingen zijn geregeld, niet wordt toegepast. Art. 94 Grondwet zegt namelijk dat de internationale mensenrechtenverdragen, waaronder het EVRM, voorgaan boven de Nederlandse wet. Bij strijd moet de Nederlandse wet dus buiten toepassing blijven.

Conclusie AG

Volgens de AG komen de verhogingen neer op een bestraffing in de zin van art. 6 EVRM. Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) moet daarom een toetsing door de rechter op de evenredigheid van de verhogingen mogelijk zijn. Aan die toetsing bestaat volgens de AG behoefte als een betrokkene door een gebrek aan draagkracht de boete redelijkerwijs niet kan betalen of als vaststaat dat een betrokkene geen enkel verwijt valt te maken van het feit dat hij de boete niet op tijd heeft betaald. De verhogingen vormen in die gevallen een onevenredige straf.

Deze toetsing door de rechter is volgens de AG nu al mogelijk, maar alleen bij de burgerlijke rechter. De procedure bij de burgerlijke rechter is echter niet erg geschikt voor die toetsing, onder meer door de relatief hoge kosten daarvan. In andere gevallen van bestraffing staan in Nederland procedures open die veel laagdrempeliger zijn. Dat zijn procedures bij de bestuursrechter en de strafrechter. De AG stelt voor dat de Hoge Raad dit verschil opheft door te beslissen dat tegen de mededeling van de verhogingen op dezelfde manier beroep kan worden ingesteld als tegen een verkeersboete. Aan een beroep tegen een verkeersboete zijn geen kosten verbonden. Dat zou dan ook gaan gelden voor een beroep tegen de verhogingen. Dat past bij de procedure die nodig is, aldus de AG.

Volgens de AG zijn de verhogingen ook in strijd zijn met art. 1 EP EVRM. Die strijd bestaat eveneens in de gevallen dat sprake is van een betrokkene die door een gebrek aan draagkracht de boete redelijkerwijs niet kan betalen of waarvan vaststaat dat hem geen enkel verwijt valt te maken van het feit dat hij de boete niet op tijd heeft betaald. In die gevallen kan namelijk niet meer worden gesproken van een ‘fair balance’ tussen de belangen van de betrokkene en het algemene belang dat is gemoeid met de inning van de boetes waarop de Wahv ziet. Volgens de rechtspraak van het EHRM is in dat geval sprake van een ‘excessive burden’ (buitensporige last). Dat betekent dat de verhogingen dan op grond van art. 94 Grondwet niet zijn verschuldigd wegens strijd met art. 1 EP EVRM, en dus niet mogen worden opgelegd.

Als de Hoge Raad de conclusie volgt, dan betekent dit dat in genoemde gevallen de verhogingen niet of niet meer volledig kunnen worden toegepast.

Uitspraak Hoge Raad

De Hoge Raad doet zo spoedig mogelijk uitspraak.

Lees hier de volledige conclusie.

Print Friendly and PDF ^