Wet wegvervoer goederen: Klacht m.b.t. de verwerping van het verweer dat ic. de aanhangwagen ‘meerassig’ was, i.p.v. ‘eenassig’ zoals door het hof gespecificeerd

Hoge Raad 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1020 De verdachte is door de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een geldboete van € 2.900,- waarvan € 1.900,- voorwaardelijk wegens overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 2.6 van de Wet wegvervoer goederen.

Het Hof heeft in het bestreden arrest ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: “hij op 24 juni 2011 te Stedum, binnen de gemeente Loppersum, over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de Weesterweg, met een (eenassige) aanhangwagen, gekentekend [AA-00-BB] , eigen vervoer of beroepsvervoer heeft doen of laten verrichten ten aanzien waarvan in strijd werd gehandeld met artikel 5.1.2 in verbinding met artikel 5.18.17c lid 1 van de Regeling Voertuigen, aangezien die (eenassige) aanhangwagen zodanig was beladen dat de op het Nederlandse kentekenbewijs of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximum massa, zijnde 2.000 kilogram werd overschreden met 1.020 kilogram of daaromtrent.”

Middel

Het middel keert zich tegen het bewijs van het tenlastegelegde, meer in het bijzonder de te zware belading van de aanhangwagen.

De kern van het betoog in het middel is dat gelet op het verhandelde ter terechtzitting van het hof de (reële) mogelijkheid is opengebleven dat de aanhangwagen niet éénassig was, zoals is bewezenverklaard, maar meerassig, zodat de verdachte van het hem tenlastegelegde had moeten worden vrijgesproken.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81, eerste lid, RO.

Conclusie AG

3.5. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof heeft de verdachte (die aldaar niet werd bijgestaan door een raadsman) aldaar onder meer het volgende aangevoerd:

“Ik zal stukken overleggen en deze toelichten (noot griffier: een kopie van deze stukken is aan dit proces-verbaal gehecht).

Toen ik van de uitspraak op de hoogte ben geraakt, heb ik mij verdiept in deze zaak. Ik was verbaasd over het gewicht. Dat heb ik bij het verhoor door de verbalisant ook al meegedeeld. Als klopt wat er in het proces-verbaal staat, zou ik de toegestane maximum massa met meer dan 1.000 kilogram hebben overschreden. Dat is buitengewoon veel.

Ik ben evenementencateraar. Een gewicht van 1.000 kilogram staat gelijk aan 100 dozen patat. Zo'n hoeveelheid dozen kun je niet in de wagen koelen. En als je ze ongekoeld in de aanhanger zet, is er geen bewegingsvrijheid meer in de wagen. Het kan gewoon niet. Ik heb daarom het kenteken van de aanhangwagen bekeken en het proces-verbaal doorgenomen.

In beide stukken wordt gesproken over een 1-assige aanhangwagen.

Ik heb een foto gemaakt van de aanhangwagen. Op die foto, die ik zojuist heb overgelegd, is een dubbelassige aanhangwagen zichtbaar, want er zitten vier wielen onder.

Ik heb daarnaast de wagen leeg aangeboden bij de RDW en deze laten onderzoeken. Ik verwijs naar het door mij overgelegde weegrapport. Het totaalgewicht van de lege wagen bedraagt 2.500 kg. Dat komt dus ook niet overeen met het kenteken.

Ik heb de keuringmeester [betrokkene 2] gevraagd hoe dit verklaard kon worden. Hij vroeg het zich ook af. Hij vroeg zich af of het kenteken en de aanhangwagen wel bij elkaar hoorden, want het klopt gewoon niet.

Ik heb de wagen niet te zwaar beladen, maar ik stel mij op het standpunt dat er iets niet in orde is met het kenteken en de aanhangwagen. De keuringmeester twijfelt ook ernstig aan de identiteit van de aanhangwagen. Hij heeft mij een mail gestuurd, waarin staat wat ik u zojuist heb verteld. Die mail heb ik zojuist ook overgelegd.

Het voorgaande zou verklaard kunnen worden op grond van het volgende. Toen besloten werd dat elke aanhangwagen een kenteken moest hebben, moesten eigenaren van aanhangwagens een formulier invullen. De RDW gaf vervolgens blind kentekenbewijzen af En daarbij kreeg je kentekenplaten. Daar moet iets fout zijn gegaan. Ik heb er geen andere verklaring voor. Ik baseer mijn verklaring dat het een meerassige aanhangwagen betreft op hetgeen ik heb gezien. Ik heb onder de wagen gekeken. Ik begrijp dat de verbalisant is uitgegaan van het kentekenbewijs, maar daarop staat vermeld '1-assig'. Je kunt gewoon zien dat er vier wielen zijn. Ik heb ook nooit onder de aanhangwagen gekeken, tot deze kwestie. (…) Ten tijde van de aanhouding ging het ook over deze aanhangwagen en dit kenteken. Om aan te geven dat er geen vergissing mogelijk is, heb ik een foto van de wagen gemaakt, met het kenteken zichtbaar.”

3.6. Voorts bevat het proces-verbaal van de terechtzitting de volgende passage:

“De jongste raadsheer deelt mee dat hij zojuist het kentekensysteem van de RDW online heeft bekeken en dat daarin is vermeld dat de aanhangwagen twee assen heeft, met 2.000 kg als toegestane maximum massa. De eerste toelating was op 31 mei 1983 en de tenaamstelling is geschied in augustus 2003.”

3.7. In zijn arrest heeft het hof naar aanleiding van het door de verdachte aangevoerde het volgende overwogen:

“Verweer

Op 24 juni 2011 is de aanhangwagen van verdachte in opdracht van verbalisanten gewogen.

Uit die weging bleek dat de aanhangwagen te zwaar beladen was.

Verdachte heeft een verweer strekkende tot vrijspraak gevoerd. Omdat hij twijfelde aan de identiteit en het kenteken van de aanhangwagen, heeft hij de aanhangwagen ter weging aangeboden bij de RDW. Daaruit kwam naar voren dat het gewogen ledig gewicht van de aanhangwagen niet overeenstemde met het ledig gewicht zoals vermeld op het voor die aanhangwagen afgegeven kentekenbewijs. De weging bij de RDW gaf aan dat het gewicht 2.500 kg bedroeg, terwijl op het kentekenbewijs is vermeld dat de maximum massa 2.000 kg mag bedragen. Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat niet uitgesloten kan worden dat bij het aanleveren en invoeren van gegevens om het kenteken voor de aanhangwagen te verkrijgen iets is misgegaan. Verdachte heeft voorts, verwijzend naar de door hem overgelegde foto van de aanhangwagen, aangevoerd dat sprake is van een tweeassige aanhangwagen, in tegenstelling tot het de vermeldingen in het proces-verbaal en het kentekenbewijs.

Het is het hof ambtshalve bekend (zie www.rdw.nl) dat de mogelijkheid bestaat om bij de RDW een aanvraag in te dienen om op administratieve wijze, dat wil zeggen zonder keuring, de vermelding van de toegestane maximum massa van een aanhangwagen te doen verlagen. Na toewijzing van de aanvraag wordt een nieuw kentekenbewijs verzonden waarop de aangepaste toegestane maximum massa is vermeld. Overschrijding van het op het kentekenbewijs vermelde (verlaagde) gewicht bij het gebruik van de aanhangwagen op de openbare weg is niet toegestaan.

Het hof stelt vast dat op de door verdachte overgelegde kopie van het kentekenbewijs de toegestane maximum massa van verdachtes aanhangwagen op de hiervoor beschreven wijze is verlaagd tot 2.000 kg. Verdachte heeft het maximaal toegestane gewicht van 2.000 kg overschreden.

Op het kentekenbewijs van verdachte is vermeld dat er sprake is van een eenassige aanhangwagen. Het hof overweegt hieromtrent dat de wielbasis bepalend is voor de vraag of een zodanige constructie als eenassig wordt beschouwd. Dat verklaart in dit geval waarom er op het kentekenbewijs in casu eenassig is vermeld. Derhalve mist het verweer van verdachte feitelijke grondslag.

Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de aanhangwagen die door de politie is gewogen, voorzien van het kenteken [AA-00-BB] , dezelfde aanhangwagen betreft die verdachte heeft laten wegen bij de RDW en dat deze ten tijde van de waarneming van verbalisant overbeladen was. Het verweer wordt verworpen.”

3.8. In de bovenstaande uitwisseling van argumenten zijn verschillende aspecten aan de orde - ook de vraag of de aanhangwagen wel ‘hoort’ bij het daarop gevoerde kenteken. Ik kom daarop later nog kort terug. Eerst de kwestie die het middel centraal stelt: dat is de vraag of voldoende is vastgesteld dat sprake is van een eenassige aanhangwagen. Ter zitting heeft de verdachte betoogd dat onder het voertuig twee assen zijn aangebracht, welke stelling hij heeft onderbouwd door een foto van de desbetreffende aanhangwagen te overleggen. Bestudering van die foto, die zich in het dossier bevindt, maakt (met enige moeite, want heel duidelijk is de foto niet) leert mij dat het inderdaad een zogenaamde tandemasser betreft. Dat is de (buitenwettelijke) term voor een asstel bestaande uit twee assen, waarbij de daaraan bevestigde wielen zich op zeer korte afstand achter elkaar, bezien in de lengterichting van de aanhanger bevinden. Nu is het wel een beetje de vraag of het bestuderen van foto’s die zich in het dossier bevinden valt binnen het takenpakket van de cassatierechter maar de steller van het middel knoopt ook aan bij de hierboven, onder 3.6 aangehaalde, in het proces-verbaal van de zitting weergegeven opmerking van de jongste raadsheer, dat uit een door hem – op de zitting – verrichte raadpleging van de gegevens uit het kentekenregister eveneens blijkt dat het om een tweeassige aanhangwagen zou gaan. En kennelijk heeft het hof een dergelijke vaststelling ook tot uitgangspunt genomen, want het hof overweegt vervolgens, in het arrest, dat desondanks in ‘juridisch’ opzicht van een eenassige aanhangwagen gesproken kan worden. Dat verklaart tenslotte ook dat het hof meende tot een bewezenverklaring van de – tussen haakjes – in de tenlastelegging opgenomen term ‘(eenassige)’ aanhangwagen is gekomen. Eerst de vraag of die juridische duiding door het hof juist is.

3.9. De in deze zaak te hanteren regels en begrippen zijn te vinden in de Regeling Voertuigen (RV), de op 1 mei 2009 in werking getreden ministeriële regeling die het daarvoor geldende Voertuigreglement (een AMvB) verving. In de RV zijn de ten aanzien van voertuigen geldende toelatingseisen alsmede de zgn. permanente eisen en gebruikseisen opgenomen. Het betreft een omvangrijke en meestal nogal ingewikkelde (technische) materie. Maar volgens mij zit het als volgt in elkaar.

3.10. Welke voertuigen als aanhangwagen moet worden beschouwd is te vinden in art. 1.1 RV, dat een groot aantal begripsbepalingen bevat. De eerste verklaarde term in art. 1.1 betreft de aanhangwagen:

“Artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

aanhangwagen: voertuig van de voertuigcategorie O; in ieder geval wordt als aanhangwagen aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een aanhangwagen is; (…)”

Dat brengt de lezer niet veel verder dan de constatering dat het we in de onderhavige zaak naar het zich laat aanzien te maken hebben met een aanhangwagen in juridische zin. Daarom is het nuttig te constateren dat vervolgens in de algemene begripsbepaling van het RV vier typen aanhangwagens worden uitgewerkt. Dat zijn de (i) de autonome aanhangwagen (ii) de middenasaanhangwagen (iii) de oplegger en (iv) de dolly. Kort gezegd betreft de autonome aanhangwagen een aanhangwagen met ten minste twee assen, waarvan er ten minste één een gestuurde as is, en uitgerust is met een ten opzichte van de aanhangwagen verticaal beweegbare trekinrichting. Een oplegger is een aanhangwagen die ontworpen is om aan een opleggertrekkend voertuig of aan een dolly te worden gekoppeld en dat op het trekkende voertuig of de dolly een aanzienlijke statische verticale belasting overbrengt. Een dolly is – heel kort gezegd – een soort aanhangwagen die bestemd is om een oplegger of een ander voertuig mee te slepen. In het onderhavige geval hebben we echter te maken met een middenasaanhangwagen, ook wel als ‘wipkar’ aan te duiden. Dat is volgens art. 1.1 RV een voertuig dat aan de volgende eisen voldoet:

“middenasaanhangwagen: aanhangwagen met carrosserietype DC en met een stijve dissel waarvan de as(sen), indien gelijkmatig belast, zich dicht bij het zwaartepunt van het voertuig bevindt (bevinden), zodat slechts een geringe statische verticale belasting van ten hoogste 10% van de met de technisch toegestane maximummassa van de aanhangwagen overeenkomende belasting of van 1.000 kg, waarbij de lichtste belasting van toepassing is, wordt overgebracht op het trekkende voertuig; in ieder geval wordt als middenasaanhangwagen aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een middenasaanhangwagen is;”

Onder de middenasaanhangwagen vallen derhalve zowel de eenassige als meerassige aanhangwagens, mits deze zich ‘dicht bij het zwaartepunt van de aanhangwagen” bevinden – wat, vrij vertaald, neerkomt op zo ongeveer het midden van de aanhangwagen. Voorts gelden twee dicht bij elkaar gelegen assen als één asstel, mits de afstand tussen de voorste en achterste as niet groter is dan 1,80 m. Dat volgt uit de definitie van respectievelijk as en asstel, ook te vinden in art. 1.1 RV:

“as: aslichaam, of geheel van aslichamen in geval van onafhankelijke wielophanging, met inbegrip van twee wielen in één lijn loodrecht op de lengte-as van het voertuig;”

(…) “asstel: combinatie van twee of meer assen, evenwijdig gelegen op een onderlinge afstand van minder dan 1,80 m;”

De hierboven weergegeven overweging van het hof, dat in het geval twee assen op korte afstand van elkaar zijn gelegen, dit samenstel beschouwd wordt als één as is, gelet op deze begripsbepaling, dus niet juist. Wel gezegd kan worden dat de beide assen tezamen een asstel vormen.

3.11. De redenering tot nu toe volgend zal de conclusie moeten zijn dat het hof ten onrechte heeft bewezenverklaard dat de in de tenlastelegging aangeduide aanhangwagen eenassig was, of dat, althans, de met dat onderdeel van de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid dat de aanhangwagen meerassig was is opengebleven. Het punt waarop de hele discussie die tot nu toe op dit punt is gevoerd dreigt te smoren is echter dat voor de juridische betekenis van hetgeen is bewezen verklaard de vraag naar het type aanhangwagen en het aantal assen dat daaronder is bevestigd in het geheel niet relevant is. Voor elke soort aanhangwagen geldt namelijk de primaire eis, dat de toegestane maximummassa niet mag worden overschreden. Die eis is verwoord in art. 5.18.17c lid 1 RV, dat luidt als volgt:

1. Indien voor een aanhangwagen een Nederlands kentekenbewijs is afgegeven, mag de op dit kentekenbewijs of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa niet worden overschreden of mag de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand, uitgezonderd de aslasten van een niet autonome aanhangwagen, niet meer bedragen dan de vermelde toegestane maximummassa. Bij middenasaanhangwagens en opleggers mag de [de] som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand vermeerderd met de last onder de koppeling van het voertuig in beladen toestand, niet meer bedragen dan de toegestane maximummassa.

Voor meerassige aanhangwagens geldt daarnaast nog de eis dat de som van de maximumaslasten – bij middenasaanhangwagens nog te vermeerderen met de last onder de koppeling - evenmin mag worden overschreden, maar dat is een nevengeschikte eis: het woordje “of” wijst daarop. Overigens is het duidelijk dat het door optelling verkregen resultaat van een dergelijke meting gelijk is aan de meting van de totale massa; alleen de methodiek van meting verschilt.

3.12. Welnu, in het onderhavige geval blijkt uit de bewijsmiddelen dat de op de weegbrug gemeten maximummassa van de aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa van 2000 kg met 1080 kg is overschreden. En die in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa is bepalend – naast de op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximummassa. Dat laatste vermeld ik nog even daarbij, want uit de door de verdachte overgelegde kopie van het kentekenbewijs vermeld diezelfde 2000 kg als toegestane maximummassa.

3.13. Het voorgaande leidt er toe dat de vermelding in de tenlastelegging, dat het een eenassige aanhangwagen betreft, slechts als een bijkomende specificatie dient te worden beschouwd. Voor de juridische betekenis van het tenlastegelegde maakt het immers geen verschil of de aanhangwagen één- of tweeassig is. Bij de klacht dat dit onderdeel ten onrechte is bewezenverklaard heeft de verdachte dus voor zover ik kan zien geen in cassatie te respecteren belang.

3.14. Voorzover in het middel nog de klacht verscholen ligt dat het hof heeft nagelaten vast te stellen of de eigenschappen van de aanhangwagen wel corresponderen met de daaromtrent in het kentekenregister (en voorzover valt aan te nemen: in het kentekenbewijs) opgenomen gegevens het volgende. Geen verschil van mening bestaat over het feit dat de aanhangwagen waarover in de tenlastelegging wordt gesproken was voorzien van het in die tenlastelegging genoemd kenteken. Noch in feitelijke aanleg noch in cassatie is dat bestreden. Gelet op de systematiek van de voertuigwetgeving zijn de aan dat kenteken gekoppelde gegevens uiteindelijk bepalend. Als een voertuig niet (meer) overeenkomt met de gegevens in het kentekenregister rust op degene op wiens naam het voertuig is gesteld de plicht dat door te geven aan de beheerder van het kentekenregister (de RDW), zo volgt uit art. 34 Kentekenreglement Kentekenreglement. Het niet naleven van die verplichting is een strafbaar feit ingevolge art. 53 van dat Kentekenreglement. Twijfels van de eigenaar van een voertuig aan de juistheid van de geregistreerde gegevens leidt in beginsel niet tot het vervallen van de uit het register voortvloeiende verplichtingen, zo meen ik te daaruit te kunnen afleiden. Bij aanhangwagens met een maximum toegestane massa van 750 kg tot 3500 kg, zoals de onderhavige aanhangwagen, vereist dat oplettendheid van de eigenaar of houder. In een periodieke keuring van dergelijke aanhangwagens is namelijk nog steeds niet voorzien, ook al komt daarin op termijn wellicht verandering. Wijzigingen in de bouw die tussentijds plaatsvinden worden derhalve niet van overheidswege bijgehouden. De slotsom is dat de kennelijk in het middel besloten liggende stelling, dat het hof een nader onderzoek naar de fysieke eigenschappen van de aanhangwagen had moeten verrichten geen steun vindt in het recht.

3.15. Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF