Echtpaar en manager krijgen cel- en taakstraffen voor faillissementsfraude

Rechtbank Oost-Brabant 7 juni 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:2939

De rechtbank Oost-Brabant heeft een 58-jarige man uit het Limburgse Grubbenvorst veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, voor faillissementsfraude. Zijn vrouw krijgt eentaakstraf van 180 uur en een celstraf van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk. Een 52-jarige man uit Sint-Michielgestel is voor zijn aandeel veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke celstraf van 3 maanden.

Het echtpaar was eigenaar van de meubelbedrijven Top Teak in Deurne en Beter Teak in Helmond. De man uit Sint-Michielsgestel was manager in de winkel van Top Teak toen dit bedrijf in mei 2010 failliet werd verklaard. De curator die was aangesteld om het faillissement af te wikkelen, deed datzelfde jaar aangifte van fraude. Erna bleek dat het echtpaar en de manager in januari 2010 voor ruim 600.000 euro aan meubels vanuit Top Teak naar Beter Teak hadden gebracht, zonder daarvoor geld over te maken tussen beide bedrijven. Zij wisten op dat moment dat Top Teak failliet zou gaan en verkochten de meubels op naam van Beter Teak. Toen ook Beter Teak in november 2010 failliet ging, bleek dat daar een partij ruiterkleding ter waarde van 32.500 euro ontbrak. Daarnaast werd op het laatste moment een bestelbus voor bijna 4.000 euro onder de waarde verkocht aan het bedrijf van de zoon van het echtpaar. Bovendien voldeden de mannen en de vrouw niet aan de plicht om een deugdelijke administratie te voeren en die na het faillissement aan de curatoren over te dragen.

De rechtbank houdt er bij het bepalen van de straf rekening mee dat de verdachten op geen enkele wijze acht hebben geslagen op de belangen van de crediteuren. Er zijn meerdere schuldeisers financieel benadeeld. Ook hebben de verdachten de afwikkeling van de faillissementen bemoeilijkt. De 58-jarige man krijgt de zwaarste straf, omdat hij volgens getuigenverklaringen een grote rol had binnen beide bedrijven en dwingend was ten opzichte van zijn vrouw en de manager. Ook weegt de rechtbank mee dat het echtpaar in België tot een gevangenisstraf is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Omdat de redelijke termijn is overschreden waarbinnen het Openbaar Ministerie deze zaak op zitting had moeten brengen, legt de rechtbank aan de hoofdverdachte niet 3, maar 4 maanden voorwaardelijke celstraf op. De vrouw en man krijgen daarom elk een taakstrafvan 180 in plaats van 240 uur. De rechtbank legt het echtpaar bovendien een lagere straf op dan de officier van justitie eiste, omdat zij de man en vrouw vrijspreekt van een deel van de tenlastelegging.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Rechtbank Noord-Holland kent voor eerste en laatste dag IVS schadvergoeding ex art. 89 Sv toe

Rechtbank Noord-Holland 10 juni 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:4728

De strafzaak tegen verzoeker is geëindigd door een brief van de officier van justitie van 12 februari 2016 aan verzoeker waarin deze meedeelt dat de strafzaak is geseponeerd.

Verzoeker is op 11 februari 2016 in verzekering gesteld en op 12 februari 2016 in vrijheid gesteld.

Het verzoekschrift strekt tot toekenning van een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van

  • € 210,- ter zake van de schade die verzoeker stelt te hebben geleden ten gevolge van ten onrechte ondergane verzekering;
  • € 280,- wegens de kosten van bijstand met betrekking tot het opstellen en indienen van het onderhavige verzoekschrift.

De raadsman van verzoeker heeft zich onder verwijzing naar een uitspraak van gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 10 december 2015 op het standpunt gesteld dat verzoeker een vergoeding toekomt voor twee dagen ten onrechte ondergane verzekering.

De officier van justitie heeft zich schriftelijk op het standpunt gesteld dat slechts één dag voor vergoeding in aanmerking komt.

Op de voet van het bepaalde in de artikelen 89, 90 en 591a van het Wetboek van Strafvordering kan de gewezen verdachte – indien de strafzaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht – aanspraak maken op vergoeding van de door deze tengevolge van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis geleden schade, respectievelijk de gemaakte kosten van een advocaat, zo daartoe althans gronden van billijkheid aanwezig zijn, alle omstandigheden in aanmerking genomen.

De rechtbank acht in dit geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van een vergoeding. Onder verwijzing naar de uitspraak van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 10 december 2015 overweegt de rechtbank als volgt.

Zoals in artikel 89 en volgende van het Wetboek van Strafvordering wordt bepaald, dient het uitgangspunt te zijn dat de rechter een vergoeding toekent voor geleden schade. Deze toekenning van schadevergoeding vindt plaats op gronden van billijkheid. Ook op de laatste dag die de gewezen verdachte in detentie doorbrengt wordt hij nog geconfronteerd met zijn vrijheidsbeneming en lijdt hij ten gevolge daarvan schade. Uit billijkheidsoverwegingen valt niet in te zien waarom verzoeker niet ook voor deze dag recht heeft op een vergoeding. Daarom komt ook de laatste dag die verzoeker in detentie heeft doorgebracht voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank hanteert als uitgangspunt dat de forfaitaire vergoeding wordt uitgekeerd per dag of gedeelte van een dag die verzoeker in de politiecel of huis van bewaring heeft doorgebracht.

Het verzoek zal dan ook worden ingewilligd op de wijze als hieronder is aangegeven.

De rechtbank kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 490,- welk bedrag als volgt is samengesteld:

  • € 210,- wegens een verblijf van twee dagen op een politiebureau;
  • € 280,- wegens de kosten van een raadsman voor de indiening van het verzoekschrift.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

RC merkt strafdossier met aantekeningen verdachte t.b.v. overleg raadsman niet aan als geheimhoudersstukken

Rechtbank Midden-Nederland 19 mei 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:2698

Op 14 april 2016 is door de rechter-commissaris van de rechtbank Rotterdam in de cel van de verdachte een aantal schriftelijke bescheiden in beslag genomen. De rechter-commissaris heeft deze stukken niet aangemerkt als geheimhoudersstukken en ter hand gesteld aan opsporingsambtenaren van Midden-Nederland ten behoeve van verder onderzoek. Door hen zijn kopieën van de stukken gemaakt, die nog in het bezit zijn van het onderzoeksteam.

Op 18 april 2016 heeft de raadsman van de verdachte per mail aangegeven, dat verdachte na ontvangst van het strafdossier aantekeningen heeft gemaakt en vragen en/of opmerkingen heeft genoteerd, die geheimhoudersstukken betreffen en behoren tot de beschermwaardige vertrouwelijke communicatie tussen raadsman en cliënt.

Op 21 april 2016 is er op uitnodiging van de rechter-commissaris op het kabinet van de rechter-commissaris te Utrecht overleg geweest tussen de portefeuillehouder strafrecht van de orde van advocaten te Den Haag en de raadsman, teneinde de stelling van de raadsman dat er sprake is van geheimhoudersstukken te toetsen. De raadsman en de portefeuillehouder hebben daarbij inzage gehad in de originele stukken, die door de rechter-commissaris te Rotterdam bij verdachte in beslag zijn genomen en door de officier van justitie in een gesloten enveloppe aan de rechter-commissaris waren toegezonden.

Door de raadsman en de portefeuillehouder zijn de stukken, die volgens de raadsman onder zijn verschoningsrecht vallen, op een aparte stapel gelegd, welke stukken vervolgens door de rechter-commissaris in een enveloppe met het opschrift “wel geheimhoudersstuk’ zijn gedaan.

De stukken, waarvan de raadsman stelde dat deze niet als geheimhoudersstuk moeten worden aangemerkt, zijn in een enveloppe met het opschrift “geen geheimhoudersstuk” gedaan.

Ter toelichting op zijn standpunt over de stukken, die de raadsman tot zijn beroepsgeheim rekent, is door hem ten overstaan van de rechter-commissaris en in het bijzijn van de portefeuillehouder het volgende aangevoerd. De raadsman geeft aan dat voornoemde stukken vragen van zijn cliënt bevatten over het strafdossier, die hij nog aan de raadsman wil stellen, dan wel informatie bevatten, die zaak gerelateerd zijn, en die zijn cliënt naar alle waarschijnlijk met hem wil bespreken. Het zijn bespiegelingen van zijn cliënt en dat zijn zaken, die met zijn raadsman besproken moeten worden. De stukken zijn van dien aard dat deze niet vrijelijk aan iedereen ter beschikking moeten worden gesteld, aldus de raadsman.

Daarnaast heeft de raadsman nog gesteld dat zijn cliënt vanwege de aan hem opgelegde beperkingen nog niet de gelegenheid heeft gehad de door hem opgestelde stukken met hem te bespreken, maar dat hij deze kennelijk met dat doel op papier heeft gezet.

De portefeuillehouder heeft desgevraagd bevestigd dat hij het standpunt van de raadsman deelt, waarbij hij heeft aangegeven dat de persoon, die de stukken heeft opgesteld, daarin vragen formuleert, die bedoeld zijn om aan zijn raadsman te stellen en niet zozeer aan de recherche.

Beoordeling

Voor de beoordeling van het standpunt van de advocaat achtte de rechter-commissaris het noodzakelijk kennis te nemen van alle in beslaggenomen stukken.

De rechter-commissaris overweegt het volgende:

De aard van de bevoegdheid tot verschoning, die de raadsman als geheimhouder toekomt, brengt met zich dat de beoordeling of de onder verdachte in beslag genomen stukken onder het beroepsgeheim van de advocaat vallen, in beginsel toekomt aan de geheimhouder zelf. Zijn standpunt dient te worden geëerbiedigd, tenzij er rederlijkwijze geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.

Niet aan de orde is de vraag of de onderhavige schriftelijke bescheiden geschriften zijn die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend.

Naar het oordeel van de rechter-commissaris vallen onder het verschoningsrecht alle vertrouwelijke gegevens, die aan de verschoningsgerechtigde in het kader van zijn beroepsuitoefening zijn toevertrouwd. Het kan daarbij gaan om alle gegevens, die over en weer tussen verdachte en zijn advocaat zijn uitgewisseld, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, waarbij de advocaat ook is opgetreden in zijn hoedanigheid als advocaat en zijn cliënt in dat kader bijstaat.

De rechter-commissaris stelt vast dat geen enkel stuk, dat onder verdachte in beslag is genomen, is toevertrouwd aan de geheimhouder. Reeds om die reden is zij van oordeel dat het standpunt van de advocaat zonder redelijke twijfel onjuist is. Voor de veel ruimere uitleg van de advocaat dat ook stukken, die mogelijk bestemd zijn voor uitwisseling met hem, geheimhoudersstukken zijn, is naar het oordeel van de rechter-commissaris geen plaats.

In dat kader wordt ten overvloede nog overwogen dat uit de stukken zelf ook niet is af te leiden dat deze voor overleg met de advocaat waren bestemd. Het enkele gegeven dat een deel van de handgeschreven aantekeningen van verdachte over de strafzaak tegen hem gaan, maakt dat niet anders. Voorts bevatten sommige stukken niet alleen vragen van de verdachte, maar ook door hem geformuleerde antwoorden en de zinsnede ‘Voorbereiding verhoor’.

Het standpunt dat de stukken met vragen (en antwoorden) eerder voor overleg met de advocaat zouden zijn bestemd, dan voor de recherche, is dan ook niet zonder meer begrijpelijk.

Ten slotte volgt de rechter-commissaris de advocaat niet in zijn stelling dat verdachte nog niet in de gelegenheid is geweest de stukken met hem te bespreken vanwege de beperkingen, die aan hem waren opgelegd, nu de verdachte juist in de beperkingen wel contact mag hebben met zijn advocaat.

Gelet op het voorgaande is de rechter-commissaris van oordeel dat het standpunt van de advocaat, dat de op 14 april 2016 onder verdachte inbeslaggenomen stukken geheimhoudersstukken zijn, zonder redelijke twijfel niet juist is.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak PGB-fraude & witwassen. Overweging over rol verdachte in het bedrijf van zijn ex-echtgenote, waarbinnen de fraude zou zijn gepleegd.

Rechtbank Den Haag 26 april 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:4582 Verdachte is in de periode 2008-2010 werkzaam geweest bij bedrijf, zijnde het bedrijf van zijn ex-partner, tevens medeverdachte medeverdachte. Dit bedrijf was werkzaam in de zorg voor ouderen en gehandicapten en had diverse klanten met een Persoonsgebonden budget. Bij een reguliere controle van Zorg en Zekerheid (zorgkantoor) in 2009 zijn onregelmatigheden geconstateerd bij de urenverantwoording van drie PGB-houders, naaste familie van medeverdachte, die allen klant waren bij bedrijf.

Daarnaast zijn er bij het zorgkantoor ook twee meldingen binnengekomen van PGB-houders die bij bedrijf zorg hadden ingekocht. Deze zorg was naar mening van deze PGB-houders niet geleverd of schoot kwalitatief te kort. Eén van de twee PGB-houders heeft hiervan ook aangifte gedaan.

De onregelmatigheden bij de drie familieleden en de twee klachten waren voor het zorgkantoor aanleiding om een onderzoek te starten naar negentien andere verzekerden van wie bij het zorgkantoor bekend was dat zij hun zorg vanaf 2008 bij bedrijf hadden ingekocht. Op 7 juli 2009 zijn bij medeverdachte alle stukken opgevraagd die betrekking hadden op de ingekochte zorg. Zij heeft vervolgens urenstaten, facturen, betaalbewijzen, papieren en digitale overzichten van geleverde zorg en diverse overeenkomsten aangeleverd bij het zorgkantoor. Het zorgkantoor heeft na onderzoek van deze stukken aangifte gedaan van valsheid in geschrifte. Het onderzoek dat de politie naar aanleiding van deze aangifte heeft verricht is bekend komen te staan als 169ZILVER. In dit onderzoek is ook verdachte gehoord over zijn betrokkenheid bij het bedrijf van zijn vrouw en zijn wetenschap ten aanzien van aangetroffen onregelmatigheden in de (financiële) administratie.

De rechtbank ziet zich thans gesteld voor de vraag of de verdachte zich aan de ten laste gelegde feiten –bestaande uit valsheid in geschrift met betrekking tot een tweetal PGB-houders, cliënt 1 en cliënt 2, en het witwassen van geldbedragen– schuldig heeft gemaakt.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank zowel feit 1 als feit 2 (deels) wettig en overtuigend bewezen zal achten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte een aanzienlijke rol had bij het voeren van de administratie van het bedrijf en zo wetenschap had van de valsheid in geschrift en daarbij ook een actieve rol heeft gehad. De vele stortingen op zijn rekening en het omwisselen van het contant geld kunnen voorts niet zonder zijn wetenschap zijn gebeurd, aldus de officier van justitie.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat zijn cliënt niet intensief heeft samengewerkt met zijn ex-partner, en haar verklaringen over zijn rol in dit dossier onbetrouwbaar zijn.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1: Valsheid in geschrifte

De rechtbank zal de verdachte van de onder feit 1 primair tenlastegelegde valsheid in geschrifte vrijspreken, nu uit het dossier onvoldoende bewijs volgt voor betrokkenheid van de verdachte bij het valselijk (doen) opmaken of gebruiken van de in de tenlastelegging genoemde stukken.

Dat die stukken - urenstaten, facturen, kasbewijzen, overzichten - valselijk zijn opgemaakt staat, gelet op de verklaringen die de betrokken PGB-houders daarover hebben afgelegd, wel vast. De valsheid begint bij beide PGB-houders ermee dat er urenbriefjes zijn opgemaakt waaruit volgt dat verdachte zorg heeft verleend aan deze PGB-houders, terwijl dat niet is gebeurd.

Verdachte heeft, geconfronteerd met deze urenbriefjes, zelf ook verklaard dat deze niet kloppen. Hij heeft daarbij echter verklaard dat niet hij, maar zijn ex-partner medeverdachte deze stukken heeft opgemaakt en daarop zijn handtekening heeft nagemaakt. Desgevraagd heeft hij daarover gezegd dat zijn vrouw zijn handtekening vaker namaakte, maar dat hij daar geen problemen mee had omdat hij zijn vrouw vertrouwde. Van de genoemde valse stukken was hij echter niet op hoogte, aldus verdachte. Hij heeft wel bij haar in het bedrijf gewerkt als zorgverlener, maar bemoeide zich niet met de administratie.

De meest belastende verklaring tegen verdachte is de verklaring van zijn ex-partner, medeverdachte. Zij heeft zich bij de politie beroepen op haar zwijgrecht, maar in een later stadium van het onderzoek een schriftelijke verklaring afgelegd waarin ze, samengevat, heeft uiteengezet dat verdachte degene was die het hele administratieve gedeelte van het bedrijf voor zijn rekening nam en tegen haar wil in valsheid in geschrifte pleegde. Verdachte zou volgens haar ook over de bankpassen en bankgegevens van de PGB-houders hebben beschikt, en in overleg met de betrokken PGB-houders, die wel geld maar geen zorg wilden, valse stukken hebben opgemaakt om het ontvangen geld naar het Zorgkantoor te verantwoorden.

De rechtbank stelt vast dat deze verklaring van medeverdachte geen bevestiging vindt in de verklaringen van andere getuigen over de gang van zaken binnen bedrijf.

Getuige getuige 1, eigenaar van een zorgbedrijf in Amsterdam dat heeft samengewerkt met bedrijf, kent verdachte als de partner van medeverdachte. Zij huurde hem soms in om cliënten te begeleiden in de dagbesteding. Zij heeft verklaard dat medeverdachte verpleegkundige was en de enige was die alles deed. Er waren wel mensen bij bedrijf betrokken, maar volgens haar regelde medeverdachte alles als enige. Ze denkt dat verdachte er meer was als de man van medeverdachte en niet als zorgverlener. Ze sprak met hem nooit over bedrijf. getuige 1 weet wel dat verdachte dingen deed voor klanten van medeverdachte, en als medeverdachte bij haar kwam om te praten, bijvoorbeeld over een brief van het Zorgkantoor, dan zat verdachte er wel bij, maar medeverdachte was degene die de administratie zou moeten doen. Volgens getuige 1 nam medeverdachte de beslissingen.

Getuige getuige 2 heeft verklaard dat hij door medeverdachte rond april 2009 is benaderd om haar administratie op orde te maken. Hij heeft alle stukken/data van haar gekregen. Het was voor hem duidelijk dat zij de administratie alleen deed. Hij heeft wel met verdachte gesproken over de administratie. Verdachte zei al snel dat het te moeilijk was voor hem, aldus getuige 2. Deze getuige heeft daarnaast ook verklaard dat verdachte mee heeft geholpen met op volgorde leggen van bonnetjes op zijn kantoor, samen met een aantal nichtjes van medeverdachte. Verdachte heeft, hiermee ter terechtzitting geconfronteerd, verklaard dat hij daar een aantal keren bij is geweest toen familieleden van medeverdachte met de administratie bezig waren omdat dit in de avond was en het ging om nichtjes van 14 jaar, waar hij dan op moest passen terwijl ze daar aan het werk waren.

Voorts hebben een aantal getuigen die in het bedrijf hebben gewerkt als zorgverlener verklaard over wat zij hebben gezien van de rol van verdachte in het bedrijf.

Getuige 3 en getuige 4 hebben verklaard te hebben gezien dat verdachte af en toe een beetje de administratie deed. getuige 5 beschrijft zijn rol als achtervang voor zijn vrouw, welke rol bestond in het verlenen van hand- en spandiensten, zoals het bemannen van de telefooncentrale als zij er niet was. Zakelijk gezien had hij er volgens haar niets mee te maken. getuige 6, een toenmalig buurvrouw van verdachte en medeverdachte die ook actief was als zorgverlener voor het bedrijf, heeft verklaard verdachte wel in het bedrijf gezien te hebben, maar weinig. Ze zag hem een keer bij het installeren van een oven, toen ze net waren begonnen. getuige 7, die tien maanden gedurende meerdere dagen per week stage heeft gelopen, heeft verklaard dat verdachte wel eens langs kwam, minder dan elke dag. Hij zat dan achter het bureau in het kantoortje, zij weet niet wat hij daar deed. Ze sprak met hem over koetjes en kalfjes, of ze het leuk vond op stage. Ook heeft hij wel eens gevraagd of ze een stagevergoeding kreeg van medeverdachte. Zij denkt dat hij daarna met medeverdachte heeft gesproken en dat ze toen een vergoeding kreeg van 50 euro per maand.

Getuige 8 ten slotte, die een jaar stage heeft gelopen bij bedrijf, verklaart dat verdachte wel eens op het bedrijf kwam, zij weet niet meer hoe vaak. Hij kwam binnen, maakte een praatje en bracht wel eens een cliënt naar huis. Zij heeft naast haar stage administratief werk gedaan in de avonden, toen het een beetje een puinhoop werd. Zij hielp medeverdachte dan met het kopiëren van bonnetjes en het op orde leggen en zorgen dat ze kloppen op datum. Zij heeft ook wel eens bonnen ingevoerd bij ene Mark op zijn kantoor in Leiden. medeverdachte had haar gevraagd om dit te doen. Volgens haar heeft medeverdachte haar verteld dat daarvoor iemand anders het gedaan, een neef van medeverdachte.

De rechtbank is van oordeel dat uit genoemde getuigenverklaringen niet kan worden afgeleid dat verdachte een rol in het bedrijf heeft gehad zoals die hem door medeverdachte wordt toebedeeld, zijnde degene die deze fraude buiten haar om en tegen haar wil heeft gepleegd en de stukken daartoe heeft opgemaakt of doen opmaken. Deze verklaring van medeverdachte acht de rechtbank dan ook niet geloofwaardig.

Hoewel er getuigen zijn die verklaren dat verdachte wel iets aan de administratie heeft gedaan, kan de rechtbank daaraan ook niet het bewijs ontlenen dat hij samen met medeverdachte bewust en nauw heeft samengewerkt bij het plegen van valsheid in geschrifte. De verklaringen zijn daarvoor te algemeen. In geen van de verklaringen komt naar voren dat verdachte zich actief bemoeide met de bedrijfsvoering of met de wijze waarop door anderen de administratie is uitgevoerd.

De rechtbank spreekt verdachte ook vrij van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde gebruik maken van valse stukken, nu ook daarvoor het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.

Feit 2: Witwassen

Ten aanzien van het ten laste gelegde witwassen overweegt de rechtbank dat uit de vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde volgt dat naar het oordeel van de rechtbank de verdachte geen strafrechtelijke betrokkenheid heeft gehad bij de fraude met PGB-documenten die gepleegd werd in het bedrijf van zijn ex-partner medeverdachte. De rechtbank heeft zijn ex-partner bij vonnis van heden wel veroordeeld voor deze valsheid in geschrifte, alsmede voor verduistering van PGB-gelden en het witwassen van met deze misdrijven verkregen gelden.

De rechtbank dient, nu verdachte tevens in dit bedrijf werkzaam was en met zijn ex-partner ten tijde van deze strafbare feiten een gezamenlijk huishouden voerde, te onderzoeken of hij zich heeft schuldig gemaakt aan het (mede)plegen van witwassen.

Verdachte heeft verklaard dat hij voor zijn werkzaamheden in dit bedrijf, voornamelijk het vervoeren van cliënten, door zijn ex-partner per bank werd uitbetaald op zijn eigen bankrekening. Als ze op vakantie gingen naar Marokko nam hij contant geld mee dat hij in Marokko wisselde voor Dirhams en dan op zijn Marokkaanse bankrekening stortte en er vervolgens in Marokko mee betaalde. Hij heeft verklaard niet geweten te hebben wat zijn vrouw verdiende met het bedrijf. Zij hield alles over haar bankrekeningen stil. In haar bankafschriften had hij geen inzage, deze werden bezorgd op het adres van haar ouders.

De officier van justitie heeft er op gewezen dat verdachte wel wetenschap heeft gehad over de criminele herkomst, onder andere vanwege de rol die de officier verdachte heeft toegedicht in de valsheid in geschrifte, en gelet op verdachtes verklaring dat hij van zijn ex-partner geld van zijn rekening moest halen om te voorkomen dat dit in beslag zou worden genomen. Verdachte heeft dit inderdaad verklaard, maar de rechtbank leest deze verklaring aldus (p. 3245 bovenaan) dat dit gaat over ná het moment waarop de politie hun huis had doorzocht en daar contant geld in beslag had genomen. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij pas sinds die dag doorkreeg dat hetgeen wat zijn vrouw deed niet klopte.

De rechtbank heeft in het dossier geen bewijs aangetroffen waaruit kan worden afgeleid dat verdachte eerder geweten moet hebben van de frauduleuze praktijken in het bedrijf van zijn vrouw en het geld dat daarmee verdiend werd. De rechtbank acht in dit verband ook van belang dat in dat bedrijf ook op legale wijze geld werd verdiend door het verlenen van zorg aan een groot (en snel groeiend) aantal cliënten, onder andere door verdachte zelf. Derhalve kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte geld voorhanden heeft gehad, omgewisseld en overgemaakt, terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit geld van misdrijf afkomstig was.

De rechtbank zal de verdachte daarom ook van dit feit vrijspreken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Beroep tegen sanctie voor rijden met een bestelbus in milieuzone van de gemeente Utrecht gegrond verklaard

Rechtbank Midden-Nederland 18 april 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:2930

Aan betrokkene is een sanctie opgelegd van € 90,00 wegens het rijden in strijd met een geslotenverklaring voor motorvoertuigen op meer dan 2 wielen, bord C6 bijlage I RVV 1990. Het gaat om een gedraging, verricht op 1 mei 2015 om 14:17 uur te Utrecht (Maliesingel/Maliebaan 1) met een bestelbus.

Bij beslissing op het administratief beroep heeft de officier van justitie de aan betrokkene opgelegde administratieve sanctie gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard.

Betrokkene voert onder meer de volgende gronden aan. Vooraf heeft hij bij de gemeente geïnformeerd en hem werd medegedeeld dat hij met zijn voertuig zonder de milieuzone in te rijden het spoorwegmuseum kan bezoeken. Een bord C6 is hij niet gepasseerd. Verder blijkt uit de foto’s dat deze zijn genomen na zijn bezoek aan het spoorwegmuseum, zodat ook om die reden geen sprake kan zijn van het rijden in strijd met een geslotenverklaring.

De officier van justitie heeft ter zitting verzocht de sanctie te matigen tot € 45,-.

De kantonrechter komt tot het volgende oordeel:

Gelet op hetgeen betrokkene onderbouwd met stukken heeft aangevoerd en ter zitting nader toegelicht, bestaat er bij de kantonrechter twijfel dat de gedraging is verricht.

De kantonrechter verklaart het beroep gegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^