Nietigheid dagvaarding bij niet vermelden strafuitsluitingsgrond?

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26 mei 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:2117 Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

  1. zij op of omstreeks 7 september 2011 in pleegplaats, in strijd met het bepaalde in artikel 2 lid 1 van het Varkensbesluit, 376, in elk geval een aantal, varkens, als bedoeld in genoemd besluit, heeft gehouden anders dan in afzonderlijke groepen.
  2. zij op of omstreeks 7 september 2011 in pleegplaats, in strijd met het bepaalde in artikel 2 lid 2 van het Varkensbesluit, 840, in elk geval een aantal, varkens, als bedoeld in artikel 1 van genoemd besluit, heeft gehuisvest, die niet konden beschikken over een vloeroppervlakte van tenminste 0,3 m2 per varken.

Geldigheid van de dagvaarding van het onder 1 ten laste gelegde

De raadsman heeft betoogd dat de dagvaarding ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit niet geldig is omdat in de dagvaarding niet is opgenomen dat de uitzonderingen, die in de regelgeving zijn opgenomen op de verplichte groepshuisvesting die artikel 2a lid 1 van het Varkensbesluit voorschrijft, niet van toepassing zijn in het onderhavige geval.

Het hof overweegt als volgt:

Artikel 2a van het Varkensbesluit luidt ten tijde van het ten laste gelegde, voor zover thans van belang, als volgt:

1. Gespeende varkens, gebruiksvarkens, gelten en zeugen worden in afzonderlijke groepen gehouden.

 

Artikel 2b van voornoemd Varkensbesluit luidt:

1. In afwijking van artikel 2a, eerste lid, is het toegestaan:

a. een zeug ten behoeve van het zogen van de biggen, tezamen met de biggen, individueel te houden;

b. een gelt of zeug individueel te houden vanaf:

1° één week vóór het berekende tijdstip van werpen tot het tijdstip van werpen;

2° vanaf het spenen tot en met vier dagen na de dag van natuurlijke dekking of kunstmatige inseminatie;

c. gespeende varkens, gebruiksvarkens, gelten of zeugen tijdelijk af te zonderen van de groep voor de tijdspanne die nodig is:

1° voor het om gezondheidsredenen onderzoeken of behandelen van het varken;

2° voor het drachtigheidsonderzoek of het collecteren van sperma;

3° voor identificatie, wassen, ontsmetten of wegen van het varken;

4° voor voeropname;

5° om de stal te reinigen;

d. varkens tijdelijk af te zonderen van de groep indien de varkens buitengewoon agressief zijn, of ziek of gewond zijn, dan wel door andere varkens zijn aangevallen.

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de uitzonderingen die artikel 2b van het Varkensbesluit maakt op de door artikel 2a van het Varkensbesluit voorgeschreven zogenaamde groepshuisvesting, dienen te worden beschouwd als bestanddelen van het verbod om zeugen anderszins te huisvesten, of slechts als een strafuitsluitingsgrond.

In het eerste geval dienen de uitzonderingen in de tenlastelegging te worden opgenomen en

in het andere geval zijn de uitzonderingen te kwalificeren als strafuitsluitingsgronden die niet in de tenlastelegging behoeven te worden vermeld.

Voor de beantwoording van voornoemde vraag is van belang dat de wettelijke grondslag van het Varkensbesluit is gelegen in artikel 35 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, welk artikel is ingegeven door de Richtlijn van de Raad van 19 november 1991 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens (91/630 EEG, PbEG nr. L. 340/33) en welke is gewijzigd bij de Richtlijn 2001/88/EG van de Raad van 23 oktober 2001.

Artikel 35 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren bepaalt ten tijde van het ten laste gelegde:

1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld omtrent de wijze waarop dieren van bij die maatregel aangewezen soorten of categorieën van dieren mogen worden gehouden. 2. De krachtens het eerste lid gestelde regelen kunnen onder meer betrekking hebben op: a. het vastleggen of aangebonden houden van dieren; b. het gescheiden houden van dieren van verschillende leeftijd, geslacht of soort; c. de ruimte waarover dieren moeten kunnen beschikken.

De Richtlijn, zoals deze oorspronkelijk luidde, bepaalde in artikel 3, voor zover thans van belang:

De Lid-Staten zien erop toe dat:

2. het na 31 december 1995 verboden is installaties te bouwen of in te richten waarin zeugen en gelten worden aangebonden.

Deze bepaling luidt na wijziging van de Richtlijn, voor zover thans van belang, als volgt:

De lidstaten zien op het volgende toe:

(…)

3. Het bouwen van of verbouwen tot voorzieningen waar zeugen en gelten worden aangebonden, is verboden. Met ingang van 1 januari 2006 is het aanbinden van zeugen en gelten verboden.

4 a. Zeugen en gelten worden in groepen gehouden vanaf vier weken na het dekken tot één week vóór de verwachte werpdatum. (…)

Artikel 11 van de Richtlijn biedt de lidstaten de mogelijkheid om strengere voorschriften toe te passen op hun grondgebied dan de richtlijn voorschrijft.

Naar het oordeel van het hof volgt uit de totstandkoming van de onderhavige wetgeving dat de toepasselijke gelede normstelling ruimte biedt aan de wetgever tot specifieke invulling van de strafbaarstelling van de toepasselijke norm. Uit de nota van toelichting bij het Varkensbesluit (NvT bij het Besluit van 15 november 1997 houdende wijziging van het Varkensbesluit, Staatsblad 1998, 213, p. 7) volgt dat Nederland van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, onder meer door verplichte groepshuisvesting in te voeren.

Het hof stelt vast dat het Varkensbesluit is gebaseerd op een algemener geformuleerd verbod dat is neergelegd in de Richtlijn.

Op het door de nationale wetgever in artikel 2a neergelegde gebod om over te gaan tot groepshuisvesting van zeugen worden in het apart geredigeerde artikel 2b uitzonderingen gemaakt.

Deze uitzonderingen betreffen omstandigheden waaronder inbreuk kan worden gemaakt op de algemene norm van het houden van varkens in groepshuisvesting. De wetgever heeft derhalve gekozen voor een redactionele opzet waarbij in artikel 2b uitzonderingen staan geformuleerd op de algemene norm zoals verwoord in artikel 2a. Daaruit leidt het hof af dat de uitzonderingen zoals geformuleerd in artikel 2b geen deel uitmaken van de delictsomschrijving, maar moeten worden beschouwd als strafuitsluitingsgronden. Deze hoeven niet in de tenlastelegging te worden opgenomen. Het verweer van de raadsman faalt.

Vrijspraak

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet aannemelijk heeft gemaakt dat het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van verbalisanten verbalisant 1 en verbalisant 2, alsook hun verklaringen zoals afgelegd ter terechtzitting van de economische politierechter, niet op waarheid berusten. In het bijzonder heeft de verdediging volgens de advocaat-generaal ter zake van het onder 1 ten laste gelegde niet aannemelijk gemaakt dat alle 376 zeugen drachtig waren, zodat de uitzondering van artikel 2b, lid 1, onder b sub 1°, van het Varkensbesluit van toepassing is en de zeugen niet in groepen gehuisvest hoefden te worden.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de verdachte evenmin aannemelijk gemaakt dat de beschikbare ruimte per varken in overeenstemming was met de regelgeving, gelet op het gewicht van de varkens. De advocaat-generaal acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde – kort gezegd – betoogd dat vanwege het systeem waarop de verdachte varkens houdt, te weten een vijf weken-systeem (waarin de werkzaamheden insemineren, spenen, geboorte en twee keer controle worden verdeeld over een periode van vijf weken), te verklaren is dat de 376 zeugen (op een zeugenpopulatie van 2000 zeugen) gelijktijdig drachtig waren. Dat al die zeugen drachtig waren en in de laatste week van hun dracht waren, bleek uit de hokkaarten die boven de hokken hingen, maar die de verbalisanten kennelijk niet (afdoende) hebben gecontroleerd. Daarmee is de uitzondering van artikel 2b, lid 1, onder b sub 1°, van het Varkensbesluit van toepassing en was groepshuisvesting niet verplicht. De verbalisanten hebben onvoldoende onderzocht of deze, of andere, uitzondering(en) die zijn opgenomen in het Varkensbesluit zich voordeden, terwijl dat wel hun taak was en niet die van de verdediging.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman – kort gezegd – gesteld dat de bevindingen van de verbalisanten onjuist zijn en de verklaringen van beide verbalisanten over bijvoorbeeld de wijze waarop is gemeten bovendien niet met elkaar overeen stemmen. De verdachte heeft het aantal door de verbalisanten getelde dieren (verdachte stelt dat er meer dieren aanwezig waren), de gemeten oppervlakte (de wijze van het meten van de verschillende soorten hokken) en het door de verbalisanten geschatte gewicht van de biggen betwist (verdachte stelt dat het gewicht van de biggen lager was).

Ter terechtzitting van het hof heeft de vertegenwoordiger van de verdachte, vertegenwoordiger van de verdachte, beide ten laste gelegde feiten ontkend en erop gewezen dat hij de verklaringen die hij volgens de verbalisanten heeft afgelegd, niet heeft nagelezen en niet heeft ondertekend.

Gelet op al het voorgaande heeft de raadsman verzocht de verdachte van beide feiten vrij te spreken.

Oordeel hof

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Uit het door verbalisanten verbalisant 1 en verbalisant 2 opgemaakte proces-verbaal komt naar voren dat zij op 7 september 2011 een controle hebben uitgevoerd op het bedrijf van de verdachte aan de adres verdachte Dit was naar aanleiding van een melding van het niet juist aanbieden van een kadaver door dochteronderneming verdachte te vestigingsplaats dochteronderneming verdachte, zijnde een dochteronderneming van de verdachte.

De verbalisanten hebben gerelateerd dat zij op de adres verdachte de heer vertegenwoordiger van de verdachte zagen die hen toestemming gaf voor de controle. vertegenwoordiger van de verdachte kon zelf vanwege zijn werkzaamheden niet meelopen. In stal 2 zagen de verbalisanten 376 individueel gehuisveste zeugen waarachter hopen mest lagen. Bovendien lag er stof op de sluitingen van de achterpoorten. Volgens de verbalisanten waren dit aanwijzingen voor hun vermoeden dat de zeugen niet in groepshuisvesting werden gehouden.

De controle werd vervolgd in de hokken waar gespeende varkens lagen. De hokken werden opgemeten. Gerelateerd is dat in 32 hokken 20 gespeende varkens aanwezig waren. De vloeroppervlakte was 4,5 m². Verderop waren nog 20 hokken. Melding wordt gemaakt van een vloeroppervlakte van 3,0 m²; in 10 hokken waren 13 gespeende varkens aanwezig en in 10 hokken waren 14 gespeende varkens aanwezig.

Verbalisant verbalisant 1 heeft vervolgens geverbaliseerd dat hij op 14 september 2011 een verklaring van vertegenwoordiger van de verdachte heeft opgenomen, onder meer inhoudende:

“Met betrekking tot de groepshuisvesting ging ik ervan uit dat dit pas in 2013 moest. De regels in het Varkensbesluit, daar ben ik niet van de op de hoogte, het is me te complexe regelgeving. De oppervlakte normen doe ik op het oog, ik wist wel dat er normen waren maar precies welke weet ik niet.”

Op 12 december 2011 vond een hercontrole plaats. verbalisant 1 heeft gerelateerd dat vertegenwoordiger van de verdachte op die dag eveneens een verklaring heeft afgelegd, onder meer inhoudende: “Ik ben nog bezig met de drachtige zeugen te laten wennen aan de groepshuisvesting, alleen bleek het hekwerk niet sterk genoeg en moet ik dat eerst laten aanpassen, als dat in orde is ga ik de drachtige zeugen weer in groepshuisvesting laten lopen.”

verbalisant 1 en verbalisant 2 zijn in eerste aanleg gehoord door de economische politierechter te Roermond nadat namens de verdachte de inhoud van het proces-verbaal van de verbalisanten was betwist. verbalisant 1 heeft onder meer verklaard:

Ten aanzien van feit 1:

“De 376 zeugen zaten in de dragende zeugenstal. Bij een controle worden geen zeugen gescand om vast te stellen of ze drachtig zijn.(..) De kaarten die boven de zeugen in de stal hingen, zijn steekproefsgewijs gecontroleerd. (..) Bij een controle wordt gekeken of een van de uitzonderingen voor groepshuisvesting van toepassing is. (..) Ik kan niet met zekerheid

verklaren hoeveel zeugen drachtig waren. De zeugen zijn niet gescand. Ik weet niet of middels scannen kan worden vastgesteld hoelang een zeug drachtig is. vertegenwoordiger van de verdachte heeft ons destijds rondgeleid en heeft meegedeeld, hier liggen drachtige zeugen.”

Ten aanzien van feit 2:

“De hokken worden gemeten met een digitale meter, die vervolgens het vloeroppervlakte berekent. (..) De digitale meter waarmee de hokken zijn gemeten, is niet geijkt. De heer vertegenwoordiger van de verdachte was bij het meten van de hokken aanwezig.(..) Het klopt dat er drie soorten hokken zijn qua maatvoering. Er is een klein aantal hokken gemeten. De biggen die te zwaar waren zijn niet gewogen, maar ik kan het verschil zien of een big 15 kg weegt of 25 kg. (..) De controle is uitgevoerd met een niet geijkte meter en er is geen gebruik gemaakt van een weegschaal. Mogelijk is de meting niet goed, maar anders is de controle onuitvoerbaar.”

verbalisant 2 heeft onder meer verklaard:

Ten aanzien van feit 1:

“Ik heb niet gezien dat sprake was van een van de uitzonderingsbepalingen. (..) Ik weet niet of er hokkaarten waren waarop ik dat had kunnen controleren. (..) Ik heb niet gecontroleerd of de 376 zeugen drachtig waren. (..) Of de uitzondering van toepassing is dat de zeugen vanaf één week voor het berekende tijdstip van werpen tot het tijdstip van werpen apart mogen worden gehouden, zou ik normaal gesproken controleren middels de administratie die aan de hokken hangt.”

Ten aanzien van feit 2:

“Op grond van mijn ervaring kan ik inmiddels onderscheid maken tussen varkens van 15 kg en varkens van 30 kg. (..) Ik meet de hokken met een rolmaat. Ik meet de hokken vaak met mijn collega. Een persoon houdt de rolmaat tegen de achterwand van het hok en de ander leest de rolmaat af. (..) Of wij toen digitaal of met een rolmaat hebben gemeten weet ik niet meer. Ik denk niet dat we alle hokken hebben gemeten. (..) Verdachte was niet bij het meten aanwezig. (..) Het gewicht van de biggen is geschat.”

Het hof stelt vast dat het door verbalisant 1 en verbalisant 2 opgemaakte proces-verbaal op belangrijke punten verschilt van de verklaringen die deze verbalisanten hebben afgelegd ter terechtzitting van de economische politierechter, terwijl die laatste verklaringen inhoudelijk op belangrijke punten evenmin met elkaar overeenkomen. Zo volgt uit het proces-verbaal dat vertegenwoordiger van de verdachte de verbalisanten niet kon rondleiden over zijn bedrijf, terwijl verbalisant 1 tegenover de economische politierechter heeft verklaard dat vertegenwoordiger van de verdachte dat wel heeft gedaan. verbalisant 2 heeft verklaard dat vertegenwoordiger van de verdachte niet bij het meten van de hokken aanwezig was. vertegenwoordiger van de verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij de verbalisanten niet heeft rondgeleid op het bedrijf te adres verdachte, omdat hij te vestigingsplaats dochteronderneming verdachte aan het werk was.

Ook heeft hij verklaard dat boven de hokken hokkaarten van de zeugen hingen. Uit het proces-verbaal blijkt in het geheel niet dat deze aanwezig waren en zijn gecontroleerd. verbalisant 1 heeft in eerste aanleg verklaard dat hij de hokkaarten steekproefsgewijs heeft gecontroleerd, maar wat het resultaat was van die bevindingen volgt niet uit het proces-verbaal. De zeugen zijn niet gescand.

Verbalisant 2 heeft tegenover de economische politierechter verklaard dat hij niet weet of er hokkaarten aanwezig waren waarop hij had kunnen controleren of en hoeveel zeugen drachtig waren. Hij heeft verklaard dat hij in het geheel niet heeft gecontroleerd of de zeugen drachtig waren.

Ten aanzien van de wijze waarop is gemeten volgt uit het proces-verbaal van verbalisant 1 en verbalisant 2 niets. verbalisant 1 heeft tegenover de economische politierechter verklaard dat is gemeten met een niet geijkte digitale meter, terwijl verbalisant 2 aanvankelijk heeft verklaard dat hij met de rolmaat heeft gemeten en even later dat hij niet meer weet of digitaal of met een rolmaat is gemeten. Niet blijkt bovendien onomstotelijk dat alle hokken zijn gemeten, welke hokken wel zijn gemeten, hoe dit is gebeurd en voor welke hokken de twee in het proces-verbaal van de verbalisanten genoemde vloeroppervlaktes golden.

De conclusie luidt dan ook dat de bevindingen van de verbalisanten op essentiële onderdelen niet eenduidig zijn. Ander bewijs dat (een deel van) de verwijten die aan de verdachte worden gemaakt kan ondersteunen ontbreekt.

Er zijn geen foto’s genomen van de aanwezige hokken en de wijze waarop de hokken zijn gemeten, terwijl ook tekeningen en/of plattegronden van de stallen en de inrichting daarvan ontbreken. Evenmin zijn kopieën gemaakt van de hokkaarten die volgens vertegenwoordiger van de verdachte aanwezig waren in de stal (of is melding gemaakt van het ontbreken van die hokkaarten) en ook is de administratie van de verdachte, waaruit kan blijken wat het gewicht is van de in de onderneming van de verdachte aanwezige dieren op het moment dat zij worden vervoerd, niet onderzocht.

Voorts is er voor gekozen, zoals wel vaker in zaken als de onderhavige, om de verklaring die de vertegenwoordiger van de verdachte, vertegenwoordiger van de verdachte, zou hebben afgelegd, niet afzonderlijk op te tekenen, die verklaring aan hem voor te lezen en door hem te laten ondertekenen, maar om een samenvatting van deze verklaring in de vorm van een proces-verbaal van bevindingen vast te leggen. Hoewel zo’n proces-verbaal op ambtseed wordt opgemaakt, bergt een dergelijke handelwijze het risico dat nuances en details ontbreken en dat de betrokkene pas achteraf van zijn opgetekende verklaring kennis kan nemen en deze niet meer tijdig kan corrigeren, waarmee de opgetekende verklaring aan overtuiging kan inboeten.

In het licht van de door de vertegenwoordiger van de verdachte ter terechtzitting van het hof afgelegde verklaring over het verloop van de controles, de wijze waarop de verdachte varkens houdt en de wijze waarop de administratie wordt gevoerd, is het hof van oordeel dat het door verbalisanten verbalisant 1 en verbalisant 2 verrichte onderzoek en/of hetgeen zij daarover direct na de verschillende controles hebben gerelateerd, volstrekt onvoldoende is geweest.

Dat klemt temeer nu zij nadien, tegenover de economische politierechter, niet eenduidig hebben verklaard over hun bevindingen bij de onderneming van de verdachte.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het – in geval sprake is van een gebrekkig proces-verbaal en verklaringen van verbalisanten over dat proces-verbaal en de feitelijke gang van zaken tijdens de controle elkaar feitelijk en op essentiële onderdelen tegenspreken – niet aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat de verwijten onjuist zijn. Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een veroordeling van het onder 1 en 2 ten laste gelegde te komen. Het hof spreekt de verdachte om die reden vrij.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Visfraude: platvis Yellowfinsole werd gefactureerd als 'schol'. Hof vernietigt eerdere vrijspraak. Rechtsgang heeft te lang geduurd. Afdoening middels geldboete.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4335

Verdachte, een rechtspersoon die handelt in vis, heeft zich samen met een andere rechtspersoon meermalen schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door op facturen een onjuiste benaming voor de geleverde vis te vermelden. Hierdoor wordt de mogelijkheid geschapen om de verdere keten van afnemers en consumenten waarin die vis terecht komt te misleiden voor wat betreft de precieze soort en herkomst van die vis, zonder acht te slaan op bijvoorbeeld het belang van eindgebruikers om volledig inzicht te krijgen in het product en zodoende geïnformeerd te kunnen beoordelen welk product zij kopen en consumeren.

De oorspronkelijke insteek van het onderzoek was de verdenking dat structureel sprake is geweest van het door verdachte declareren van een te hoge prijs voor de geleverde vis, maar die verdenking heeft geen stand kunnen houden en is daarom ook niet vertaald in de tenlastelegging van daarop betrekking hebbende feiten. De achtergrond van de handelwijze van verdachte lag in het behoud van haar klanten. Vanwege de beperkingen op de vangst van Noordzeeschol en de daardoor ontstane druk op de prijs daarvan (terwijl de vraag ernaar gelijk was gebleven) zochten deze klanten naar alternatieven. Dat alternatief werd gevonden in andere, op Noordzeeschol gelijkende, vissoorten. Met dat alternatief als zodanig was niets mis. De handelwijze van verdachte heeft echter eraan bijgedragen dat de herkomst en soortaanduiding van de verhandelde alternatieve vissoorten onvoldoende duidelijk waren met als (mogelijk) gevolg dat de alternatieve vissoorten op de markt werden gebracht als Noordzeeschol zonder dat de controlerende instanties dat eenvoudig konden ontdekken. Het particuliere economische belang van verdachte dat van zijn afnemers werd daardoor gediend: de handel bleef immers gaande. Het belang van de Nederlandse visserij in het algemeen en het belang van de uiteindelijke consument werden daardoor echter ernstig geschaad omdat op de juistheid van door Nederlandse vishandelaren verstrekte informatie kennelijk niet meer ten volle kon worden vertrouwd.

Partiële nietigheid van de dagvaarding

Met de raadsman en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de dagvaarding voor wat betreft het gedeelte "met (een) andere rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijke perso(o)n(en)" nietig dient te worden verklaard.

Oordeel hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen.

Facturen

In de administratie van verdachte zijn de in de tenlastelegging onder d, e en f genoemde facturen aangetroffen. In de administratie van medeverdachte bedrijf 1 (thans bedrijf 1 ) zijn de facturen onder a, b, c, cc, dd, ee, ff, g, h en i aangetroffen. In de administratie van bedrijf 2 zijn de facturen genoemd onder aa, bb, gg, hh, en ii aangetroffen.

Deze facturen zijn afschriften van de aan de klanten van deze rechtspersonen verzonden facturen. Uit de processen-verbaal blijkt dat facturen die zijn aantroffen in de administratie van deze rechtspersonen voor wat betreft de inhoud identiek zijn aan de door deze rechtspersonen opgemaakte en aan haar klanten verzonden facturen. Gelet op dat gegeven begrijpt het hof de tenlastelegging zo dat de aldaar genoemde facturen zien op zowel het afschrift dat in de administratie van deze rechtspersonen is aangetroffen als op de originele factuur die aan hun klanten is verstuurd.

Wetgeving

In deze zaak is niet tenlastegelegd overtreding van enige bepaling van de regelgeving inzake de visserij, maar valsheid in geschrift. Niettemin is die visserijregelgeving van belang voor de beoordeling van de zaak omdat deze bepalingen bevat inzake de benaming van vissoorten en het belang van het juiste gebruik van die benamingen.

In artikel 4 lid 1 Verordening (EG) Nr. 104/2000 is vastgelegd dat vis slechts aan de eindgebruiker mag worden aangeboden door middel van adequate affichering of etikettering en onder verstrekking van de gegevens inzake de handelsbenaming van de betrokken soort, de productiemethode en het vangstgebied. In artikel 4 lid 2 van deze Verordening is vastgelegd dat de lidstaten een lijst van handelsbenamingen moeten opmaken, welke lijst moet bevatten voor iedere vissoort de wetenschappelijke benaming en de benaming in de officiële taal van de lidstaat. Waar dat aangewezen is, is er uitvoering gegeven aan deze verordening in de Nederlandse Warenwetregelgeving.

In de Warenwetregeling handelsbenamingen vis was ten tijde van de ten laste gelegde feiten als bijlage opgenomen de zojuist bedoelde lijst. Deze bevat, onder andere, de volgende benamingen:

Wetenschappelijke naam Handelsbenaming

  1. Pleuronectiformes (Platvissen)

7.7.1. Limanda limanda Schar

7.7.2. Limanda aspera Japanse schar

7.8. Pleuronectes platessa Schol, Pladijs

7.9. Lepidopsetta bilineata Pacifische Schol

In artikel 8 van Verordening (EG) Nr. 2065/2001 is vastgelegd dat de vereiste gegevens inzake de handelsbenaming en het vangstgebied in elk stadium van de afzet van de betrokken soort beschikbaar moeten zijn. Die gegevens moeten worden verstrekt door etikettering, verpakking of begeleidend handelsdocument, met inbegrip van de factuur.

Door verbalisanten is onderzocht welke handelsbenamingen in de diverse landen die in het onderzoek een rol speelden, ingevolge genoemd artikel 4 lid 2 van Verordening (EG) 104/2000 dienen te worden gehanteerd. Dat heeft geleid tot het volgende overzicht:

Uit deze regelgeving blijkt dat de leidende gedachte is dat geen verwarring mag ontstaan over de exacte soort vis die verhandeld wordt en, uiteindelijk, aan de consument wordt aangeboden.

Inhoud van de facturen en opzet op de valsheid

Op alle in de tenlastelegging genoemde facturen, met uitzondering van de facturen genoemd onder d, e en f staat telkens vermeld “Schol’ en/of ‘Scholle’ en/of ‘Scholfilet’ en/of ‘Scholfilets’ en/of ‘Scholrollen’ en/of ‘Kutterschol’ en/of schollenfil. en/of Schollenfilets en/of ‘scholle natur’.

Op de facturen genoemd onder d, e, en f staat telkens Rocksole vermeld.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat in alle op de tenlastelegging genoemde gevallen geen Pleuronectes Platessa maar een andere vissoort is geleverd. Het gaat dan om Yellowfinsole of Rocksole. De term Yellowfinsole komt in voornoemde regelgeving niet voor, maar niet in geschil is dat met die term bedoeld wordt de Limanda Aspera (wetenschappelijke naam), zijnde de Japanse schar (Nederlandse handelsbenaming).

Op de facturen in kwestie (behoudens die onder d, e en f) komt in de omschrijving van de gefactureerde vis voor het woord "schol" of "Scholle". De toevoegingen aan dat woord ("filet", "filets", "rollen", "Kutter", "fil" en "natur") zijn voor de beoordeling van deze zaak niet van belang. Het gaat om het centrale begrip "schol". De vraag is of die handelsbenaming vals en misleidend was.

In de hiervoor aangehaalde terminologie komt de aanduiding "schol" uitsluitend voor als aanduiding voor de vissoort die wordt aangeduid met de Latijnse naam Pleuronectes Platessa (in het spraakgebruik en daarom ook hierna wel aangeduid als Noordzeeschol) en, maar dan in verbinding met het begrip "Pacifische", voor de vissoort Lepidopsetta bilineata. Alleen bij de aanduiding van de Noordzeeschol kan dus volstaan worden met hantering van het woord "schol" zonder verdere toevoeging.

Medeverdachte 2, bestuurder van verdachte, heeft namens verdachte verklaard dat Yellowfinsole niet dezelfde vissoort is als de Noordzeeschol, hem ook wel bekend als Pleuronectes Platessa. Vóór de introductie van Yellowfinsole en Rocksole was dat de enige scholachtige vissoort die werd verhandeld, aldus medeverdachte 1. Hij heeft voorts verklaard dat hij met Yellowfinsole de vis bedoelt met de Latijnse benaming Limanda Aspera. Bij de politie heeft medeverdachte 1 bovendien, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij Yellowfinsole verkocht als schol en dat hij dat wel moest doen om zijn klanten te behouden.

Regelgeving en handelwijze van verdachte, in onderling verband bezien, maken de conclusie onontkoombaar dat het gebruik van het begrip "schol" zonder nadere toevoeging op de tenlastegelegde facturen moet worden aangemerkt als vals, namelijk onvoldoende onderscheidend. Verdachte wist dat, maar handelde desondanks aldus en daardoor opzettelijk.

Verdachte heeft zich ondanks de hiervoor genoemde verklaring van haar directeur op het standpunt gesteld dat de term ‘Schol’ en/of ‘Scholle’ en/of ‘Scholfilet’ en/of ‘Scholfilets’ en/of ‘Scholrollen’ en/of ‘Kutterschol’ en/of 'schollenfil.' en/of 'Schollenfilets’ en/of 'scholle natur’ op de facturen enkel betekende dat er een platvis of scholachtige vis werd geleverd, hetgeen conform de werkelijkheid was. Deze benaming is op de facturen gezet, omdat dit overeenkomstig de order van de klant is geweest, aldus verdachte. De raadsvrouw heeft ter zitting van het hof betoogd dat gebruikte termen in het maatschappelijk verkeer waarin verdachte en haar medeverdachten zich begaven gebruikelijk zijn ter aanduiding van de geleverde vis.

Het hof verwerpt het verweer.

Voorop staat daarbij dat de geschetste regelgeving juist erop gericht was te bewerkstelligen dat in de handel telkens duidelijk zou zijn welke vissoort verhandeld werd. Een vangnetbegrip als "schol" voor allerlei scholachtige vissoorten (zonder nadere aanduiding die inzichtelijk zou kunnen maken op welke scholachtige dan precies gedoeld werd) staat haaks op de bedoeling van de thans en destijds geldende regelgeving. Uit de verklaring van medeverdachte 1 blijkt voorts dat hij in de tenlastegelegde pleegperiode van de verschillende handelsbenamingen voor de verschillende vissoorten op de hoogte was. Uit de administratie van verdachte blijkt tevens dat verdachte op de hoogte was van de noodzaak tot het maken van dat onderscheid: er werd door verdachte in haar interne stukken duidelijk onderscheid gemaakt tussen Yellowfinsole, schar en schol. Ook blijkt dat de afnemers van verdachte onderscheid maken tussen de door hen bestelde vissoorten. Dat klanten niet de ‘traditionele’ Noordzeeschol bestelden maar het (goedkopere) alternatief Yellowfinsole, was zowel voor de klant als voor verdachte en haar medeverdachten duidelijk. Van een gebruik in het handelsverkeer om het woord 'schol' te gebruiken voor willekeurig welke scholachtige vis was dan ook geen sprake.

Gelet op de regelgeving, hetgeen in het orderverkeer tussen verdachte en haar klanten gebruikelijk was en de genoemde verklaring van medeverdachte 1 is geen andere conclusie mogelijk dan dat verdachte en/of haar medeverdachten op de facturen opzettelijk een onjuiste visaanduiding heeft/hebben opgenomen, namelijk door enkel de term 'Schol’ te vermelden zonder daarbij te specificeren om welke vissoort het ging, te weten Limanda Aspera of wel Yellowfinsole dan wel schar.

Op deze conclusie moeten twee uitzonderingen worden gemaakt:

  1. Op de onder d, e, f genoemde facturen komt de aanduiding 'Rocksole' voor. Geleverd is, ook in die gevallen, Yellowfinsole. De factuurvermelding was dus onjuist, maar opzet op die onjuistheid kan met de hiervoor inzake het begrip 'schol' ontwikkelde redenering niet worden onderbouwd en ook overigens niet. In zoverre dient daarom vrijspraak te volgen.
  2. Voor de facturen aa, bb, gg, hh en ii geldt dat het gaat om facturen die bedrijf 2 als afnemer van bedrijf 1 heeft gestuurd aan haar afnemers. Van die facturen kan niet gezegd worden dat de verzending heeft plaats gevonden met verdachte als medepleger, omdat van bewuste en nauwe samenwerking ter zake niet is gebleken.

Op deze onderdelen moet dus vrijspraak volgen.

Oogmerk tot misleiding

Voor bewezenverklaring van overtreding van artikel 225 Sr is voorts vereist dat de opmaker van de facturen het oogmerk heeft om de geschriften als echt en onvervalst te gebruiken. Dat wil zeggen dat de facturen jegens derden gebruikt zouden kunnen worden als ware de inhoud ervan juist.

In de jaren voorafgaand aan de tenlastegelegde periode werd in feite slechts één "schol" verhandeld: de Noordzeeschol (Pleuronectes platessa). Als gevolg van geldende quoteringsmaatregelen werd de Noordzeeschol steeds schaarser. Om die reden werd gezocht naar alternatieven. Deze werden gevonden in vissoorten als de Yellowfinsole en Rocksole, zijnde, net als de Noordzeeschol, platvissen.

In het licht van de geschetste geschiedenis ging van het gebruik van de term "schol" zonder verdere toevoeging evident de suggestie uit dat gefactureerd werd de vissoort die bekend was als Pleuronectes Platessa (Noordzeeschol) omdat uitsluitend voor die vissoort de term "schol" in de gebruikelijke handelsbenamingen voorkwam. De term was dus bij levering van een andere vissoort dan Noordzeeschol misleidend. Dat moet ook verdachte, die wist dat de term onvoldoende onderscheidend was, duidelijk zijn geweest. Het hof wil van verdachte wel aannemen dat op de factuur de term "schol" werd vermeld omdat haar afnemers deze daarop wilden hebben. Uit het feit dat verdachte, wetend dat de term onvoldoende onderscheidend (vals) was, zijn afnemers klakkeloos is gevolgd in hun wensen op de facturen de misleidende term "schol" te vermelden volgt echter dat het oogmerk van verdachte op die misleiding gericht was.

Het verweer van verdachte dat de afnemers van de vis op de hoogte waren van de valsheid van de facturen en dat derhalve geen sprake was van een oogmerk van misleiding, wordt verworpen. Ook indien de geadresseerden van de facturen op de hoogte waren van de valsheid daarvan konden de facturen, nadat deze in de administratie van de afnemers waren beland, de effectieve toepassing van de wet- en regelgeving over registratie van en controle op handel in vis verhinderen. Bovendien werd het risico in het leven geroepen dat de facturen jegens de klanten van de afnemers van verdachte ge(- of mis)bruikt werden op het punt van de soort vis die werd geleverd, met name omdat Noordzeeschol aanzienlijk duurder was dan de geleverde Yellowfinsole. Sterker nog, uit het feit dat verdachtes afnemers graag de term “schollenfilets” of een van de andere termen genoemd in de tenlastelegging op de factuur vermeld wilden hebben, terwijl de afnemers zelf wel wisten dat geen Noordzeeschol werd geleverd, blijkt dat de afnemers die facturen ook ten opzichte van derden wilden kunnen gebruiken.

Daderschap rechtspersoon

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan een rechtspersoon aangemerkt worden als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. De vraag wanneer een (verboden) gedraging in redelijkheid kan worden toegerekend is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is de vraag of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Hiervan zal onder andere sprake kunnen zijn wanneer het gaat om handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit andere hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon, de gedraging de rechtspersoon dienstig is geweest en de rechtspersoon erover vermocht te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden.

De valse facturen zijn door verdachte opgemaakt en verzonden naar aanleiding van visleveranties. Blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel betreffende verdachte heeft zij als activiteitenomschrijving: visverwerking, opslag in koelhuizen, pakken, sorteren, vis fileren, vriezen, inpakken, sorteren en opslaan van vis. De ten laste gelegde gedragingen hebben derhalve alle plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon en zijn de rechtspersoon dienstig geweest terwijl de rechtspersoon, verdachte, er over vermocht te beschikken of deze gedragingen al dan niet plaatsvonden.

Op grond van de hierboven beschreven gang van zaken met betrekking tot de facturering en de bij personeel/bestuurders aanwezige kennis wordt vastgesteld dat bij de rechtspersoon het vereiste opzet en het oogmerk aanwezig was.

Medeplegen

Uit de verklaringen van medeverdachte 2 blijkt het volgende. Verdachte is voor 80% eigendom van bedrijf 10 Van die vennootschap zijn de broers medeverdachte 2 en medeverdachte 1 ieder voor 50% aandeelhouder. bedrijf 1 is voor 100% eigendom van bedrijf 10 medeverdachte 2 is directeur van zowel verdachte als bedrijf 1 bedrijf 1 doet de in- en verkoop. De door bedrijf 1 ingekochte vis wordt normaliter door verdachte verwerkt. Boekhouder naam verklaart voorts dat de facturen van zowel verdachte als bedrijf 1 door medeverdachte 2 worden opgemaakt. De bedrijven waren voorts gevestigd op hetzelfde adres ( adres te plaats 1 ). Ze hadden één gezamenlijk kantoor. Door verdachte werd de vis veelal als eerste voorzien van het predicaat waarin een variant van de term ‘schol’ was verwerkt en deze werd vervolgens geleverd aan bedrijf 1, waarna zij de eerder gehanteerde terminologie bleef gebruiken naar haar klanten.

In feite was aldus sprake van één onderneming waarin de daarvan deel uitmakende rechtspersonen, verdachte en bedrijf 1, feitelijk voortdurend nauw en bewust samenwerkten bij alle handelsactiviteiten, dus ook bij de in deze zaak centraal staande facturering van bedrijf 1 aan de in de tenlastelegging genoemde afnemers.

Voor bedrijf 2 geldt, zoals hiervoor overwogen, dat de facturering van bedrijf 2, plaats vond in plaats 2 en los stond van de facturering van bedrijf 1 (opgericht in 1993), thans zijnde bedrijf 1 in plaats 1.

Voor medeverdachte 1 geldt dat van feitelijke, relevante, betrokkenheid bij de tenlastegelegde feiten niet is gebleken.

Voor medeverdachte 2 geldt dat alle handelingen van verdachte zijn te herleiden tot handelingen van verdachte en deze om die reden niet als medepleger kan worden aangemerkt.

Bewezenverklaring
  • Medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.
Strafoplegging
  • Geldboete van € 70.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

Overige verdachten

In deze zaak stonden in hoger beroep in totaal tien verdachten terecht. Alle verdachten zijn op 6 december 2013 door de rechtbank vrijgesproken. De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld. Het hof heeft geoordeeld dat het hoger beroep in negen van de tien zaken gegrond is. In die negen zaken zijn geldboetes opgelegd.

 

Print Friendly and PDF ^

UN World Wildlife Crime Report: Trafficking in protected species

The World Wildlife Crime Report is the first report to compile and analyze the best available primary data and to provide a robust assessment of illicit wildlife trafficking. It is thoroughly researched, with a logical and well thought through analysis and it is written in an easy to read style. We have seen a number reports on wildlife crime over the past few years but this Report demonstrates a heightened sense of rigour in reporting on illicit wildlife trafficking, including through the compilation and analysis of 164,000 seizure records sourced from CITES and the WCO and others. The Report shows that illicit wildlife trafficking affects all regions in different ways with countries across the globe being implicated as source, transit or destination States, affecting over 7,000 different species. It confirms the industrial scale and serious nature of this illicit trade, which is being driven by transnational organized criminal groups and is fueled by corruption.

In 2010 the UN General Assembly expressed its solemn commitment to an international order based on the rule of law and international law and emphasized the role of multilateral treaty processes in promoting and advancing the rule of law. The Report highlights the importance of CITES and the two UN Conventions against corruption and transnational organized crime working together, which was also highlighted in the UNGA Resolution.

CITES is described in the Report as “an agreement of remarkable scope and power” that “ allows countries to reciprocally protect one another’s’ species according to a common set of rules”. As stated in the Report, CITES defines the international rules that criminals try and circumvent and the two UN Conventions are the key international treaties for tackling the transnational organized criminal groups that are driving this industrial scale illicit trade and the pervasive corruption that enables it.

Voor meer informatie:

 

Meer weten over wildlife crime? Kom dan op Donderdag 1 december 2016 naar het Congres Milieustrafrecht: Trends & Toekomstige Ontwikkelingen.

Klik hier voor meer informatie of om in te schrijven.

 

Print Friendly and PDF ^

Beroep tegen sanctie voor rijden met een bestelbus in milieuzone van de gemeente Utrecht gegrond verklaard

Rechtbank Midden-Nederland 18 april 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:2930

Aan betrokkene is een sanctie opgelegd van € 90,00 wegens het rijden in strijd met een geslotenverklaring voor motorvoertuigen op meer dan 2 wielen, bord C6 bijlage I RVV 1990. Het gaat om een gedraging, verricht op 1 mei 2015 om 14:17 uur te Utrecht (Maliesingel/Maliebaan 1) met een bestelbus.

Bij beslissing op het administratief beroep heeft de officier van justitie de aan betrokkene opgelegde administratieve sanctie gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard.

Betrokkene voert onder meer de volgende gronden aan. Vooraf heeft hij bij de gemeente geïnformeerd en hem werd medegedeeld dat hij met zijn voertuig zonder de milieuzone in te rijden het spoorwegmuseum kan bezoeken. Een bord C6 is hij niet gepasseerd. Verder blijkt uit de foto’s dat deze zijn genomen na zijn bezoek aan het spoorwegmuseum, zodat ook om die reden geen sprake kan zijn van het rijden in strijd met een geslotenverklaring.

De officier van justitie heeft ter zitting verzocht de sanctie te matigen tot € 45,-.

De kantonrechter komt tot het volgende oordeel:

Gelet op hetgeen betrokkene onderbouwd met stukken heeft aangevoerd en ter zitting nader toegelicht, bestaat er bij de kantonrechter twijfel dat de gedraging is verricht.

De kantonrechter verklaart het beroep gegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Wet wegvervoer goederen: Klacht m.b.t. de verwerping van het verweer dat ic. de aanhangwagen ‘meerassig’ was, i.p.v. ‘eenassig’ zoals door het hof gespecificeerd

Hoge Raad 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1020 De verdachte is door de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een geldboete van € 2.900,- waarvan € 1.900,- voorwaardelijk wegens overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 2.6 van de Wet wegvervoer goederen.

Het Hof heeft in het bestreden arrest ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: “hij op 24 juni 2011 te Stedum, binnen de gemeente Loppersum, over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de Weesterweg, met een (eenassige) aanhangwagen, gekentekend [AA-00-BB] , eigen vervoer of beroepsvervoer heeft doen of laten verrichten ten aanzien waarvan in strijd werd gehandeld met artikel 5.1.2 in verbinding met artikel 5.18.17c lid 1 van de Regeling Voertuigen, aangezien die (eenassige) aanhangwagen zodanig was beladen dat de op het Nederlandse kentekenbewijs of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximum massa, zijnde 2.000 kilogram werd overschreden met 1.020 kilogram of daaromtrent.”

Middel

Het middel keert zich tegen het bewijs van het tenlastegelegde, meer in het bijzonder de te zware belading van de aanhangwagen.

De kern van het betoog in het middel is dat gelet op het verhandelde ter terechtzitting van het hof de (reële) mogelijkheid is opengebleven dat de aanhangwagen niet éénassig was, zoals is bewezenverklaard, maar meerassig, zodat de verdachte van het hem tenlastegelegde had moeten worden vrijgesproken.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81, eerste lid, RO.

Conclusie AG

3.5. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof heeft de verdachte (die aldaar niet werd bijgestaan door een raadsman) aldaar onder meer het volgende aangevoerd:

“Ik zal stukken overleggen en deze toelichten (noot griffier: een kopie van deze stukken is aan dit proces-verbaal gehecht).

Toen ik van de uitspraak op de hoogte ben geraakt, heb ik mij verdiept in deze zaak. Ik was verbaasd over het gewicht. Dat heb ik bij het verhoor door de verbalisant ook al meegedeeld. Als klopt wat er in het proces-verbaal staat, zou ik de toegestane maximum massa met meer dan 1.000 kilogram hebben overschreden. Dat is buitengewoon veel.

Ik ben evenementencateraar. Een gewicht van 1.000 kilogram staat gelijk aan 100 dozen patat. Zo'n hoeveelheid dozen kun je niet in de wagen koelen. En als je ze ongekoeld in de aanhanger zet, is er geen bewegingsvrijheid meer in de wagen. Het kan gewoon niet. Ik heb daarom het kenteken van de aanhangwagen bekeken en het proces-verbaal doorgenomen.

In beide stukken wordt gesproken over een 1-assige aanhangwagen.

Ik heb een foto gemaakt van de aanhangwagen. Op die foto, die ik zojuist heb overgelegd, is een dubbelassige aanhangwagen zichtbaar, want er zitten vier wielen onder.

Ik heb daarnaast de wagen leeg aangeboden bij de RDW en deze laten onderzoeken. Ik verwijs naar het door mij overgelegde weegrapport. Het totaalgewicht van de lege wagen bedraagt 2.500 kg. Dat komt dus ook niet overeen met het kenteken.

Ik heb de keuringmeester [betrokkene 2] gevraagd hoe dit verklaard kon worden. Hij vroeg het zich ook af. Hij vroeg zich af of het kenteken en de aanhangwagen wel bij elkaar hoorden, want het klopt gewoon niet.

Ik heb de wagen niet te zwaar beladen, maar ik stel mij op het standpunt dat er iets niet in orde is met het kenteken en de aanhangwagen. De keuringmeester twijfelt ook ernstig aan de identiteit van de aanhangwagen. Hij heeft mij een mail gestuurd, waarin staat wat ik u zojuist heb verteld. Die mail heb ik zojuist ook overgelegd.

Het voorgaande zou verklaard kunnen worden op grond van het volgende. Toen besloten werd dat elke aanhangwagen een kenteken moest hebben, moesten eigenaren van aanhangwagens een formulier invullen. De RDW gaf vervolgens blind kentekenbewijzen af En daarbij kreeg je kentekenplaten. Daar moet iets fout zijn gegaan. Ik heb er geen andere verklaring voor. Ik baseer mijn verklaring dat het een meerassige aanhangwagen betreft op hetgeen ik heb gezien. Ik heb onder de wagen gekeken. Ik begrijp dat de verbalisant is uitgegaan van het kentekenbewijs, maar daarop staat vermeld '1-assig'. Je kunt gewoon zien dat er vier wielen zijn. Ik heb ook nooit onder de aanhangwagen gekeken, tot deze kwestie. (…) Ten tijde van de aanhouding ging het ook over deze aanhangwagen en dit kenteken. Om aan te geven dat er geen vergissing mogelijk is, heb ik een foto van de wagen gemaakt, met het kenteken zichtbaar.”

3.6. Voorts bevat het proces-verbaal van de terechtzitting de volgende passage:

“De jongste raadsheer deelt mee dat hij zojuist het kentekensysteem van de RDW online heeft bekeken en dat daarin is vermeld dat de aanhangwagen twee assen heeft, met 2.000 kg als toegestane maximum massa. De eerste toelating was op 31 mei 1983 en de tenaamstelling is geschied in augustus 2003.”

3.7. In zijn arrest heeft het hof naar aanleiding van het door de verdachte aangevoerde het volgende overwogen:

“Verweer

Op 24 juni 2011 is de aanhangwagen van verdachte in opdracht van verbalisanten gewogen.

Uit die weging bleek dat de aanhangwagen te zwaar beladen was.

Verdachte heeft een verweer strekkende tot vrijspraak gevoerd. Omdat hij twijfelde aan de identiteit en het kenteken van de aanhangwagen, heeft hij de aanhangwagen ter weging aangeboden bij de RDW. Daaruit kwam naar voren dat het gewogen ledig gewicht van de aanhangwagen niet overeenstemde met het ledig gewicht zoals vermeld op het voor die aanhangwagen afgegeven kentekenbewijs. De weging bij de RDW gaf aan dat het gewicht 2.500 kg bedroeg, terwijl op het kentekenbewijs is vermeld dat de maximum massa 2.000 kg mag bedragen. Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat niet uitgesloten kan worden dat bij het aanleveren en invoeren van gegevens om het kenteken voor de aanhangwagen te verkrijgen iets is misgegaan. Verdachte heeft voorts, verwijzend naar de door hem overgelegde foto van de aanhangwagen, aangevoerd dat sprake is van een tweeassige aanhangwagen, in tegenstelling tot het de vermeldingen in het proces-verbaal en het kentekenbewijs.

Het is het hof ambtshalve bekend (zie www.rdw.nl) dat de mogelijkheid bestaat om bij de RDW een aanvraag in te dienen om op administratieve wijze, dat wil zeggen zonder keuring, de vermelding van de toegestane maximum massa van een aanhangwagen te doen verlagen. Na toewijzing van de aanvraag wordt een nieuw kentekenbewijs verzonden waarop de aangepaste toegestane maximum massa is vermeld. Overschrijding van het op het kentekenbewijs vermelde (verlaagde) gewicht bij het gebruik van de aanhangwagen op de openbare weg is niet toegestaan.

Het hof stelt vast dat op de door verdachte overgelegde kopie van het kentekenbewijs de toegestane maximum massa van verdachtes aanhangwagen op de hiervoor beschreven wijze is verlaagd tot 2.000 kg. Verdachte heeft het maximaal toegestane gewicht van 2.000 kg overschreden.

Op het kentekenbewijs van verdachte is vermeld dat er sprake is van een eenassige aanhangwagen. Het hof overweegt hieromtrent dat de wielbasis bepalend is voor de vraag of een zodanige constructie als eenassig wordt beschouwd. Dat verklaart in dit geval waarom er op het kentekenbewijs in casu eenassig is vermeld. Derhalve mist het verweer van verdachte feitelijke grondslag.

Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de aanhangwagen die door de politie is gewogen, voorzien van het kenteken [AA-00-BB] , dezelfde aanhangwagen betreft die verdachte heeft laten wegen bij de RDW en dat deze ten tijde van de waarneming van verbalisant overbeladen was. Het verweer wordt verworpen.”

3.8. In de bovenstaande uitwisseling van argumenten zijn verschillende aspecten aan de orde - ook de vraag of de aanhangwagen wel ‘hoort’ bij het daarop gevoerde kenteken. Ik kom daarop later nog kort terug. Eerst de kwestie die het middel centraal stelt: dat is de vraag of voldoende is vastgesteld dat sprake is van een eenassige aanhangwagen. Ter zitting heeft de verdachte betoogd dat onder het voertuig twee assen zijn aangebracht, welke stelling hij heeft onderbouwd door een foto van de desbetreffende aanhangwagen te overleggen. Bestudering van die foto, die zich in het dossier bevindt, maakt (met enige moeite, want heel duidelijk is de foto niet) leert mij dat het inderdaad een zogenaamde tandemasser betreft. Dat is de (buitenwettelijke) term voor een asstel bestaande uit twee assen, waarbij de daaraan bevestigde wielen zich op zeer korte afstand achter elkaar, bezien in de lengterichting van de aanhanger bevinden. Nu is het wel een beetje de vraag of het bestuderen van foto’s die zich in het dossier bevinden valt binnen het takenpakket van de cassatierechter maar de steller van het middel knoopt ook aan bij de hierboven, onder 3.6 aangehaalde, in het proces-verbaal van de zitting weergegeven opmerking van de jongste raadsheer, dat uit een door hem – op de zitting – verrichte raadpleging van de gegevens uit het kentekenregister eveneens blijkt dat het om een tweeassige aanhangwagen zou gaan. En kennelijk heeft het hof een dergelijke vaststelling ook tot uitgangspunt genomen, want het hof overweegt vervolgens, in het arrest, dat desondanks in ‘juridisch’ opzicht van een eenassige aanhangwagen gesproken kan worden. Dat verklaart tenslotte ook dat het hof meende tot een bewezenverklaring van de – tussen haakjes – in de tenlastelegging opgenomen term ‘(eenassige)’ aanhangwagen is gekomen. Eerst de vraag of die juridische duiding door het hof juist is.

3.9. De in deze zaak te hanteren regels en begrippen zijn te vinden in de Regeling Voertuigen (RV), de op 1 mei 2009 in werking getreden ministeriële regeling die het daarvoor geldende Voertuigreglement (een AMvB) verving. In de RV zijn de ten aanzien van voertuigen geldende toelatingseisen alsmede de zgn. permanente eisen en gebruikseisen opgenomen. Het betreft een omvangrijke en meestal nogal ingewikkelde (technische) materie. Maar volgens mij zit het als volgt in elkaar.

3.10. Welke voertuigen als aanhangwagen moet worden beschouwd is te vinden in art. 1.1 RV, dat een groot aantal begripsbepalingen bevat. De eerste verklaarde term in art. 1.1 betreft de aanhangwagen:

“Artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

aanhangwagen: voertuig van de voertuigcategorie O; in ieder geval wordt als aanhangwagen aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een aanhangwagen is; (…)”

Dat brengt de lezer niet veel verder dan de constatering dat het we in de onderhavige zaak naar het zich laat aanzien te maken hebben met een aanhangwagen in juridische zin. Daarom is het nuttig te constateren dat vervolgens in de algemene begripsbepaling van het RV vier typen aanhangwagens worden uitgewerkt. Dat zijn de (i) de autonome aanhangwagen (ii) de middenasaanhangwagen (iii) de oplegger en (iv) de dolly. Kort gezegd betreft de autonome aanhangwagen een aanhangwagen met ten minste twee assen, waarvan er ten minste één een gestuurde as is, en uitgerust is met een ten opzichte van de aanhangwagen verticaal beweegbare trekinrichting. Een oplegger is een aanhangwagen die ontworpen is om aan een opleggertrekkend voertuig of aan een dolly te worden gekoppeld en dat op het trekkende voertuig of de dolly een aanzienlijke statische verticale belasting overbrengt. Een dolly is – heel kort gezegd – een soort aanhangwagen die bestemd is om een oplegger of een ander voertuig mee te slepen. In het onderhavige geval hebben we echter te maken met een middenasaanhangwagen, ook wel als ‘wipkar’ aan te duiden. Dat is volgens art. 1.1 RV een voertuig dat aan de volgende eisen voldoet:

“middenasaanhangwagen: aanhangwagen met carrosserietype DC en met een stijve dissel waarvan de as(sen), indien gelijkmatig belast, zich dicht bij het zwaartepunt van het voertuig bevindt (bevinden), zodat slechts een geringe statische verticale belasting van ten hoogste 10% van de met de technisch toegestane maximummassa van de aanhangwagen overeenkomende belasting of van 1.000 kg, waarbij de lichtste belasting van toepassing is, wordt overgebracht op het trekkende voertuig; in ieder geval wordt als middenasaanhangwagen aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een middenasaanhangwagen is;”

Onder de middenasaanhangwagen vallen derhalve zowel de eenassige als meerassige aanhangwagens, mits deze zich ‘dicht bij het zwaartepunt van de aanhangwagen” bevinden – wat, vrij vertaald, neerkomt op zo ongeveer het midden van de aanhangwagen. Voorts gelden twee dicht bij elkaar gelegen assen als één asstel, mits de afstand tussen de voorste en achterste as niet groter is dan 1,80 m. Dat volgt uit de definitie van respectievelijk as en asstel, ook te vinden in art. 1.1 RV:

“as: aslichaam, of geheel van aslichamen in geval van onafhankelijke wielophanging, met inbegrip van twee wielen in één lijn loodrecht op de lengte-as van het voertuig;”

(…) “asstel: combinatie van twee of meer assen, evenwijdig gelegen op een onderlinge afstand van minder dan 1,80 m;”

De hierboven weergegeven overweging van het hof, dat in het geval twee assen op korte afstand van elkaar zijn gelegen, dit samenstel beschouwd wordt als één as is, gelet op deze begripsbepaling, dus niet juist. Wel gezegd kan worden dat de beide assen tezamen een asstel vormen.

3.11. De redenering tot nu toe volgend zal de conclusie moeten zijn dat het hof ten onrechte heeft bewezenverklaard dat de in de tenlastelegging aangeduide aanhangwagen eenassig was, of dat, althans, de met dat onderdeel van de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid dat de aanhangwagen meerassig was is opengebleven. Het punt waarop de hele discussie die tot nu toe op dit punt is gevoerd dreigt te smoren is echter dat voor de juridische betekenis van hetgeen is bewezen verklaard de vraag naar het type aanhangwagen en het aantal assen dat daaronder is bevestigd in het geheel niet relevant is. Voor elke soort aanhangwagen geldt namelijk de primaire eis, dat de toegestane maximummassa niet mag worden overschreden. Die eis is verwoord in art. 5.18.17c lid 1 RV, dat luidt als volgt:

1. Indien voor een aanhangwagen een Nederlands kentekenbewijs is afgegeven, mag de op dit kentekenbewijs of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa niet worden overschreden of mag de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand, uitgezonderd de aslasten van een niet autonome aanhangwagen, niet meer bedragen dan de vermelde toegestane maximummassa. Bij middenasaanhangwagens en opleggers mag de [de] som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand vermeerderd met de last onder de koppeling van het voertuig in beladen toestand, niet meer bedragen dan de toegestane maximummassa.

Voor meerassige aanhangwagens geldt daarnaast nog de eis dat de som van de maximumaslasten – bij middenasaanhangwagens nog te vermeerderen met de last onder de koppeling - evenmin mag worden overschreden, maar dat is een nevengeschikte eis: het woordje “of” wijst daarop. Overigens is het duidelijk dat het door optelling verkregen resultaat van een dergelijke meting gelijk is aan de meting van de totale massa; alleen de methodiek van meting verschilt.

3.12. Welnu, in het onderhavige geval blijkt uit de bewijsmiddelen dat de op de weegbrug gemeten maximummassa van de aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa van 2000 kg met 1080 kg is overschreden. En die in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa is bepalend – naast de op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximummassa. Dat laatste vermeld ik nog even daarbij, want uit de door de verdachte overgelegde kopie van het kentekenbewijs vermeld diezelfde 2000 kg als toegestane maximummassa.

3.13. Het voorgaande leidt er toe dat de vermelding in de tenlastelegging, dat het een eenassige aanhangwagen betreft, slechts als een bijkomende specificatie dient te worden beschouwd. Voor de juridische betekenis van het tenlastegelegde maakt het immers geen verschil of de aanhangwagen één- of tweeassig is. Bij de klacht dat dit onderdeel ten onrechte is bewezenverklaard heeft de verdachte dus voor zover ik kan zien geen in cassatie te respecteren belang.

3.14. Voorzover in het middel nog de klacht verscholen ligt dat het hof heeft nagelaten vast te stellen of de eigenschappen van de aanhangwagen wel corresponderen met de daaromtrent in het kentekenregister (en voorzover valt aan te nemen: in het kentekenbewijs) opgenomen gegevens het volgende. Geen verschil van mening bestaat over het feit dat de aanhangwagen waarover in de tenlastelegging wordt gesproken was voorzien van het in die tenlastelegging genoemd kenteken. Noch in feitelijke aanleg noch in cassatie is dat bestreden. Gelet op de systematiek van de voertuigwetgeving zijn de aan dat kenteken gekoppelde gegevens uiteindelijk bepalend. Als een voertuig niet (meer) overeenkomt met de gegevens in het kentekenregister rust op degene op wiens naam het voertuig is gesteld de plicht dat door te geven aan de beheerder van het kentekenregister (de RDW), zo volgt uit art. 34 Kentekenreglement Kentekenreglement. Het niet naleven van die verplichting is een strafbaar feit ingevolge art. 53 van dat Kentekenreglement. Twijfels van de eigenaar van een voertuig aan de juistheid van de geregistreerde gegevens leidt in beginsel niet tot het vervallen van de uit het register voortvloeiende verplichtingen, zo meen ik te daaruit te kunnen afleiden. Bij aanhangwagens met een maximum toegestane massa van 750 kg tot 3500 kg, zoals de onderhavige aanhangwagen, vereist dat oplettendheid van de eigenaar of houder. In een periodieke keuring van dergelijke aanhangwagens is namelijk nog steeds niet voorzien, ook al komt daarin op termijn wellicht verandering. Wijzigingen in de bouw die tussentijds plaatsvinden worden derhalve niet van overheidswege bijgehouden. De slotsom is dat de kennelijk in het middel besloten liggende stelling, dat het hof een nader onderzoek naar de fysieke eigenschappen van de aanhangwagen had moeten verrichten geen steun vindt in het recht.

3.15. Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^