E-mail van rechter aan OvJ dat zij bevoegdheid vd Rb aan de orde wil stellen leidt niet tot geslaagde wraking

Rechtbank Rotterdam 16 juni 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:6149 De rechter heeft door middel van haar e-mail van 10 mei 2016 aan de officier van justitie aangekondigd de bevoegdheid van de rechtbank ter terechtzitting aan de orde te zullen stellen, waarbij zij heeft aangegeven welke omstandigheden uit de tenlastelegging haar daartoe aanleiding gaven.

Voor de stelling van verzoeker dat de rechter daardoor de officier van justitie heeft ingegeven een wijziging van de tenlastelegging te vorderen is noch in de tekst van dat e-mailbericht, noch op andere wijze een aanknopingspunt te vinden. Het e-mailbericht doet verder niets af aan het onderzoek ten aanzien van de bevoegdheid van de rechtbank tot kennisnemen van het tenlastegelegde feit, dat ter terechtzitting nog zou gaan plaatsvinden en evenmin aan de mogelijkheid van de verdediging om zich daaromtrent ter zitting uit te laten. Een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid van de rechter kan daardoor niet bij verzoeker zijn gewekt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Haagse oud-politieagent vrijgesproken van verduistering

Rechtbank Den Haag 27 juli 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:8618 De 41-jarige oud-politieagent van bureau Hoefkade in De Haag die verdacht werd van verduistering is vrijgesproken door de rechtbank Den Haag wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Het Openbaar Ministerie had een taakstraf van 200 uur geëist voor het in eigen zak steken van drie contant betaalde bekeuringen.

Hoewel de betaalde bekeuringen niet zijn teruggevonden in de financiële administratie van de politie Eenheid Den Haag is de rechtbank van oordeel dat dit onvoldoende is om te concluderen dat de agent de bedoeling had om deze bedragen dan ook in eigen zak te steken. Daarbij is van belang dat uit het dossier is gebleken dat er bij de afdeling financiën vaker afgestorte bedragen open blijven staan die niet gekoppeld kunnen worden aan de betreffende bekeuringen.

Ook is één van de bedragen teruggevonden in een afgesloten enveloppe in een ladeblok van de verdachte. De verdachte heeft daarover verklaard dat hij vergeten is deze bekeuring administratief af te handelen, omdat hij ten tijde van de administratieve verwerking van deze bekeuring werd weggeroepen voor een melding.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak van feitelijke leiding geven aan het plegen van valsheid in geschrift begaan door een rechtspersoon

Rechtbank Rotterdam 21 juni 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:4942

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend is bewezen dat de rechtspersonen bedrijf A en bedrijf B valsheid in geschrift hebben gepleegd en dat de verdachte samen met anderen hieraan feitelijke leiding heeft gegeven, zoals primair aan haar ten laste is gelegd. De officier heeft aangevoerd dat de verdachte – die formeel bestuurder was van genoemde bedrijven, maar zich in de ten laste gelegde periode nauwelijks op de werkvloer heeft bevonden – weliswaar een wat passievere rol speelde dan haar echtgenoot en tevens medeverdachte, maar wel van het reilen en zeilen op de hoogte was en (als enige) ook formeel in de positie was om invloed op de rechtspersonen uit te oefenen.

Beoordeling rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat een verdachte bestuurder is van een rechtspersoon, niet voldoende is om hem of haar aan te merken als feitelijke leidinggever aan een door die rechtspersoon begaan strafbaar feit. Onder omstandigheden kan een meer passieve rol evenwel tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijke leidinggeven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen, en die zulke maatregelen achterwege laat. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van feitelijke leidinggeven aan een verboden gedraging, moet niettemin kunnen worden vastgesteld dat sprake is van opzet op de verboden gedraging (HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733). Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van het dossier en het verhandelde op de terechtzitting niet worden vastgesteld dat de verdachte op de hoogte was van het feit dat door de bedrijven waarvan zij bestuurder was valsheid in geschrift werd gepleegd. Uit de door de officier van justitie aangehaalde verklaringen kan weliswaar worden afgeleid dat de verdachte ondanks haar passievere rol wel in algemene zin op de hoogte was van het reilen en zeilen van de vennootschappen, echter niet kan worden vastgesteld dat zij op de hoogte was van het feit dat bij de uitvoering van de werkzaamheden op onderdelen valsheid in geschrift werd gepleegd. Dit is een dermate specifiek onderdeel van de werkzaamheden geweest dat niet gezegd kan worden dat wetenschap over de algemene gang van zaken ook wetenschap op dit punt meebrengt. Dit brengt mee dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat sprake is van opzet op de verboden gedraging. Aangezien om dezelfde reden evenmin is bewezen dat sprake is van het (mede-)plegen van valsheid in geschrift dan wel van medeplichtigheid daaraan, zoals subsidiair en meer subsidiair aan de verdachte ten laste is gelegd, behoort de verdachte te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Standpunt officier van justitie 

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde witwassen van geld – verkregen door de onder 1 en 2 ten laste gelegde fraude – op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte hier een gewoonte van heeft gemaakt, zoals primair aan haar ten laste is gelegd.

Beoordeling rechtbank

Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van witwassen van een geldbedrag moet kunnen worden vastgesteld dat de verdachte wist, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat het geld geheel of gedeeltelijk afkomstig was uit een misdrijf. Aangezien niet kan worden vastgesteld dat de verdachte – in de in de tenlastelegging genoemde periode – op de hoogte was van het feit dat door eerdergenoemde bedrijven werd gefraudeerd, en het dossier ook onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de veronderstelling dat zij dat had moeten vermoeden, is het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte behoort ook daarvan te worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak voor belastingadviseur die geen melding heeft gedaan van een ongebruikelijke transactie: geen instelling in de zin van de Wwft.

Rechtbank Amsterdam 30 juni 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3968

Het oordeel van de rechtbank

Alvorens toe te komen aan de vraag, of er sprake was van een ongebruikelijke transactie en of verdachte opzettelijk die ongebruikelijke transactie niet heeft gemeld, moet eerst de vraag beantwoord worden, of verdachte kan worden aangemerkt als een instelling in de zin van de Wwft, waarop deze meldplicht rust.

Ten tijde van het ten laste gelegde feit moest op grond van artikel 1 lid 1 sub a onder 23 Wwft als instelling in de zin van de Wwft worden aangemerkt – voor zover relevant voor de onderhavige zaak – een ‘natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap die als belastingadviseur zelfstandig onafhankelijk beroepsactiviteiten uitoefent, dan wel een natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap, voor zover die anderszinszelfstandig onafhankelijk daarmee vergelijkbare activiteiten beroeps- of bedrijfsmatig verricht’. Deze definitie gold vanaf 1 januari 2013. Daarvóór ontbrak in de Wwft ten aanzien van een belastingadviseur de eis dat hij of zij ‘zelfstandig onafhankelijk’ beroepsactiviteiten uitoefende.

In de Memorie van Toelichting van 23 april 2012 bij de “Wijziging van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES in verband met de implementatie van aanbevelingen van de Financial Action Task Force” (Kamerstukken II 2011-2012, 33 238, nr. 3) is met betrekking tot deze wetswijziging het volgende opgenomen:

“Verder wordt de normadressering voor de (externe) registeraccountants (RA), de (externe) accountants-administratieconsulenten (AA) en belastingadviseurs aangepast, dit mede op verzoek van de brancheorganisaties zelf. Deze is thans nog gericht op individuen, terwijl het in de praktijk voor bijvoorbeeld een individuele RA of AA werkzaam in een accountantsorganisatie vaak niet is toegestaan een ongebruikelijke transactie zelf te melden. Eerst dient intern gemeld te worden, ook in de gevallen waarin nog twijfel bestaat omtrent het ongebruikelijk karakter van de transactie. Het is dan doorgaans aan de compliance afdeling van de organisatie om te beslissen of daadwerkelijk gemeld dient te worden. De redenen om niet tot melding over te gaan worden vastgelegd en zijn voor de toezichthouder inzichtelijk.

De voorgestelde normadressering is beperkt tot degenen die de relevante beroepsactiviteiten zelfstandig onafhankelijk uitoefenen, kort gezegd: het kantoor en de natuurlijke persoon die zelfstandig optreedt. Deze kunnen door de toezichthouder bestuursrechtelijk worden aangesproken op ontoereikend beleid inzake bijvoorbeeld het melden van ongebruikelijke transacties, of het in concrete gevallen nalaten om meldingen van ongebruikelijke transacties te doen. Dat is ook efficiënter dan accountants in loondienst aan te spreken. Dit laat onverlet de mogelijkheid van tuchtrechtelijke maatregelen jegens natuurlijke personen op basis van het wettelijke tuchtrecht dat op een individuele RA of AA van toepassing is. (…)

In verband met deze aanpassingen is het instellingsbegrip van de belastingadviseur apart opgenomen in subonderdeel 23º. Ook voor deze beroepsgroep is de normadressering aangepast zoals hiervoor beschreven.”

In de “Richtsnoeren voor de interpretatie van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (WWFT) voor belastingadviseurs en accountants” van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (van juni 2014) is als toelichting op deze wetswijziging het volgende opgenomen:

“Normadressaat is de natuurlijk persoon, rechtspersoon of vennootschap die de beroepsactiviteiten “zelfstandig onafhankelijk” uitoefent. Dit betekent dat de natuurlijk persoon die als belastingadviseur, accountant of accountant-administratieconsulent alleen werkt, gezien moet worden als “instelling”. Wanneer de beroepsbeoefenaar in het kader van een organisatorische eenheid (vennootschap of rechtspersoon, zoals een maatschap, vennootschap onder firma, een BV of NV) werkt, rusten de verplichtingen uit de WWFT op die organisatorische eenheid. Deze wordt dan als zodanig als instelling aangemerkt. Het is aan de organisatie om er zorg voor te dragen dat haar partners en medewerkers aan de WWFT voldoen. Doet de organisatie dat niet of niet goed, dan is zij als instelling in de zin van de WWFT verantwoordelijk. Controle op de naleving, en dus ook de sanctie bij niet toepassen, speelt zich af op het niveau van de organisatie.”

Uit het dossier blijkt dat verdachte weliswaar als belastingadviseur beroepsactiviteiten heeft uitgeoefend, maar dat hij deze activiteiten heeft verricht namens accountantskantoor een maatschap. Dit accountantskantoor heeft naam 1 ook gefactureerd voor de activiteiten van verdachte. Gelet hierop en op de hiervoor weergegeven uitleg van de Wwft is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet kan worden aangemerkt als een belastingadviseur die ‘zelfstandig onafhankelijk’ beroepsactiviteiten heeft uitgeoefend.

Verdachte was daarom geen instelling in de zin van de Wwft en er rustte dus geen verplichting op hem om de in de tenlastelegging vermelde transactie te melden. Deze verplichting rustte op de maatschap accountants. Anders dan door de officier van justitie is betoogd, kan deze maatschap wel strafrechtelijk worden vervolgd. In artikel 51, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht is immers opgenomen dat voor de toepassing van de overige leden van dat artikel – waarin de strafvervolging van rechtspersonen wordt geregeld – de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, de maatschap, de rederij en het doelvermogen met de rechtspersoon gelijk worden gesteld.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

OM ontvankelijk in vervolging: onrechtmatig handelen van Belastingdienst in fiscale procedure raakt positie OM niet

Rechtbank Den Haag 5 juli 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:7506 De raadsman heeft ter terechtzitting een aantal preliminaire verweren gevoerd. Volgens de raadsman is er door het OM en de belastingdienst (te) nauw samengewerkt, met als doel te voorkomen dat ontlastende informatie uit het dossier van het OM resp. de FIOD in het dossier van de Belastingdienst zou terechtkomen.

De raadsman heeft ter onderbouwing van dit standpunt aangevoerd dat de FIOD, onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie, onvoldoende dan wel onvolledige informatie heeft verstrekt aan de verdediging en dat de verdediging niet weet welke informatie er vervolgens aan de belastingdienst is verstrekt. Zo zijn de zogenoemde artikel 55 AWR-vorderingen die de belastingdienst in het kader van de fiscale procedure heeft gedaan niet in het fiscale dossier gevoegd.

De officier van justitie heeft aangegeven dat deze vorderingen - na tussenkomst van de rechter-commissaris - aan de verdediging zijn verstrekt en dat het gehele dossier aan de belastingdienst ter beschikking is gesteld voor inzage.

De rechtbank overweegt dat genoemde vorderingen thans deel uitmaken van het strafdossier. Het gegeven dat bij de verdediging niet bekend is welke informatie uit het dossier aan de belastingdienst is verstrekt is niet van belang voor enige in de strafzaak te nemen beslissing en raakt de belangen van de verdachte in de strafzaak dan ook niet. Evenmin wordt hierdoor het recht op een eerlijk strafproces gefrustreerd. Dit gegeven kan daarom geen rol spelen bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de officier van justitie in onderhavige strafzaak.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^