Vrijspraak voor belastingadviseur die geen melding heeft gedaan van een ongebruikelijke transactie: geen instelling in de zin van de Wwft.

Rechtbank Amsterdam 30 juni 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3968

Het oordeel van de rechtbank

Alvorens toe te komen aan de vraag, of er sprake was van een ongebruikelijke transactie en of verdachte opzettelijk die ongebruikelijke transactie niet heeft gemeld, moet eerst de vraag beantwoord worden, of verdachte kan worden aangemerkt als een instelling in de zin van de Wwft, waarop deze meldplicht rust.

Ten tijde van het ten laste gelegde feit moest op grond van artikel 1 lid 1 sub a onder 23 Wwft als instelling in de zin van de Wwft worden aangemerkt – voor zover relevant voor de onderhavige zaak – een ‘natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap die als belastingadviseur zelfstandig onafhankelijk beroepsactiviteiten uitoefent, dan wel een natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap, voor zover die anderszinszelfstandig onafhankelijk daarmee vergelijkbare activiteiten beroeps- of bedrijfsmatig verricht’. Deze definitie gold vanaf 1 januari 2013. Daarvóór ontbrak in de Wwft ten aanzien van een belastingadviseur de eis dat hij of zij ‘zelfstandig onafhankelijk’ beroepsactiviteiten uitoefende.

In de Memorie van Toelichting van 23 april 2012 bij de “Wijziging van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES in verband met de implementatie van aanbevelingen van de Financial Action Task Force” (Kamerstukken II 2011-2012, 33 238, nr. 3) is met betrekking tot deze wetswijziging het volgende opgenomen:

“Verder wordt de normadressering voor de (externe) registeraccountants (RA), de (externe) accountants-administratieconsulenten (AA) en belastingadviseurs aangepast, dit mede op verzoek van de brancheorganisaties zelf. Deze is thans nog gericht op individuen, terwijl het in de praktijk voor bijvoorbeeld een individuele RA of AA werkzaam in een accountantsorganisatie vaak niet is toegestaan een ongebruikelijke transactie zelf te melden. Eerst dient intern gemeld te worden, ook in de gevallen waarin nog twijfel bestaat omtrent het ongebruikelijk karakter van de transactie. Het is dan doorgaans aan de compliance afdeling van de organisatie om te beslissen of daadwerkelijk gemeld dient te worden. De redenen om niet tot melding over te gaan worden vastgelegd en zijn voor de toezichthouder inzichtelijk.

De voorgestelde normadressering is beperkt tot degenen die de relevante beroepsactiviteiten zelfstandig onafhankelijk uitoefenen, kort gezegd: het kantoor en de natuurlijke persoon die zelfstandig optreedt. Deze kunnen door de toezichthouder bestuursrechtelijk worden aangesproken op ontoereikend beleid inzake bijvoorbeeld het melden van ongebruikelijke transacties, of het in concrete gevallen nalaten om meldingen van ongebruikelijke transacties te doen. Dat is ook efficiënter dan accountants in loondienst aan te spreken. Dit laat onverlet de mogelijkheid van tuchtrechtelijke maatregelen jegens natuurlijke personen op basis van het wettelijke tuchtrecht dat op een individuele RA of AA van toepassing is. (…)

In verband met deze aanpassingen is het instellingsbegrip van de belastingadviseur apart opgenomen in subonderdeel 23º. Ook voor deze beroepsgroep is de normadressering aangepast zoals hiervoor beschreven.”

In de “Richtsnoeren voor de interpretatie van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (WWFT) voor belastingadviseurs en accountants” van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (van juni 2014) is als toelichting op deze wetswijziging het volgende opgenomen:

“Normadressaat is de natuurlijk persoon, rechtspersoon of vennootschap die de beroepsactiviteiten “zelfstandig onafhankelijk” uitoefent. Dit betekent dat de natuurlijk persoon die als belastingadviseur, accountant of accountant-administratieconsulent alleen werkt, gezien moet worden als “instelling”. Wanneer de beroepsbeoefenaar in het kader van een organisatorische eenheid (vennootschap of rechtspersoon, zoals een maatschap, vennootschap onder firma, een BV of NV) werkt, rusten de verplichtingen uit de WWFT op die organisatorische eenheid. Deze wordt dan als zodanig als instelling aangemerkt. Het is aan de organisatie om er zorg voor te dragen dat haar partners en medewerkers aan de WWFT voldoen. Doet de organisatie dat niet of niet goed, dan is zij als instelling in de zin van de WWFT verantwoordelijk. Controle op de naleving, en dus ook de sanctie bij niet toepassen, speelt zich af op het niveau van de organisatie.”

Uit het dossier blijkt dat verdachte weliswaar als belastingadviseur beroepsactiviteiten heeft uitgeoefend, maar dat hij deze activiteiten heeft verricht namens accountantskantoor een maatschap. Dit accountantskantoor heeft naam 1 ook gefactureerd voor de activiteiten van verdachte. Gelet hierop en op de hiervoor weergegeven uitleg van de Wwft is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet kan worden aangemerkt als een belastingadviseur die ‘zelfstandig onafhankelijk’ beroepsactiviteiten heeft uitgeoefend.

Verdachte was daarom geen instelling in de zin van de Wwft en er rustte dus geen verplichting op hem om de in de tenlastelegging vermelde transactie te melden. Deze verplichting rustte op de maatschap accountants. Anders dan door de officier van justitie is betoogd, kan deze maatschap wel strafrechtelijk worden vervolgd. In artikel 51, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht is immers opgenomen dat voor de toepassing van de overige leden van dat artikel – waarin de strafvervolging van rechtspersonen wordt geregeld – de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, de maatschap, de rederij en het doelvermogen met de rechtspersoon gelijk worden gesteld.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF