'Het omgevingsplan: het ‘Zwitsers zakmes’ in de Omgevingswet'

Dit artikel tracht een een introductie te bieden in het instrumentarium van de nieuwe Omgevingswet, in het bijzonder het omgevingsplan. Er wordt aandacht besteed aan de mogelijkheden die het plan biedt alsmede de reikwijdte van dit instrument. Het omgevingsplan wordt met de mogelijkheden van het ‘oude’ bestemmingsplan vergeleken alsmede met andere ruimtelijke instrumenten op zowel decentraal als nationaal niveau. In de conclusie wordt aangegeven wat de positie van gemeenten onder de nieuwe Omgevingswet zal zijn. Lees verder:

 

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens onrechtmatig bezit en te koop aanbieden van grote hoeveelheid ivoren beeldjes en een bontjas van bedreigde uitheemse diersoorten

Rechtbank Overijssel 18 april 2015, ECLI:NL:RBOVE:2016:1323 Verdachte is eigenaar van de eenmanszaak bedrijf, gevestigd te woonplaats aan de adres. Hij houdt zich bezig met de in- en verkoop van antieke kunstvoorwerpen. Verdachte handelt voornamelijk via het internet met de domeinnaam website.

Onderzoek

Op 7 januari 2015 heeft de politie een onderzoek ingesteld waaruit bleek dat via de website tenminste elf vermoedelijk ivoren items en een groepje van zeven bij elkaar horende vermoedelijk ivoren netsuke's (met de hand gesneden gordelknopen) te koop werden aangeboden.

Naar aanleiding van deze informatie is door de verbalisanten verbalisant 1 en verbalisant 2 op 21 januari 2015 een controle op de legale herkomst van deze vermoedelijk ivoren items bij verdachte thuis uitgevoerd. Uit dit onderzoek bleek onder meer dat:

  • er in meerdere vertrekken in totaal dertig beeldjes van ogenschijnlijk ivoor stonden;
  • verdachte verklaarde dat deze beelden hoofdzakelijk waren gemaakt van olifantenivoor, en een enkele van mammoet- en van walrusivoor;
  • verdachte geen taxatierapporten kon overleggen waarmee aangetoond kon worden dat deze items van vóór 1947 waren;
  • verdachte handtekeningstempels liet zien op de beeldjes waaruit volgens hem zou blijken dat er sprake was van ivoorsnijders van vóór 1947;
  • de totale verkoopwaarde van de vermoedelijk ivoren beeldjes ongeveer € 50.000,-- betrof;
  • verbalisanten diverse van deze beeldjes herkenden als beeldjes die ook op de website website te koop werden aangeboden.

Naar aanleiding van deze controle is door de genoemde verbalisanten besloten dat een nader onderzoek gewenst was om de herkomst van de vermoedelijk ivoren beeldjes te laten vaststellen. In dat kader was het de bedoeling dat de verzameling beeldjes zou worden beoordeeld door een ivoorexpert van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA).Verdachte zou over de te nemen vervolgstap telefonisch worden benaderd. Verdachte heeft aan de verbalisanten aangegeven dat hij op zoek zou gaan naar een taxateur en dat als het laten taxeren van de beeldjes te duur zou worden, hij die van zijn website zou halen en verder als huisraad onder zich zou gaan houden.

Op 23 maart 2015 is door verbalisant 1 telefonisch contact opgenomen met verdachte, met als doel een afspraak te maken voor een hercontrole samen met een expert van de NVWA. In dat telefoongesprek heeft verdachte meegedeeld dat:

  • hij alle beeldjes naar een veilinghuis in Wenen had gezonden om deze beeldjes daar te laten taxeren op ouderdom;
  • als er door het veilinghuis een redelijke prijs werd geboden het best zou kunnen dat de beeldjes daar bleven en niet meer terugkwamen;
  • hij per e-mail wel aan de verbalisant 1 zou laten weten of de beeldjes getaxeerd waren en of ze terugkwamen;
  • hij niet wilde vertellen welk veilinghuis in Wenen het betrof;
  • hij alleen nog wat houten beeldjes had en langskomen dus geen zin had.

Op 23 maart 2015 is daarom wederom onderzoek gedaan naar de website. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat:

  • op de startpagina stond vermeld bedrijf woonplaats, The Netherlands' en 'Aziatische kunst: Ivoor”;
  • op de startpagina een afbeelding stond van vermoedelijk een ivoren beeldje;
  • indien doorgelinkt werd op deze afbeelding, men terecht kwam op een onderliggende pagina, waar een 80-tal vermoedelijk ivoren beeldjes te koop werd aangeboden;
  • op deze pagina stond vermeld: "!!Alle ivoren kunstvoorwerpen die wij aanbieden zijn toegestaan, volgens de Nederlandse Wetgeving!!".

Op 27 mei 2015 is voornoemde website nogmaals bezocht door verbalisant 1 en daaruit bleek dat er enkele beelden waren verkocht.

Hierop is – na overleg met de officier van justitie – besloten om tweemaal tot pseudokoop over te gaan, namelijk op 29 en 30 juni 2015. Hierbij bleek dat verdachte de beeldjes die waren aangetroffen op 23 maart 2015 nog steeds onder zich had en te koop aanbood. Verdachte heeft op 29 respectievelijk 30 juni 2015 een beeldje aan de pseudokopers verkocht, waarbij het op 29 juni 2015 verkochte beeldje op 30 juni 2015 met bijbetaling van € 150,-- voor een (derde) beeldje werd geruild.

Verdenking

  • Feit 1: op 30 juni 2015 opzettelijk producten van een beschermde uitheemse diersoort, te weten twee beeldjes vervaardigd van olifantenivoor, heeft verkocht of geruild en onder zich heeft gehad;
  • Feit 2: in de periode van 23 maart 2015 tot en met 30 juni 2015 opzettelijk 26 beeldjes van een beschermde uitheemse diersoorten, te weten olifanten-, walrus- en nijlpaardivoor en een bontjas van de diersoort Ocelot in voorraad heeft gehad en ten verkoop heeft aangeboden.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte van beide tenlastegelegde feiten moet worden vrijgesproken. De beeldjes die verdachte heeft verhandeld en te koop heeft aangeboden op zijn website vallen namelijk onder de zogenaamde antiekvrijstellingsregeling, omdat deze beeldjes vóór 1947 vervaardigd zijn.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman tevens betoogd dat de beeldjes genoemd onder de gedachtestreepjes 15 en 16 en 18 t/m 24 niet vervaardigd zijn van ivoor, afkomstig van de beschermde olifant, maar van mammoet. De mammoet is echter uitgestorven en valt dus volgens de raadsman niet meer onder de bescherming van de FFW.

Tenslotte is de bontjas niet te koop aangeboden maar heeft gediend als verfraaiing van verdachtes website. De jas betrof het persoonlijk bezit van verdachtes partner en valt daarmee onder de vrijstelling van art. 11 lid 1 van de regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten.

Wettelijk kader

Op 1 juli 1975 is de Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora, ofwel het CITES-Verdrag, in werking getreden. Dit verdrag beoogt wereldwijd de legale handel in wilde dier- en plantensoorten te reguleren om soorten te beschermen tegen overexploitatie en illegale handel tegen te gaan. Het Verdrag is van toepassing op elk dier of elke plant, levend of dood, van een soort die is opgenomen in een Bijlage bij het CITES-Verdrag. Het CITES-Verdrag bevat de Bijlagen I, II en III, waarin zijn opgenomen:

(I) soorten die met uitsterven worden bedreigd,

(II) soorten die zonder maatregelen mogelijk met uitsterven kunnen worden bedreigd en

(III) soorten waarvan één lidstaat de bescherming eist omdat de soort op haar grondgebied wordt bedreigd.

Ter uitvoering van het CITES-Verdrag heeft de Europese Unie de Basisverordening (Verordening van 9 december 1996, (EG) Nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het handelsverkeer) uitgevaardigd. De uitvoeringscriteria zijn neergelegd in de Uitvoeringsverordening (Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen (etc.)). De Basisverordening en de Uitvoeringsverordening vormen samen de wettelijke basis voor effectuering van het CITES-Verdrag in de wetgeving van de EU-Lidstaten.

De Basisverordening kent de Bijlagen A, B, C en D, waarin de beschermde soorten worden opgenoemd. In grote lijnen komen Bijlagen A, B en C overeen met Bijlagen I, II, en III van het CITES-Verdrag. Volgens artikel 8, tweede lid van de Basisverordening kunnen de lidstaten het in bezit hebben van beelden, met name van levende dieren die behoren tot de in bijlage A genoemde soorten, verbieden.

In Nederland is het CITES-regime uitgewerkt in de Flora- en Faunawet (FFW) en de op die wet gebaseerde regelgeving.

In artikel 5, tweede lid van de FFW juncto artikel 4, eerste lid, onder a, van de Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten FFW, worden de diersoorten van Bijlage A van de Basisverordening als beschermde uitheemse diersoorten aangewezen.

Artikel 13, eerste lid, onder a van de FFW verbiedt – onder meer – het onder zich hebben van dieren of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort.

Van dit bezitsverbod is ingevolge artikel 75, tweede, derde en vijfde lid van de FFW bij ministeriële regeling vrijstelling mogelijk, mits geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort.

De vrijstellingen zijn neergelegd in artikel 11 van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten FFW, dat – zakelijk weergegeven – luidt:

  1. van het bezitsverbod geldt een vrijstelling voor dode beelden van in gevangenschap geboren en gefokte of uit het wild afkomstige dieren, behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage A bij de Basisverordening, indien:
  2. het meer dan 50 jaar geleden verkregen bewerkte beelden betreft als omschreven in artikel 2, onder w, van de Basisverordening (hierna: de antiekvrijstelling);
  3. het persoonlijke bezittingen of huisraad betreft als omschreven in artikel 2, onderdeel j, van de Basisverordening of
  4. kan worden aangetoond dat de beelden overeenkomstig de wet en met inachtneming van de Basisverordening en Uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen.

De genoemde antiekvrijstelling, omschreven in art. 2, onder w, van de Basisverordening, ziet op beelden die meer dan 50 jaar vóór de inwerkingtreding van de Basisverordening ter vervaardiging van juwelen, decoratie, kunstvoorwerpen, gebruiksvoorwerpen of muziekinstrumenten zijn gebracht in een toestand die grondig verschilt van hun natuurlijke ruwe staat en waarvan ten genoegen van de administratieve instantie van de betrokken lidstaat is aangetoond dat zij onder die voorwaarden zijn verworven. Dergelijke beelden gelden enkel als bewerkt indien zij duidelijk passen in een van de genoemde categorieën en indien zij de beoogde functie kunnen vervullen zonder dat daarvoor nog snijwerk, bewerking of verdere afwerking nodig zijn. Gelet op de datum van inwerkingtreding van de Basisverordening kunnen beelden alleen onder de antiekregeling vallen indien deze vóór 1947 zijn vervaardigd.

De genoemde vrijstelling voor persoonlijke bezittingen of huisraad, omschreven in artikel 2, onder j, van de Basisverordening ziet op dode beelden alsmede delen en producten daarvan, die een particulier toebehoren en die deel uitmaken van zijn gewone persoonlijke bezittingen of daartoe bestemd zijn.

Oordeel rechtbank

Overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de onder de feiten 1 en 2 genoemde beeldjes en de bontjas

Uit het dossier blijkt dat verdachte de onder feit 1 van de tenlastelegging genoemde ivoren beeldjes op 29 en 30 juni 2015 heeft verkocht c.q. geruild. Ook heeft hij de onder feit 2 genoemde beeldjes in de periode van 23 maart 2015 tot en met 30 juni 2015 als eigenaar onder zich gehad en ten verkoop aangeboden.

Met betrekking tot de antiekvrijstelling

De antiekvrijstelling is van toepassing op specimens die in Bijlage A van de Basisverordening van 9 december 1996, (EG) Nr. 338/97 genoemd worden. De nijlpaard en de walrus worden echter beide in Bijlage B bij genoemde Basisverordening genoemd, zodat deze vrijstelling niet van toepassing is op het beeldje van nijlpaardivoor en het beeldje van walrusivoor, beide vermeld onder feit 2 van de tenlastelegging.

Met betrekking tot de overige beeldjes en de bontjas overweegt de rechtbank als volgt.

Vaststaat dat verdachte in de periode van 23 maart 2015 tot en met 30 juni 2015 niet

‘ten genoegen van de administratieve instantie van de betrokken lidstaat’ heeft aangetoond dat de onder feit 1 en 2 genoemde beeldjes en de bontjas van vóór 1947 stammen. Immers, verdachte is op 21 januari 2015 in de gelegenheid gesteld om zijn stelling dat de beeldjes en de bontjas vóór 1947 zijn vervaardigd, te onderbouwen met taxatierapporten. Bij de controle op 23 maart 2015 bleek hij echter niet in het bezit te zijn van de vereiste taxatierapporten. Ook op 30 juni 2015 waren dergelijke rapporten niet aanwezig.

De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte in de periode van 23 maart 2015 tot en met 30 juni 2015 niet heeft voldaan aan de voorwaarden van de antiekvrijstelling.

De rechtbank voegt hier ten overvloede nog het volgende aan toe.

Verdachte heeft op 19 augustus 2015 een 28-tal kopieën van taxatierapporten overgelegd waaruit zou moeten blijken dat de betreffende beeldjes vóór 1947 zijn vervaardigd. Deze taxatierapporten zijn in de periode van 3 tot 10 augustus 2015 opgemaakt door taxateur. Daarnaast heeft verdachte aangevoerd dat hij uit de handtekeningen die zich op de beeldjes bevinden kan afleiden dat de beeldjes vóór 1947 vervaardigd zijn. Hij

heeft deze handtekeningen jarenlang bestudeerd en hij is overtuigd van de echtheid van deze handtekeningen.

De rechtbank merkt in de eerste plaats op dat de onder de feiten 1 en 2 ten laste gelegde delicten niet achteraf ongedaan kunnen worden gemaakt door alsnog taxatierapporten te overleggen. Indien dergelijke rapporten achteraf nog zouden worden geaccepteerd dan zou de beschermende werking van de regeling illusoir worden. De regelgeving bepaalt immers dat de rapporten beschikbaar moeten zijn ten tijde van het voorhanden hebben, te koop aanbieden en verkopen van de beeldjes.

Daarnaast merkt de rechtbank op dat alleen door de bevoegde nationale autoriteiten erkende documenten als bewijsmiddel gelden voor een beroep op de antiekvrijstelling. De op verzoek van verdachte opgemaakte taxatierapporten van de taxateur kunnen echter niet als zodanig gelden, omdat uit het dossier blijkt dat de Nederlandse autoriteiten deze niet als bewijsmiddel hebben aanvaard. Hetzelfde geldt voor verdachtes beroep op zijn eigen deskundigheid.

De rechtbank merkt gelet op het voorgaande op dat zij nader onderzoek naar de vraag of de beeldjes zijn vervaardigd vóór 1947 niet noodzakelijk acht.

Met betrekking tot de beeldjes van mammoetivoor en het beeldje van onbekend materiaal, vermeld onder feit 2

Ten aanzien van het verweer dat de beeldjes van mammoetivoor en van onbekend materiaal niet onder regelgeving van de FFW vallen overweegt de rechtbank als volgt.

Vaststaat dat verdachte deze beeldjes op zijn website heeft aangeboden als olifantenivoor.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat in artikel 1 van de FFW is uitgewerkt wat valt onder een product van een dier. Daaronder vallen ook alle zaken waarvan uit de begeleidende documenten, de verpakking, een merkteken of etiket of enige andere omstandigheid moet worden aangenomen dat zij afgeleide producten of delen van dieren bevatten of daaruit bestaan. Naar het oordeel van de rechtbank valt hieronder ook een vermelding op een website. Door beeldjes van mammoetivoor aan te bieden als olifantenivoor heeft verdachte deze beeldjes onder de reikwijdte van de FFW gebracht en vallen ze onder het regiem van het olifantenivoor. Hetzelfde geldt voor het beeldje van onbekend materiaal, omschreven als “Dierenriembal”.

Met betrekking tot de bontjas van ocelot, vermeld onder feit 2

Verdachte heeft gesteld dat de bontjas van ocelot niet te koop is aangeboden maar ter verfraaiing van zijn website op deze site stond vermeld. De jas betrof het persoonlijk bezit van verdachte’s partner.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat uit het dossier blijkt dat voornoemde bontmantel in de tenlastegelegde periode duidelijk gecatalogiseerd door middel van verschillende foto’s met daarbij een prijsbepaling is weergegeven op de website van verdachte. De andere voorwerpen die te koop stonden op dezelfde website, zijn door verdachte op dezelfde manier aangeprezen. Hieruit concludeert de rechtbank dat verdachte ook de bontmantel van ocelot ten verkoop heeft aangeboden. Het verweer hieromtrent wordt dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 lid 1 onder a van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;
  • Feit 2: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 lid 1 onder a van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf van 120 uur op.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling opzettelijke overtreding omgevingsvergunning. Partiële vrijspraak ten aanzien van pleegperiode.

Rechtbank Oost-Brabant 18 april 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:1804 Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van overtreding van een voorschrift uit de omgevingsvergunning. De raadsman stelt zich op het standpunt dat de vergunning van 11 augustus 2006 nooit in werking is getreden en de vergunning van 2 december 2011 eerst per 29 februari 2012 in werking is getreden. Dat betekent dat er geen bewijs is voor dat deel van de tenlastelegging dat ziet op de periode vóór 29 februari 2012.

Beide vergunningen waren in die periode namelijk niet van kracht. Ten aanzien van de periode van 29 februari 2012 tot en met 26 september 2012 kan het tenlastegelegde feit worden bewezen.

Het oordeel van de rechtbank

T.a.v. de periode van 1 oktober 2010 tot en met 28 februari 2012:

Aan verdachte is op 11 augustus 2006 een revisievergunning op grond van artikel 8.4 van de Wm (oud) verleend. Hierbij is ook een rundveestal vergund waarvoor echter nimmer een bouwvergunning is aangevraagd. Op 2 december 2011 is aan verdachte een nieuwe revisievergunning verleend op grond van artikel 8.4 van Wm (oud). Op 29 februari 2012 zijn aan verdachte bouwvergunningen verleend voor de bouw van een vleesvarkensstal en een mest/opslag c.q. loods t.b.v. co-vergisting. Deze bouwactiviteiten hebben betrekking op de inrichting zoals deze is vergund in de omgevingsvergunning van 2 december 2011. Ingevolge artikel 1.2, derde lid, van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Invoeringswet) is deze revisievergunning gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, van de Wabo. Op grond van artikel 1.2a, tweede lid, van de Invoeringswet treedt deze omgevingsvergunning pas in werking op het moment nadat vergunning is verleend voor alle betrokken bouwactiviteiten. Ingevolge artikel 2.4, zesde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vervangt een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid van dat artikel (een revisievergunning) alle voorgaande vergunningen vanaf het moment van inwerkingtreding. Dat betekent dat de omgevingsvergunning van 2 december 2011 op 29 februari 2012 in werking is getreden nadat de betrokken omgevingsvergunningen voor het bouwen zijn verleend. De revisievergunning van 11 augustus 2006 is nooit in werking getreden omdat niet alle betrokken bouwvergunningen zijn verleend.

Nu de vergunning van 11 augustus 2006 nooit in werking is getreden, kan verdachte niet in strijd met de voorschriften van die vergunning hebben gehandeld. Verdachte kan evenmin hebben gehandeld in strijd met de voorschriften van de omgevingsvergunning van 2 december 2011 in de periode tot 29 februari 2012 omdat gedurende de te laste gelegde periode evenmin in werking is geweest. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode tot 29 februari 2012 heeft gehandeld in strijd met de voorschriften van de vigerende omgevingsvergunning en zal verdachte daarvan vrijspreken.

T.a.v. de periode van 29 februari 2012 tot en met 26 september 2012:

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van dit feit sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359 lid 3, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, terwijl namens de verdediging geen vrijspraak is bepleit.

De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring van dit feit hebben geleid:

  • proces-verbaal van bevindingen;
  • revisievergunning gemeente Someren d.d. 2 december 2011;
  • proces-verbaal van bevindingen NVWA d.d. 5 oktober 2012;
  • bekennende verklaring van verdachte.

Bewezenverklaring

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Strafoplegging

Geldboete van EUR 2000,00 subsidiair 30 dagen hechtenis waarvan EUR 1000,00 subsidiair 15 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Themanummer: Perspectieven op het Urgenda-vonnis

De redactie van het Tijdschrift M&R heeft ervoor gekozen om de belangrijke doch ook complexe Urgendazaak een bijzondere behandeling te geven door verschillende dimensies van de uitspraak te laten bespreken door een reeks van deskundigen die ieder steeds een specifiek perspectief ter hand nemen. Dit nummer biedt de eerste vier perspectieven aan, te weten: 1) een staatsrechtelijk perspectief gepresenteerd door Aalt Willem Heringa, 2) een Europeesrechtelijk perspectief geleverd door Mariolina Eliantonio; 3) een natuurwetenschappelijk (IPPC-)perspectief van de hand van Leo Meyer; en 4) een beleidsmatig perspectief opgesteld door Pieter Boot. Later dit jaar verschijnen nog andere perspectieven, zoals een civielrechtelijk perspectief en een perspectief vanuit de omgevingswet. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling tot geldboete wegens tweemaal overtreding van de Meststoffenwet door meer varkens te houden dan het op het bedrijf rustende varkensrecht

Rechtbank Oost-Brabant 18 april 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:1803 Verdachte heeft door meer varkens te houden dan het op het bedrijf rustende varkensrecht op illegale wijze een financieel voordeel behaald ten opzichte van de concurrenten die wel beschikken over voldoende varkensrechten.

De raadsman pleit voor vrijspraak. Er is onvoldoende bewijs voor de stelling van de officier van justitie dat verdachte niet 2000 varkensrechten extra had. De bedrijfssituatie zoals die tot 1 januari 1997 is gevoerd dient scherp onderscheiden te worden van de bedrijfssituatie die nadien is gevoerd. De ene situatie had betrekking op de landbouwgronden van bedrijf 1 en de stal te Finsterwolde, de situatie ná 1997 had betrekking op de gronden van bedrijf 1 in combinatie met het bedrijf 2 te Someren. Slechts over die laatst genoemde situatie heeft het CBB zich in haar uitspraak van 23 november 2006, ABW 05/349, uitgelaten. Het gaat om twee separate bedrijven in de zin van de Meststoffenwet. verdachte kan aanspraak maken op de 2000 varkensrechten van de maatschap bedrijf 3.

Er zijn geen onderliggende stukken in het dossier met betrekking tot de periode vóór 1 januari 1997.

Het oordeel van de rechtbank

Verbalisanten verbalisant 1 en verbalisant 2 van de AID hebben op 26 januari 2011 een controle uitgevoerd bij het bedrijf van verdachte naar de naleving van het aanwezige varkensrecht en het gemiddeld aantal gehouden varkens gedurende de kalenderjaren 2009 en 2010.

Volgens de veesaldokaarten had het bedrijf in 2009 gemiddeld 28124 varkensrechten nodig, terwijl het volgens de gegevens van de AID 25709 geregistreerde varkensrechten had, hetgeen een overschrijding van 2415 varkensrechten oplevert.

In 2010 had het bedrijf volgens de veesaldokaarten gemiddeld 28068 varkensrechten nodig, terwijl het volgens gegevens van de AID 22125 geregistreerde varkensrechten had. Dat levert een overschrijding van 3943 varkensrechten op.

Verdachte heeft op 6 mei 2011 tegenover verbalisant 2 van de AID verklaard dat hij wel wist dat hij iets rechten tekort kwam. Ter terechtzitting van 4 april 2016 heeft verdachte verklaard dat zijn verklaring van 6 mei 2011 wel kan kloppen.

Bij de beoordeling van deze zaak gaat het met name om de vraag of verdachte aanspraak kon maken op 2000 varkensrechten afkomstig van de maatschap bedrijf 3, zoals de raadsman heeft betoogd. Deze zouden ten onrechte niet zijn meegeteld bij de invoering van de Wet herstructurering varkenshouderij.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

Bij de bepaling van de hoogte van de varkensrechten bij de invoering van de Wet herstructurering varkenshouderij (Whv) gaat de rechtbank uit van de rekenregels zoals deze in die wet zijn opgenomen. De varkensrechten van een bedrijf worden begrensd door de mestproductierechten van het bedrijf in 1995 of 1996. verdachte heeft gekozen voor een berekening van de varkensrechten op basis van 1996.

Verder worden de varkensrechten van een bedrijf begrensd door de mestproductierechten van het bedrijf op 31 augustus 1998, de dag voor inwerkingtreding van de Whv. Er worden dus geen varkensrechten berekend voor bedrijven die varkens hebben gehouden zonder in het betreffende referentiejaar of op 31 augustus 1998 over mestproductierechten te beschikken.

Of de maatschap bedrijf 3 op 31 augustus 1998 over mestproductierechten kon beschikken hangt ervan af of op die datum landbouwgrond behoorde tot het bedrijf van die maatschap. Om te bepalen of landbouwgrond als ‘tot het bedrijf behorend’ kan worden aangemerkt moet worden voldaan aan twee voorwaarden, te weten een geldige gebruikstitel en daadwerkelijk gebruik van de landbouwgrond in het kader van een normale bedrijfsvoering, beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden.

In bijlage 2 bij het aanvullend proces-verbaal van bevindingen staat in de brief van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland d.d. 26 november 2015 onder meer het volgende:

“Aan de eerste voorwaarde wordt voldaan. persoon 1 heeft bij goedgekeurde pachtovereenkomsten, ingaande 1 januari 1994, aan de maatschap bedrijf 3 landbouwgrond te Borsele verpacht.

Aan de tweede voorwaarde is niet voldaan. De betreffende landbouwgrond van persoon 1 is niet in het kader van de normale bedrijfsvoering in gebruik geweest bij de maatschap bedrijf 3. Dit blijkt uit onderzoek door de NVWA op het bedrijf van de maatschap bedrijf 3 naar de feitelijke omstandigheden.”

Feitelijke omstandigheden

De NVWA heeft vastgesteld dat er feitelijk nooit uitvoering is gegeven aan de maatschap bedrijf 3. Dat blijkt uit het strafdossier (…) dat naar aanleiding van dat onderzoek is opgemaakt.

Op blad 23 van het onderzoeksrapport concludeert de NVWA:

“Kennelijk heeft maatschap bedrijf 2 (= verdachte en persoon 2 ) een constructie opgezet voor het houden van varkens, waaruit moet blijken dat de maatschap bedrijf 3 de houder is van varkens, welk in de periode vanaf 1-1-1994 tot en met 31-12-1996 werden gehouden in de stalruimte op de locatie te Finsterwolde en die welke vanaf 1-1-1997 t/m heden zijn gehouden in de stalruimte op de locatie te Someren (…) Er is in deze sprake van een schijnconstructie welke in de Meststoffenwet wordt ondervangen door artikel 2, de zgn. “Fraus legis bepaling”. Er is ten aanzien van de exploitatie van de beide bedrijven ( bedrijf 4 en bedrijf 5 ) geen verandering gekomen in de bedrijfsvoering van elk bedrijf zoals die was voor het aangaan van de constructie en waarbij de overeenkomsten vermoedelijk ook geenszins ten doel hadden een wezenlijke verandering van de feitelijke verhoudingen te bewerkstellingen.”

De feitelijke situatie was dus dat de landbouwgrond van de maatschap bedrijf 1 niet in het kader van een normale bedrijfsvoering in gebruik was bij de maatschap bedrijf 3. (…) Het college van Beroep voor het Bedrijfsleven (Cbb) heeft dit ook in de uitspraak van 23 november 2006 (ECLI:NL:CBB:2006:AZ4323) bevestigd.

De rechtbank neemt deze redenering over en maakt deze tot de hare.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de maatschap bedrijf 3 op 31 augustus 1998 niet over (grondgebonden) mestproductierechten beschikte en daarom ook niet beschikte over de geclaimde 2000 varkensrechten. Er wordt namelijk niet voldaan aan één begrenzing bij berekening van de varkensrechten bij de invoering van de Whv. Of wordt voldaan aan de andere begrenzing, van het gekozen referentiejaar, in dit geval 1996, kan daarom buiten beschouwing blijven. Dat de uitspraak van het Cbb nooit betrekking kon hebben gehad op de situatie in 1996, leidt daarom niet tot een ander oordeel. Verdachte kon en kan daarom geen aanspraak maken op de geclaimde 2000 varkensrechten die afkomstig zouden zijn van de maatschap bedrijf 3. De rechtbank acht de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 19 van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan.
  • Feit 2: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 19 van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Strafoplegging

Geldboete van EUR 30.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^