Nieuwe wet voor milieuvergunningen en toezicht

Vanaf 14 april is de wet VTH in werking waarin het vernieuwde milieutoezicht is vastgelegd. Deze wet legt de basis voor de 29 nieuw gevormde omgevingsdiensten. Deze werken al enige tijd volgens de principes van een betere vergunningverlening, toezicht en handhaving. Zo zijn veel medewerkers van provincies en gemeenten bijeengebracht in de omgevingsdiensten. De wet VTH is het resultaat van een traject waarin door de Rijksoverheid, het IPO en de VNG meerdere jaren nauw is samengewerkt om de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving van milieuregels beter te organiseren.

Aanleiding voor de wetswijziging was het rapport van de commissie Mans in 2008, waarin werd geconcludeerd dat milieutoezicht en handhaving in de praktijk niet altijd goed georganiseerd was. De provincies, gemeenten en de rijksoverheid hebben sinds 2008 gezamenlijk gewerkt aan vernieuwing van het stelsel van vergunningverlening en handhaving op milieugebied. Van de 29 omgevingsdiensten zijn er zes gespecialiseerde omgevingsdiensten aangewezen om toezicht te houden op complexe en risicovolle bedrijven in heel Nederland, zoals de chemische industrie.

De wet regelt dat een basistakenpakket op milieugebied voortaan door de omgevingsdiensten wordt uitgevoerd. Gemeenten en provincies blijven wel bevoegd gezag voor deze taken, maar door de bundeling van de uitvoering van de taken en deskundigheid bij de omgevingsdiensten die een hele regio bestrijken, wordt de kwaliteit verbeterd. De wet legt tevens vast dat provincies en gemeenten voorschriften over de gewenste kwaliteit van de vergunningverlening en handhaving van hun milieutaken moeten opnemen in verordeningen. Ook zijn er bepalingen opgenomen over informatie-uitwisseling en samenwerking tussen onder andere provincies, gemeenten, waterschappen, Openbaar Ministerie en de politie bij de uitvoering en de handhaving van milieuregels.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling feitelijk leidinggever en rechtspersoon voor overtreding Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 6 april 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:2087 Verdachte heeft zich als feitelijk leidinggever van de rechtspersoon (medeverdachte 1) gedurende een periode van ruim anderhalf jaar schuldig gemaakt aan opzettelijke overtreding van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Twee in Nederland niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen zijn ingevoerd vanuit Rusland naar Nederland en hier op de markt gebracht door deze middelen te verkopen waarna de middelen ook daadwerkelijk gebruikt zijn door (rozen)kwekers.

Daarnaast heeft de rechtspersoon zich schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van verkoopfacturen. Ook aan die verboden gedragingen heeft verdachte feitelijk leiding gegeven. Ten slotte heeft ook verdachte zelf zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door zakken waarin de gewasbeschermingsmiddelen zaten om te stickeren.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft aangevoerd dat de als overtreding tenlastegelegde feiten onder feit 1. verjaard zijn nu het gaat om feiten die zouden hebben plaatsgevonden in de periode van 1 april 2009 tot en met 31 december 2010. Daarbij is gewezen op de verjaringstermijn van drie jaren. Verzocht is de officier van justitie niet ontvankelijk te verklaren in de vervolging.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de opzetvariant kan komen, de tenlastegelegde overtredingsvariant verjaard is.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

De economische delicten, bedoeld in artikel 1a, onder 1° van de Wet op de economische delicten zijn misdrijven voor zover zij opzettelijk zijn begaan; voor zover deze economische delicten geen misdrijven zijn, zijn zij overtredingen. Ingevolge het bepaalde in artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht vervalt het recht tot strafvervolging door verjaring voor overtredingen in drie jaren.

De tenlastegelegde periode beslaat 1 april 2009 tot en met 31 december 2010. Verdachte is op 3 oktober 2014 voor het eerst gedagvaard in deze zaak. Deze dagvaarding dient te worden gezien als een eerste daad van vervolging. Gelet hierop is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard voor zover overtredingen zijn tenlastegelegd nu deze tenlastegelegde overtredingsvariant is verjaard.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem tenlastegelegde feiten opzettelijk heeft gepleegd. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gewasbeschermingsmiddelen Bitoxybacillin en Lepidocide niet in Nederland zijn toegelaten door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (CTGB) en derhalve niet voorkomen in het register met in Nederland toegelaten gewasbeschermingsmiddelen.

Uit onderzoek van de Nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) is gebleken dat in de periode van 2009 tot en met 2010 door importbedrijf 1, importbedrijf 3 en importbedrijf 2 de hiervoor genoemde gewasbeschermingsmiddelen zijn ingevoerd vanuit Rusland naar Nederland welke middelen vervolgens zijn doorverkocht aan medeverdachte 1 die het op haar beurt weer heeft doorverkocht als bladvoeding en bladglans aan voornamelijk Nederlandse rozenkwekers.

Uit onderzoek is verder gebleken dat daarbij facturen en verpakkingen zijn vervalst.

De officier van justitie baseert zich hierbij op bevindingen van de NVWA, op verklaringen van diverse getuigen, op verklaringen van verdachte en medeverdachten en op valselijk opgemaakte in- en verkoopfacturen en verpakkingen. Verdachte heeft naar de opvatting van de officier van justitie aan de verboden gedragingen feitelijk leiding gegeven; hij heeft welbewust aangestuurd op deze wijze van werken.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen.

Gesteld is dat verdachte in strijd met de Aanwijzing bemonstering en analyse milieudelicten niet op de hoogte is gebracht van de resultaten van de genomen monsters en dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om een contra-analyse te verzoeken. Contramonsters zijn vernietigd ruim voordat de verdediging op de hoogte was van de resultaten. Naar de mening van de verdediging is sprake van een formeel beletsel om de onderzoeksresultaten voor het bewijs te gebruiken.

Geconcludeerd is dat, nu is gehandeld in strijd met eerdergenoemde Aanwijzing, sprake is van een onherstelbaar vormverzuim.

Daarnaast is aangevoerd dat in strijd met de Wet deskundigen in strafzaken en de Aanwijzing technisch onderzoek/deskundigenonderzoek het onderzoek door het RIKILT niet is beschouwd als een deskundigenonderzoek in de zin van artikel 150 van het Wetboek van Strafvordering (Sv.) en als zodanig had moeten worden behandeld, waardoor de rechten en belangen van verdachte in alle opzichten met voeten getreden zijn. Ook ten aanzien hiervan is sprake van een onherstelbaar vormverzuim.

Beide vormverzuimen dienen tot gevolg te hebben dat de resultaten van het onderzoek door het RIKILT niet mogen bijdragen aan het bewijs.

Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de gehanteerde meetmethode is aangevoerd, kort samengevat, dat ten tijde van de monstername geen sprake was van een gevalideerde onderzoeksmethode. Weliswaar beschikte het RIKILT over een algemene accreditatie maar geen specifieke accreditatie voor de onderhavige meetmethode. Naar de opvatting van de verdediging is het volstrekt onduidelijk of de analyses zijn uitgevoerd volgens de daarvoor ontwikkelde criteria als genoemd in het zogenoemde SANCO-document.

Verder is aangevoerd dat het goed denkbaar is dat sprake is geweest van contaminatie door vermenging van de monsters met een externe bron.

Op de gronden zoals hiervoor aangegeven, zowel op zichzelf, als in combinatie met de eerder aangevoerde gronden, meent de verdediging dat de onderzoeksresultaten niet gebruikt kunnen worden als bewijsmiddel voor de aanwezigheid van de niet-toegelaten stof.

Gelet hierop zal verdachte moeten worden vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten.

Uit het dossier kan verder niet worden afgeleid dat de tenlastegelegde invoer door verdachte heeft plaatsgevonden. Van enige betrokkenheid van verdachte blijkt niets, laat staan dat sprake zou zijn van een nauwe en volledige samenwerking.

Subsidiair is aangevoerd dat niet blijkt dat in de door importbedrijf 1 bij bedrijf 1 aangekochte producten de niet toegelaten bacillus heeft gezeten. Daarbij is onder meer gewezen op verklaringen van diverse afnemers die aangegeven hebben dat zij bladvoeding hebben gekocht en ook als zodanig hebben toegepast.

Verder wordt uitdrukkelijk gesteld dat verdachte niet op de hoogte was, noch hoefde te zijn van de aanwezigheid van de niet toegelaten stoffen. Verdachte had niet de intentie bestrijdingsmiddelen met die stoffen te kopen.

In een eerder stadium heeft verdachte van medeverdachte 2 bladvoeding aangeboden gekregen. Een van de afnemers van verdachte heeft deze bladvoeding laten analyseren waarna bleek dat het om kippenmist ging.

Het product werd door importbedrijf 1 verkocht als bladvoeding. Uit het dossier blijkt niet dat zulks op verzoek van verdachte gebeurde.

Van opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, is dan ook geen sprake.

Geconcludeerd wordt dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de onder feit 1 tenlastegelegde opzettelijke overtreding, subsidiair dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens niet strafbaarheid van dat feit.

Onder verwijzing naar hetgeen is aangevoerd met betrekking tot feit 1 is ten aanzien van feit 2 eveneens vrijspraak bepleit. Bij nagenoeg alle bedoelde afnemers is geen monster genomen en/of geanalyseerd. Het is verder onaannemelijk dat de facturen betrekking kunnen hebben op leveringen ten aanzien waarvan wel monsters genomen zijn. Derhalve kan niet vastgesteld worden dat het geleverde product iets anders is geweest dan op de factuur is omschreven.

Ten aanzien van feit 3 is aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat op de zakken waarop de tenlastelegging ziet, de aanduidingen “Bitoxybacillin” en/of “Lepidocide” hebben gestaan. Daarnaast is ten aanzien van het omstickeren gesteld dat dat in alle openheid heeft plaatsgevonden en derhalve een activiteit betrof die in de perceptie van de personen die daarbij betrokken waren, niets illegaals behelsde. Uit het dossier blijkt niet dat het omstickeren de strekking had om de vermeende werkelijke inhoud van de zakken te verhullen. Het stickeren is een voor verdachte geen ongebruikelijke bezigheid als het gaat om uit het buitenland afkomstige producten met een tekst die voor de gemiddelde afnemer niet begrijpelijk is. In Nederland gebeurt dit met alle consumentenproducten in een vreemde taal.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Ten aanzien van dit feit dient de rechtbank, kort samengevat, de volgende vragen te beantwoorden:

  1. Zijn Bitoxybacillin en Lepidocide gewasbeschermingsmiddelen en biociden in de zin van artikel 1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (WGB)?
  2. Zijn deze gewasbeschermingsmiddelen toegelaten op de Nederlandse markt?
  3. Wanneer is sprake van invoer, voorhanden hebben, in voorraad hebben en op de markt brengen van die middelen als bedoeld in de van toepassing zijnde regelgeving?
  4. Heeft medeverdachte 1 zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 20 van de WGB?
  5. Zo ja, heeft zij daarop ook het opzet gehad? en
  6. Heeft verdachte hiervoor opdracht en/of hieraan feitelijk leiding gegeven?

De rechtbank beantwoordt deze vragen als volgt.

De WGB is in werking getreden op 17 oktober 2007 ter vervanging van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962. Blijkens de aanhef van deze wet is deze mede gebaseerd op richtlijn 91/414/EEG van de Raad van de Europese Unie (Raad) van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden. Op 14 juni 2011 is eerstgenoemde Europese richtlijn vervangen door de verordening (EG) nummer 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009. Bij de beantwoording van de hiervoor aangehaalde vragen gaat de rechtbank uit van de hiervoor aangehaalde nationale en Europese regelgeving.

Uitgangspunt van beide Europese verordeningen is dat goedkeuring van werkzame stoffen plaats vindt op Europees niveau waarna de toelatingsprocedure van gewasbeschermingsmiddelen op nationaal niveau plaats vindt.

Zijn Bitoxybacillin en Lepidocide gewasbeschermingsmiddelen en biociden in de zin van artikel 1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (WGB)?

 

De werkzame stof van het Russische gewasbeschermingsmiddel Bitoxybacillin is Bacillus Thuringiensis subsp. Thuringiensis. Bacillus Thuringiensis is een bacterie die een gif afscheidt. Wanneer het bacteriepreparaat Bitoxybacillin op een plant wordt gespoten en waarna de bacterie haar werk verricht, sterven de op de plant aanwezige schadelijke zuiginsecten.

De werkzame stof van het Russische gewasbeschermingsmiddel Lepidocide is Bacillus Thuringiensis var. Kurstaki. Deze stof heeft dezelfde werking als de hiervoor genoemde stof, maar leidt niet tot het giftige beta exotoxine, dat wel door Bacillus Thuringiensis subsp. Thuringiensis wordt geproduceerd.

Beide middelen worden door de fabrikant ook verkocht als insecticide.

De rechtbank concludeert op grond van het vorenstaande dat genoemde middelen, die tevens gebruikt kunnen worden als insecticide, ten tijde van de verweten gedragingen en ook thans, gewasbeschermingsmiddelen in de zin van artikel 1 van de WGB zijn.

Zijn deze gewasbeschermingsmiddelen toegelaten op de Nederlandse markt?

De werkzame stof van Bitoxybacillin, te weten Bacillus Thuringiensis subsp. Thuringiensis komt niet voor op Bijlage 1 van de hiervoor aangehaalde Richtlijn 91/414/EEG. Deze werkzame stof is niet goedgekeurd door de European Chemicals Agency.

Verder blijkt uit informatie van het CTGB dat, vanwege de gevaarzetting, commerciële producten geen beta exotoxine mogen bevatten. Het middel Bitoxybacillin heeft in Nederland geen (aanvraag) tot toelating. Een aanvraag tot toelating in Nederland zou sowieso sneuvelen, nu deze stof niet voorkomt op voornoemde bijlage van de Richtlijn.

De werkzame stof van Lepidocide is Bacillus Thuringiensis subsp. Kurstaki. Deze stof komt wel voor op Bijlage 1 van laatstgenoemde Richtlijn. Het gewasbeschermingsmiddel Lepidocide is echter door het CTGB niet toegelaten en komt niet voor in het register met in Nederland toegelaten gewasbeschermingsmiddelen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de gewasbeschermingsmiddelen Bitoxybacillin en Lepidocide niet zijn toegelaten op de Nederlandse markt.

Wanneer is sprake van invoer, voorhanden hebben, in voorraad hebben en op de markt brengen van die middelen als bedoeld in de van toepassing zijnde regelgeving?

Ingevolge het bepaalde in artikel 20 WGB, zoals dat artikel luidde ten tijde van de verweten gedragingen, is het verboden een gewasbeschermingsmiddel of een biocide op de markt te brengen, voorhanden of in voorraad te hebben, binnen Nederland te brengen of te gebruiken, dat niet ingevolge deze wet is toegelaten (…).

Wat onder “het op de markt brengen” dient te worden verstaan is bepaald in artikel 1 WGB: op de markt brengen: iedere vorm van distribueren, leveren, afleveren of vervoeren, al dan niet tegen betaling, met uitzondering van leveringen voor opslag en daaropvolgende verzending buiten het grondgebied van Nederland.

 

Met de inwerkingtreding per 14 juni 2011 van Verordening (EG) 1107/2009 luiden de van belang zijnde bepalingen als volgt:

 

De rechtbank is, gelet op het wettelijk kader, van oordeel dat zowel het op de markt brengen, het voorhanden/in voorraad hebben, het invoeren en het gebruiken zowel ten tijde van de verweten gedragingen als nu verboden is. Van een situatie als bedoeld in artikel 74 WBG (zowel oud als nieuw), te weten doorvoer, is de rechtbank niet gebleken.

Heeft medeverdachte 1 zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 20 van de WGB?

Om rozenkwekers te (blijven) bewegen tot een betere naleving van de bepalingen gesteld in de WGB is in het kader van het controleplan “Rozen 2010” door de Werkvoorbereidingsunit van de Algemene Inspectiedienst een aantal bedrijven geselecteerd dat zich bezighoudt met de teelt van rozen onder glas. In dat kader is op 10 november 2010 controle uitgevoerd bij rozenkweker bedrijf 2 te Almere. Bij een tweede bezoek aan het bedrijf toonde eigenaar bedrijf 2 een factuur van medeverdachte 1 van 12 augustus 2010. Verbalisanten zagen dat door medeverdachte 1 op 5 augustus 2010 15 kilogram bladvoeding was geleverd aan eigenaar bedrijf 2. eigenaar bedrijf 2 toonde vervolgens de verpakking bladvoeding die hij nog op voorraad had staan, dit betrof een onaangebroken bruine zak.

Deze onaangebroken bruine papieren zak werd vervolgens in beslag genomen. eigenaar bedrijf 2 gaf aan dat dit de bladvoeding betrof die vermeld stond op de getoonde factuur. Het betrof de verpakking die door verdachte was geleverd en gefactureerd. De onaangebroken bruine zak werd voorzien van zegelnummer 7429 en overhandigd aan het RIKILT. De inhoud van deze zak is bemonsterd en onderzocht door het RIKILT. Ten aanzien van zegelnummer 7429 werd na analyse vastgesteld dat in het monster Thuringiensis (beta-exotoxine) was aangetoond.

De rechtbank overweegt omtrent de verweren ten aanzien van de door het RIKILT uitgevoerde analyse het volgende.

De verdediging heeft een beroep gedaan op de Aanwijzing bemonstering en analyse milieudelicten. Ingevolge deze Aanwijzing wordt een verdachte zo spoedig mogelijk op de hoogte gesteld indien er monsters zijn genomen. De analyseresultaten worden eveneens zo spoedig mogelijk aan de verdachte bekend gemaakt. Het hiervoor aangehaalde monster is genomen uit de onaangebroken bruine zak, welke onder eigenaar bedrijf 2 in beslag werd genomen. eigenaar bedrijf 2 werd als verdachte aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat eigenaar bedrijf 2 rechten heeft kunnen ontlenen aan deze Aanwijzing. Dit geldt echter niet voor verdachte nu de Aanwijzing zich richt op de verdachte onder wie het monster in beslag is genomen.

Ten overvloede merkt de rechtbank hieromtrent op dat verdachte tijdens zijn verhoor van 25 februari 2011 is geconfronteerd met de analyseresultaten van 23 februari 2011 van het RIKILT. verdachte is dus wel degelijk op de hoogte gesteld van de resultaten van het RIKILT van 23 februari 2011.

In zoverre treft het verweer geen doel.

De rechtbank is verder van oordeel dat geen sprake is van strijd met de Wet deskundigen in strafzaken. Het type onderzoek als hier bedoeld wordt in de wet niet gelijkgesteld aan een deskundigenonderzoek in de zin van artikel 150 Sv. Het betreft in casu immers onderzoek naar sporen en de analyse daarvan. Dit onderzoek kan ook door deskundigen van buiten de opsporingsinstanties worden verricht.

Zoals hiervoor al overwogen is verdachte op 25 februari 2011 gewezen op de onderzoeksresultaten. Op dat moment had verdachte al rechtsbijstand van een advocaat. Op grond van het bepaalde in artikel 30 Sv. had verdachte of zijn raadsman kennisneming van processtukken kunnen verzoeken, eventueel door tussenkomst van de rechter-commissaris bij weigering van de officier van justitie. Verdachte of zijn toenmalige raadsman hebben echter zo’n verzoek toen niet gedaan.

Van enig vormverzuim is de rechtbank niet gebleken.

Ten aanzien van de gehanteerde onderzoeksmethode overweegt de rechtbank het volgende.

Een risico op contaminatie heeft zich in het hiervoor aangehaalde onderzoek niet kunnen voordoen omdat het gaat om een monster uit een onaangebroken zak en niet om een monster uit een spuit of een emmer of iets dergelijks.

Ten aanzien van de deskundigheid van het RIKILT en de gehanteerde onderzoeksmethode overweegt de rechtbank dat het RIKILT onderdeel is van de internationale kennisorganisatie Wageningen UR (University & Research Centre). Het RIKILT doet onafhankelijk onderzoek naar de veiligheid en kwaliteit van voedsel. Het instituut is gespecialiseerd in de detectie, identificatie, functionaliteit en (mogelijk schadelijke) effectiviteit van stoffen in voedingsmiddelen en diervoeders.

Het RIKILT is dus een gespecialiseerd instituut dat in 2009 een analysemethode heeft ontwikkeld om de aanwezigheid van de subspecies Thuringiensis vast te stellen in gewasbeschermingsmiddelen. Deze methode wordt tot op heden nog steeds gebruikt. Het RIKILT heeft in 2013 over deze methode gepubliceerd in het tijdschrift ‘Analytical and Bioanalytical Chemistry’.

Monsters worden twee keer getest door twee verschillende medewerkers op twee verschillende tijdstippen. Daarmee zijn naar het oordeel van de rechtbank testresultaten met voldoende waarborgen omkleed en betrouwbaar te achten.

Ook in zoverre treft het verweer geen doel.

Door de verdediging is nog een analyserapport overgelegd van het onderzoekslaboratorium naam onderzoekslaboratorium. Uit niets blijkt dat naam onderzoekslaboratorium het monster dat is aangeboden heeft onderzocht op de aanwezigheid van subspecies Thuringiensis. Voorts is ook niet gebleken dat naam onderzoekslaboratorium daartoe de vereiste deskundigheid had. Verder valt uit het rapport op geen enkele wijze op te maken van welk bedrijf het monster van afkomstig is en wanneer het is genomen.

Naar aanleiding van het aantreffen van het middel Bitoxybacillin is onderzoek gedaan bij medeverdachte 1 te Oosteind. Een van de verbalisanten werd te woord gestaan door mevrouw echtgenote verdachte, echtgenote van directeur verdachte. Nadat haar was meegedeeld dat er onderzoek naar het middel met de naam “bladvoeding” werd gedaan, werd door haar, nadat zij de administratie had geraadpleegd, meegedeeld dat het middel werd betrokken van het bedrijf importbedrijf 1. Een aantal documenten werd inbeslaggenomen.

Ook bij importbedrijf 1, importbedrijf 2 en importbedrijf 3 werd onderzoek ingesteld en werden documenten inbeslaggenomen.

Op 1 maart 2010 is een overeenkomst gesloten tussen importbedrijf 1 en medeverdachte 1.

Uit rekeningafschriften van de Rabobank en ING blijkt dat door medeverdachte 1. Bedragen zijn overgemaakt op de rekening van importbedrijf 2 en importbedrijf 1 Verder blijkt dat op diverse data in 2010 door importbedrijf 2 bedragen zijn overgemaakt op de rekening van bedrijf 1.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij onder meer aan eigenaar bedrijf 2 geleverd heeft. Verder heeft hij verklaard dat de verpakkingen bij importbedrijf 1 werden geleverd en aldaar meteen gestickerd werden waarna het merendeel van de zakken meteen uitgeleverd werd aan klanten, die voor een deel in de buurt van importbedrijf 1 gevestigd waren. Ook op het bedrijf had medeverdachte 1. een voorraad liggen.

Tijdens het opsporingsonderzoek heeft verdachte verklaard dat hij bij importbedrijf 1 bladvoeding zag staan en dat het daarna is gaan lopen. De bladglans werkte niet maar de bladvoeding liep heel goed. De zendingen werden door verdachte zelf opgehaald bij bedrijf 3. Na geconfronteerd te zijn met een aantal facturen heeft verdachte verklaard dat de bladvoeding en bladglans is geleverd door importbedrijf 1. Verklaard is ten slotte dat hij niet ontkent dat de bladvoeding de BN3 (oftewel Bitoxybacillin) is.

Medeverdachte medeverdachte 2 heeft verklaard dat verdachte op kantoor kwam en aan de balie leveringen doorgaf.Verklaard is dat hij, medeverdachte 2, wist dat de Bitoxybacillin niet geregistreerd was in Nederland. De Bitoxybacillin moest onder een andere naam naar Nederland gehaald worden, te weten als bladvoeding. Bitoxybacillin werd vanaf 2009 gekocht bij bedrijf 1. in Rusland. verdachte wilde hebben dat op de factuur bladvoeding werd vermeld. Als het product in Nederland was gearriveerd werd verdachte hiervan in kennis gesteld; hij kon dan het product afhalen bij bedrijf 3 in Den Haag.

Medeverdachte 2 is geconfronteerd met facturen van importbedrijf 2 Over deze facturen heeft hij verklaard dat deze zijn verzonden aan medeverdachte 1 Voor de Bitoxybacillin werd de omschrijving bladvoeding gebruikt.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat medeverdachte 1 zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 20 van de WGB. Samen met de “ gezamenlijke naam importbedrijven ” heeft medeverdachte 1 de in Nederland niet toegelaten gewasbestrijdingsmiddelen Bitoxybacillin en Lepidocide ingevoerd en voorhanden gehad en vervolgens op de Nederlandse markt gebracht.

De Russische fabrikant bedrijf 1 heeft blijkens de facturen de gewasbeschermingsmiddelen Bitoxybacillin en Lepidocide geleverd aan de “gezamenlijke naam importbedrijven”; insecticiden die volgens de website van bedrijf 1 de werkzame stoffen Bacillus Thuringiensis subspecies Thurigiensis en subspecies Kurstaki bevatten. Dat de zakken van bedrijf 1 ook daadwerkelijk deze inhoud hebben, blijkt uit de testresultaten van het monster uit de zak bij rozenkweker eigenaar bedrijf 2. Naar het oordeel van de rechtbank staat op grond van het voorgaande voldoende vast dat bedrijf 1 meerdere malen Bitoxybacillin en Lepidocide heeft geleverd aan importbedrijf 1.

Uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen volgt onmiskenbaar dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen medeverdachte 1 en importbedrijf 1 De vertegenwoordigers van deze rechtspersonen hebben elkaar opgezocht en zijn een handel in Bitoxybacillin en Lepidocide begonnen. Daarbij zorgde importbedrijf 1 voor de invoer van die middelen uit Rusland waarna de middelen werden verkocht aan medeverdachte 1 die de middelen vervolgens verkocht aan zijn klanten.

Heeft zij daarop ook het opzet gehad?

Door verdachte is aangevoerd dat de wetenschap dat het zou gaan om gewasbeschermingsmiddelen met daarin een niet toegelaten stof ontbreekt.

Vooropgesteld wordt dat voor een bewezenverklaring niet is vereist dat opzettelijk is gehandeld in strijd met de wettelijke bepalingen. Voldoende is dat het opzet is gericht op het verrichten van de tenlastegelegde handelingen, te weten het invoeren, voorhanden hebben en op de markt brengen van niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen.

Vastgesteld is dat medeverdachte 1 handelde in gewasbeschermingsmiddelen. Dit brengt met zich mee dat zij geacht wordt te weten hoe de wetgeving op het gebied van gewasbescherming werkt. De rechtbank is van oordeel dat medeverdachte 1 een onderzoeksplicht heeft. Onderzoek naar de onderhavige gewasbeschermingsmiddelen zou ook heel simpel geweest zijn. Verdachte had eenvoudigweg kunnen googlen of kunnen informeren bij de Servicedesk van het CTGB of de door haar gekochte middelen in Nederland waren toegelaten. Al snel zou blijken dat die middelen in Nederland niet waren toegelaten. Door zulks na te laten heeft verdachte op z’n minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op de in artikel 20 WGB genoemde handelingen.

De rechtbank wijst overigens in dit kader nog op de verklaring van medeverdachte medeverdachte 2. Verklaard is dat op verzoek van verdachte op de facturen in plaats van Bitoxybacillin bladvoeding werd vermeld. Gelet hierop en gelet op hetgeen hiervoor aan bewijsmiddelen is opgenomen, stelt de rechtbank vast dat verdachte wel degelijk wist dat sprake was van invoer, voorhanden hebben en op de markt brengen van niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen.

Heeft verdachte hiervoor opdracht en/of hieraan feitelijk leiding gegeven?

Het is verdachte geweest die een overeenkomst is aangegaan met medeverdachte 2 en deze overeenkomst heeft ondertekend. Alle hieruit voortvloeiende werkzaamheden, zoals het bestellen, afhalen en verkopen, zijn door verdachte verricht. Deze betrokkenheid van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als opdracht geven tot en feitelijk leiding geven aan de verboden gedragingen, als bedoeld in artikel 51, tweede lid, onder 2 Sr.

Conclusie ten aanzien van feit 1

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden dat verdachte opdracht heeft gegeven tot en feitelijk leiding heeft gegeven aan het medeplegen van het opzettelijk overtreden van artikel 20 van de WGB, meermalen gepleegd door een rechtspersoon.

Feit 2

In het kader van het hiervoor al aangehaalde controleplan “Rozen 2010” door de Werkvoorbereidingsunit van de Algemene Inspectiedienst is een aantal bedrijven geselecteerd dat zich bezighoudt met de teelt van rozen. In dat kader is op 10 november 2010 een controle uitgevoerd bij rozenkweker bedrijf 2 te Almere. Bij een tweede bezoek aan het bedrijf toonde eigenaar eigenaar bedrijf 2 een verkoopfactuur van medeverdachte 1 van 12 augustus 2010. Deze factuur zag op een levering van 15 kilogram bladvoeding door medeverdachte 1 Door eigenaar bedrijf 2 werden nog vier verkoopfacturen afkomstig van medeverdachte 1 overhandigd, eveneens met de vermelding “bladvoeding”.

Naar aanleiding van het aantreffen van het middel Bitoxybacillin is ook onderzoek gedaan bij medeverdachte 1 te Oosteind. Een groot aantal documenten is daarbij in beslag genomen, onder meer verkoopfacturen voor de levering van “bladvoeding” en “bladglans” aan diverse afnemers in de periode van 19 mei 2009 tot en met 31 december 2010.

Verdachte heeft verklaard dat als er bladvoeding werd geleverd er een pakbon en vervolgens een factuur werden gemaakt.

De rechtbank overweegt dat het in werkelijkheid ging om Bitoxybacillin en Lepidocide. Dit volgt onder meer uit het hiervoor onder feit 1 aangehaalde analyserapport van het RIKILT, de documenten 126, 127 en 711 en uit de verklaring van medeverdachte 2. Deze heeft verklaard dat hij op verzoek van verdachte op de facturen in plaats van Bitoxybacillin “bladvoeding” heeft vermeld en in plaats van Lepidocide “bladglans”.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden dat medeverdachte 1 opzettelijk verkoopfacturen heeft vervalst.

Zoals hiervoor ten aanzien van feit 1 al is overwogen is de rechtbank ook ten aanzien van feit 2 van oordeel dat het verdachte is geweest die opdracht heeft geven tot en feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen.

Feit 3

In het kader van het hiervoor aangehaalde controleplan “Rozen 2010” is door eigenaar bedrijf 2 een onaangebroken papieren zak getoond welke geleverd was door medeverdachte 1.

 

De inhoud van deze zak is bemonsterd en geanalyseerd door het RIKILT. Vastgesteld werd dat in het monster Thuringiensis (beta-exotoxine) was aangetoond.

Dergelijke zakken met dezelfde tekst zijn ook aangetroffen bij andere bedrijven. Deze zakken waren geleverd door verdachte.

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij stickers op zakken heeft geplakt. Hij nam zelf de stickers mee. Verpakkingen kwamen aan bij importbedrijf 1 in ’s-Gravenhage waarna ze meteen gestickerd en vervolgens uitgeleverd werden aan klanten. Verklaard is ook dat er misschien de eerste keer al stickers op zaten.

Medeverdachte 2 heeft over de bruine zakken verklaard dat de stickers er door verdachte zijn opgebracht. Hij bracht ze mee. Bij binnenkomst van de Bitoxybacillin vanuit Rusland waren getuige 1 en hijzelf aanwezig. Op de bruine zakken was een sticker met aanduidingen door bedrijf 1 gedaan. Op de sticker stond in elk geval vermeld “Bitoxybacillin”. Op verzoek van verdachte heeft hij samen met zijn medewerkers getuige 2, getuige 3 en getuige 1 bij de omstickering geholpen. Of de stickers werden geheel verwijderd of er werd over de bestickering heen geplakt.

medeverdachte 2 zijn ook een afbeeldingen getoond van groen/witte zakken. Hierover heeft hij verklaard dat dit de zakken zijn zoals deze werden aangeleverd door bedrijf 1.

De verklaring van medeverdachte 2 dat de zakken zijn omgestickerd vindt steun in de verklaringen van getuigen getuige 1, getuige 2 en getuige 3.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden dat verdachte zich, tezamen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift door het aanbrengen van stickers op zakken, op welke stickers een andere aanduiding van de inhoud stond, dan in werkelijkheid in de zakken zat, gedurende de periode als hiervoor onder feit 1 aangegeven.

Bewezenverklaring

  • Feit 1 primair: medeplegen van overtreding van artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij tot de feiten opdracht heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen;
  • Feit 2: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij tot de feiten opdracht heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen;
  • Feit 3: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 60 uren en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaar.

Ongecontroleerd en ondeskundig bezit en gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen Bitoxybacillin en Lepidocide kan een ongunstige werking hebben op mens, dier en milieu. Daarom is op nationaal en Europees niveau strenge regelgeving ontwikkeld. Alleen die gewasbeschermingsmiddelen die uitgebreid onderzocht zijn, zullen, na te zijn voorgelegd ter toetsing aan het CTGB, worden toegelaten en geregistreerd. De onderhavige middelen zijn niet toegelaten en geregistreerd in Nederland. Evenmin is een verzoek gedaan tot toelating van deze middelen. Door deze middelen toch in te voeren en op de Nederlandse markt te brengen heeft verdachte het nationale en Europese beleid doorkruist.

Uit het dossier komt het beeld naar voren dat het verdachte is geweest die het initiatief heeft genomen voor de handel in genoemde middelen. Het lijkt er op dat enkel uit financieel gewin is gehandeld.

Dat de naam van verdachte te grabbel is gegooid en dat hij zijn vergunning is kwijtgeraakt is vervelend voor verdachte, echter dat heeft hij geheel aan zichzelf te wijten.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 6 april 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:2088

De rechtspersoon wordt veroordeeld tot een geldboete van € 80.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly and PDF ^

'Environmental Crime and Collaborative State Intervention'

This book examines the role and practical dynamics of governmental environmental law enforcement agencies and individuals who combat environmental crime. It will inform researchers about the 'real world' experiences of practitioners and provide an intellectual space for practitioners to examine critically what it is they do and why.

Praktische Informatie

  • Editors: White, Rob, Pink, Grant (Eds.)
  • ISBN 978-1-137-56257-9
  • Sample Chapter

Table of contents

  1. Collaboration in Combating Environmental Crime — Making it Matter
  2. International Compliance and Enforcement Networks: The Critical Role of Collaboration in Environmental Protection
  3. Capacity Building and Collaboration: Enforcement Training to Build Capacity that Ensures Environmental Protection
  4. Interagency Collaboration and Combating Wildlife Crime
  5. Organisational Consortiums: The International Consortium on Combating Wildlife Crime (ICCWC)
  6. Collaboration at the Front Line: INTERPOL and NGOs in the Same NEST
  7. Collaboration and Consultancy, Tackling Environmental Crime, and Delivering Environment Protection
  8. Collaborative Relationships with the Courts: The Prosecutor’s Perspective
  9. Port-to-Port Collaboration
  10. Coordinating Research Efforts on Environmental Crime
  11. Collaborative Research as a Tool for Building Environmental Regulatory Capability
  12. Researchers and Practitioners: Building Collaboration for Evidence-Based Policy-Making

 

Klik hier om het boek te bestellen via Bol.com.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Overtreding Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Verdachte heeft op zijn bedrijf niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen gebruikt.

Rechtbank Den Haag 5 april 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:3575 De verdachte heeft op zijn bedrijf niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Dit is in strijd met de regelgeving die bedoeld is om te garanderen dat in de land- en tuinbouw geen werkzame stoffen of middelen worden gebruikt die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid van mensen en dieren of voor het milieu.

Het gedrag van de verdachte is kwalijk te noemen, te meer omdat hij blijkens een overzicht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit in het verleden meerdere malen forse bestuurlijke boetes heeft gekregen voor het gebruik van niet toegelaten werkzame stoffen. Daartegenover staat dat de verdachte blijkens het uittreksel uit het justitiële documentatie-register d.d. 8 februari 2016 in strafrechtelijke zin niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij feit 1 onder e en f is tenlastegelegd zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. Niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte deze middelen gedurende de tenlastegelegde periode heeft gebruikt.

Ten aanzien van het verweer van de verdachte dat hij zich niet bewust is geweest van de aanwezigheid van de stof Aldicarb, zoals tenlastegelegd bij feit 1 onder d, overweegt de rechtbank het volgende. Deze stof is aangetroffen in monsters die zijn genomen van rozenbladeren uit de kwekerij van verdachte. De rechtbank acht uitgesloten dat, zoals verdachte naar voren heeft gebracht, deze stof per ongeluk op de bladeren terecht gekomen kan zijn door het opdwarrelen van deze stof die in een ver verleden gebruikt is en waarvan restanten zich nu nog op plantenresten op de bodem zouden bevinden. Dat verdachte geen idee heeft hoe deze stof op zijn rozen is gekomen in de tenlastegelegde periode, acht de rechtbank daarom niet aannemelijk geworden. Uit het dossier (p. 421 en 422) blijkt immers dat de halfwaardetijd van deze stof (dat wil zeggen de tijd die benodigd is om de concentratie van de stof in bodem/omgeving met de helft te laten afnemen) 2-12 dagen is. Daar komt nog bij dat de verdachte, blijkens het dossier (p. 130), in 2012 een bestuurlijke boete heeft gekregen van € 3.000,00 omdat op zijn bedrijf in bladmonsters een aantal niet toegelaten werkzame stoffen, waaronder Aldicarb, was aangetroffen. Verdachte kende deze stof dus vanwege eerder gebruik. Het verweer zal dan ook worden verworpen.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: medeplegen van opzettelijke overtreding van artikel 19 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;
  • Feit 2: medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 80 uur.

De verdachte heeft er ter terechtzitting oprecht blijk van gegeven het kwalijke van zijn handelen in te zien en is nu in dienst bij een ander bedrijf waar de biologische teelt zonder het gebruik van verboden middelen hoog in het vaandel staat, zodat de kans op herhaling minimaal moet worden geacht.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verwerping cassatieberoep m.b.t. artikel 2 Diergeneesmiddelenwet (oud)

Hoge Raad 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:521 Verdachte is bij arrest van 17 februari 2015 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot een geldboete van € 3.000 wegens het door een rechtspersoon opzettelijk begaan van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet, meermalen gepleegd.

Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Het bestreden arrest is gewezen na verwijzing door de Hoge Raad (HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5971,).

Middel

Mr. R.E. Drenth, advocaat te Breda, heeft namens verdachte vier middelen van cassatie voorgesteld. Alle middelen betreffen de verwerping van verweren inzake magistrale bereiding, noodtoestand, materiële wederrechtelijkheid en vrijstelling voor dierenartsen.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.

Conclusie AG

  1. De wetsgeschiedenis duidt er onmiskenbaar op dat magistrale bereiding mogelijk is, maar dat de ruimte ervoor zeer beperkt is: er is zelden aanleiding toe; medische noodzaak is vereist en bereiding op voorhand kan niet. De wetsgeschiedenis bevat met dat laatste anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld een duidelijke aanwijzing voor het uitsluiten van reeds bereide medicijnen van het magistraal-bereiden-begrip. Ik wijs ook op het tweede lid van art. 2 van het onder 10 genoemde besluit. Ook gelet op de wetsgeschiedenis en de tekst van het Besluit is het oordeel van het Hof niet onjuist of onbegrijpelijk. Mede in het licht van de laatste uit de MvT (p.37) geciteerde passage merk ik nog op de door de steller van het middel voorgestane uitleg het risico in zich draagt dat elke vorm van registratie wordt ontgaan. Immers bij productie voor het buitenland wordt verondersteld dat aldaar geregistreerd wordt en bij gebruik van die producten als magistraal bereid in het binnenland is registratie niet verplicht.
  2. De steller van het middel voert als derde en laatste grond (p. 11 van de schriftuur) voor een onjuist oordeel van het Hof inzake magistrale bereiding nog een passage op p. 60 van de eerder genoemde MvT bij de Diergeneesmiddelenwet aan:

“Voorts zal moeten worden geregeld in hoeverre bij magistrale bereiding mag worden uitgegaan van niet-, of voor een ander doel geregistreerde diergeneesmiddelen.”

  1. De toelichting op het middel geeft geen enkele aanwijzing voor een nadere afweging van deze specifieke problematiek door wetgever na de totstandkoming van deze wet. Zonder dat zie ik niet in dat aan de geciteerde zinsnede (doorslaggevende) betekenis moet worden toegekend. De passage is in de MvT opgenomen bij de artikelsgewijze toelichting op art. 42 van de Diergeneesmiddelenwet waarin een basis voor nadere regeling bij algemene maatregel van bestuur verankerd is. Het Besluit voorschriften van magistrale bereiding, ambulante handel en aflevering van diergeneesmiddelen van 24 oktober 1989, Stb. 1989/513 vormt zo’n nadere regeling. Artikel 2, tweede lid, van dat Besluit (zie hierboven onder 10) staat juist in de weg aan de handelwijze van verdachte. Het Besluit kent geen nadere regeling voor de in het citaat bedoelde specifieke problematiek.
  2. Het eerste middel faalt.
  3. Hettweede middelklaagt over de verwerping van het beroep op noodtoestand (arrest zoals weergeven bij 5 hierboven onder I) en het derde middel over de verwerping van het beroep op het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid (arrest, zoals weergeven bij 5 hierboven onder J).
  4. Alvorens de middelen afzonderlijk te bespreken enkele meer algemene opmerkingen over de context van het beroep op overmacht (art. 40 Sr) in de zin van noodtoestand en het (mogelijk) eenmaal in de rechtspraak van de Hoge Raad erkende ontbreken van materiële wederrechtelijkheid. Bij de totstandkoming van de Diergeneesmiddelenwet met als kern registratie van de middelen en kanalisatie van de verstrekking bleek dat de vele geconsulteerde instanties zich in grote lijnen konden verenigen met de voorliggende regeling, maar in de MvT werd het volgende opgemerkt: “Instemming met de grote lijnen van het wetsontwerp brengt echter niet automatisch instemming met de in het wetsontwerp neergelegde uitwerking van die grote lijnen met zich mee. In de meeste adviezen wordt uitgebreid ingegaan op verschillende detailpunten. Daarbij blijken de meningen over bepaalde aspecten sterk uiteen te lopen en soms zelfs lijnrecht tegenover elkaar te staan.” Kortom de opvattingen van de geconsulteerde instanties en de opstellers van het wetsontwerp liepen nogal uiteen. Reeds in dit licht verbaast het niet dat medeverdachte als dierenarts (en daarmee de verdachte rechtspersoon) zo zijn opvattingen heeft en dat die opvattingen anders zijn dat die van de wetgever.
  5. Niet uitgesloten is dat de eigen opvattingen en de daarbij behorende belangenafwegingen van medeverdachte evenals die van de bedoelde geconsulteerde instanties juist zijn, zelfs als deze anders zijn dan die van de wetgever. Wetgeving en in het bijzonder economisch ordenende strafwetgeving is immers in veel gevallen een kwestie van het sluiten van compromissen waarbij niet wordt gekozen voor de beste oplossing, maar voor de oplossing waarover men het eens kan worden. Dat is niet zelden ook onvermijdelijk gelet op het grote aantal uiteenlopende belangen dat in het geding is. Ook degene die het (op een of meer onderdelen) beter weet dan de wetgever zal zich in beginsel moeten houden aan de afspraak, zoals deze in de wet is vastgelegd. Dat geldt zelfs als juist is dat, zoals de in de schriftuur (p.15) geciteerde deskundige meent, medeverdachte in de onderhavige zaak op geen enkele wijze gehandeld heeft in strijd met het belang van de volksgezondheid en daarmee dierenleed heeft voorkomen. Het op grond van een eigen afweging van belangen structureel een andere oplossing kiezen dan de wetgever voor ogen staat, past niet in een democratie. Mevis zegt het wat anders (enigszins activistisch) in zijn noot: “(…) onmacht en onbegrip voor verkeerde wetgeving of de uitvoering ervan en onbegrip, hoe gefundeerd ook in juiste en uitgebreide kennis van het eigen vakterrein, voor een overheid die weigert de wetgeving aan te passen, kan en moet worden bestreden maar dan via de geëigende kanalen gericht op wijziging van de algemene regeling (…), niet via het negeren van de regel en het daarbij inroepen van de uitzondering van straffeloosheid van een strafuitsluitingsgrond lees niet: overmacht; PV, i.c. overmacht in de zin van noodtoestand.”
  6. Het gaat er anders dan de steller van het middel kennelijk meent dus niet uitsluitend om dat verdachte beoogt de gezondheid van dier en mens te behartigen, maar het gaat er ook om dat hij dat volgens de afgesproken regels doet. Dergelijke regels kunnen in de woorden van de steller van het middel onnodig beperkend zijn (vgl. p. 26 van de schriftuur) en kunnen -voeg ik eraan toe- ook allerlei vormen bevatten, zoals in het onderhavige geval registratievoorschriften, die mogelijk in concrete gevallen niet of moeilijk uitvoerbaar zijn, maar die regels kunnen desondanks niet structureel terzijde worden gesteld. Er is gelet hierop dan ook geen ruimte voor rechtvaardiging met een beroep op de stelling van de verdediging (p. 22 van de schriftuur) die inhoudt dat verdachte door de stand van zaken in de toenmalige Diergeneesmiddelenwet feitelijk werd gedwongen om te handelen zoals hij deed. Daarbij neem ik bovendien dan nog in aanmerking dat juist voor crepeergevallen er de mogelijkheid bestaat van magistrale bereiding en verdachte die weg naar mijn oordeel (zie de bespreking van het eerste middel) bij geen enkele van de afleveringen heeft gevolgd. Dat beperkt de kans van slagen van een beroep op een rechtvaardigingsgrond, omdat het tenminste eenmaal volgen van de ‘koninklijke’ weg, die weliswaar in de ogen van de deskundige Dorrestein geen alternatief vormde, ervan zou kunnen getuigen dat verdachte tot het uiterste is gegaan om de crepeersituatie te beëindigen.
  7. Het voorgaande sluit aan bij het verwijzingsarrest van de Hoge Raad (r.o. 3.6) in de onderhavige zaak. Voor een geslaagd beroep op noodtoestand (en het lijkt in zekere mate ook te gelden voor het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid) moet worden nagegaan of uitzonderlijke omstandigheden in een individueel geval meebrengen dat overtreding van een wettelijk verbod gerechtvaardigd is, onder meer indien moet worden aangenomen dat daarbij gehandeld is in noodtoestand, dat wil zeggen -in het algemeen gesproken- dat de pleger van het feit staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen de zwaarstwegende heeft laten prevaleren. In het bestreden arrest heeft het Hof dit criterium ook toegepast en in zoverre is geen sprake van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover wordt volhard in het standpunt dat een structurele acuutheid van de nood toereikend is, vindt dit geen steun in het recht. Het Hof heeft voor de afleveringen van de geneesmiddelen per afnemer onderzocht of verdachte de belangen zorgvuldig heeft afgewogen. In het oordeel van het Hof ligt besloten dat daarvan nu juist niet is gebleken nu niet of onvoldoende naar voren komt of en op welke wijze verdachte de bijzonderheden van de noodsituatie per afnemer in kaart heeft gebracht. In het kader van de belangenafweging heeft verdachte anders gezegd een onderzoeksplicht en er moet blijken hoe hij daaraan in het concrete geval inhoud heeft gegeven. De crux is dat in een concrete crepeersituatie moet worden vastgesteld of de toediening van diergeneesmiddelen noodzakelijk was. Verdachte heeft voldoende blijk gegeven van een algemene beoordeling van de overkoepelende omstandigheden, maar dat is nu eenmaal niet toereikend.
  8. Dan nu de vier deelklachten van het tweede middel inzake de verwerping van het beroep op noodtoestand. Voor zover de eerste klacht inhoudt dat het Hof een te beperkte uitleg aan het begrip overmacht in de zin van noodtoestand heeft gegeven, meen ik dat ik daarop al voldoende ben ingegaan. Er wordt voorts geklaagd dat in het scenario “dat rekwirant of zijn deskundig medewerker persoonlijk in alle gevallen een diagnose dienen te stellen en dat het voor een honorering van het gevoerde verweer noodzakelijk is dat deze diagnose het gevolg was van een achteraf nog aantoonbaar concreet geval van ziekte of dreiging hiervan, laat zich niet verenigen met de aangehaalde feiten en omstandigheden die het Gerechtshof zelf als feitelijk kader stelt.” Met dit laatste wordt gedoeld op overweging I.3 van het Hof. De klacht mist feitelijke grondslag, omdat uit de overwegingen onder I 4 t/m 7 blijkt dat het Hof niet van het bedoelde scenario is uitgegaan. Uitsluitend onder I.5 verwijst het Hof naar een oordeel van medeverdachte als dierenarts. Ook daar laat het Hof echter alle ruimte voor de omstandigheden op grond waarvan verdachte in het concrete geval tot zijn oordeel dat er behandelnoodzaak is, is gekomen. Dat verdachte zich in het concrete geval moet oriënteren op de omstandigheden staat vast en dat de wijze waarop hij dat in een concreet geval (I.8 diagnose in overleg met betrokkene 14 ) heeft gedaan volgens het Hof reeds toereikend is, is eveneens duidelijk, maar dat betekent nog geenszins dat voor een geslaagd beroep op noodtoestand telkens een diagnose door verdachte noodzakelijk is. De eerste deelklacht treft geen doel.
  9. De kern van de tweede deelklacht is dat het Hof niet is ingegaan op een verweerschrift als aanvulling bij het pleidooi. Gedoeld wordt kennelijk op een passage uit dat verweerschrift dat woordelijk is opgenomen in proces-verbaal van de zittingen van het Hof van 8 januari 2015 en 3 februari 2015 (p. 3 en 4) en dus als ter zitting voorgedragen dient te worden beschouwd. In bedoeld verweerschrift wordt volgens de steller van het middel “onmiskenbaar en ondubbelzinnig betoogd dat medeverdachte in alle gevallen van levering aan de hem bekende duivenhouders van noodzaak van de levering overtuigd was geraakt omdat er op directe (via hemzelf) of op indirecte wijze (met een van zijn assistenten) contact met hem was geweest, en hem uit dit contact in voldoende mate was gebleken dat er een noodzaak tot levering, in de zin van een gebleken geval van ziekte of dreiging voor het ontstaan hiervan, bestond.”
  10. Kennelijk is de opvatting van de steller van het middel, ook al gebruikt hij tevens de term ‘uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’ dat het Hof tot een reactie op hetgeen in het verweerschrift naar voren is gebracht was gehouden bij de verwerping van het beroep op noodtoestand. Uit de samenvatting van het verweerschrift door de steller van het middel lijkt te volgen dat medeverdachte in alle opzichten een consistent standpunt heeft ingenomen. Er zijn echter ook onderdelen in het verweerschrift die in een andere richting gaan. Ik wijs slechts op enkele passages: “Wat ook duidelijk blijkt, is dat de vluchten zich met name afspelen tussen april en de eerste week van september. Men kent dan mijn producten en men weet wanneer wat nodig is.” (…) “Wat verder duidelijk wordt , is dat –als men er zelf niet uitkomt- men met mij contact opneemt.” In gevallen waarin het door een medeverdachte zelf ingenomen standpunt voor verschillende uitleg vatbaar is, is het aan de ter terechtzitting aanwezige raadsman om duidelijk te maken welk standpunt nu ten laatste is ingenomen. De eis dat een afzonderlijke reactie op alle uitlatingen van verdachte nodig is, gaat te ver.
  11. Ook als ik louter bovenstaande samenvatting van het verweerschrift volg, is mij niet duidelijk op grond waarvan het Hof gehouden was aan de inhoud van het verweerschrift afzonderlijk aandacht te besteden. In de overwegingen I.4 t/m I.7 baseert het Hof zich op getuigenverklaringen en geeft het Hof te kennen dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat medeverdachte wist aan wie de diergeneesmiddelen werden geleverd (I.4, I.6), dat de andersluidende verklaring van medeverdachte uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden (I.5), dat er sprake was van uitzonderlijke omstandigheden die meebrengen dat verdachte gerechtigd is tot overtreding van art. 2, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet (I.7). Het Hof heeft op deze wijze dus uitdrukkelijk het standpunt van medeverdachte niet gevolgd. Binnen de grenzen van de begrijpelijkheid is het Hof niet gehouden te motiveren waarom de versie van medeverdachte niet wordt gevolgd en wel gewicht wordt toegekend aan verklaringen van getuigen. Dat is nu eenmaal een feitelijke kwestie die in cassatie niet anders dan via de weg van de begrijpelijkheid aan de orde kan komen. Waarom de keuze van het Hof onbegrijpelijk zou zijn wordt door de steller van het middel niet nader toegelicht. Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is overigens hoe dan ook geen sprake. De tweede volzin van art. 359, tweede lid, Sv geldt niet voor verweren als bedoeld in art. 358, derde lid, Sv (het beroep op noodtoestand). Ook de tweede deelklacht faalt.
  12. De derde deelklacht betreft de levering van de diergeneesmiddelen aan een tussenpersoon (dierenarts) die vervolgens door levert aan een duivenhouder, zoals in de overwegingen I.4 en I.6 van het arrest van het Hof. “Strekking van deze klacht is dat een doorlevering door een afnemer van een ontvangen middel aan een derde, niet 1 op 1 maakt dat geen sprake kan zijn van noodtoestand”, aldus valt te lezen op p. 43 van de schriftuur. Dat is op zichzelf wel juist, maar dan moet wel vaststaan dat er uitzonderlijke omstandigheden waren bij de uiteindelijke afnemer. In het oordeel van het Hof ligt besloten dat verdachte niet op de hoogte was van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden, domweg omdat hij in het kader van de concrete aflevering van de diergeneesmiddelen aan die uiteindelijke afnemer geen contact met hem had. De klacht is tevergeefs voorgesteld.
  13. De vierde deelklacht beoogt het patroon van redeneren van het Hof bij de honorering van het beroep op noodtoestand in het geval van betrokkene 12 (zie r.o. I.8) tot uitgangspunt te nemen. In de kern gaat het de steller van het middel erom dat voor betrokkene 2 en betrokkene 6 hetzelfde geldt als voor betrokkene 12 en dat het daarmee onbegrijpelijk is dat verdachte in het geval van betrokkene 12 is ontslagen van alle rechtsvervolging wegens een geslaagd beroep op noodtoestand en voor beide andere gevallen is veroordeeld. Bij betrokkene 2 is de stelling dat de dierenarts betrokkene 15 (aan wie de diergeneesmiddelen zijn geleverd) uitsluitend aan betrokkene 2 heeft door geleverd in geval van zieke duiven. Ik volsta met op te merken dat zulks er niet aan in de weg staat dat verdachte niet heeft onderzocht of een levering aan betrokkene 2 een voor een geslaagd beroep op noodtoestand noodzakelijk uitzonderlijk geval betrof. Bij betrokkene 6 heeft het Hof kennelijk als ‘pijnpunt’ gezien dat hij (en dus niet verdachte per concrete levering) goed weet voor welke kenmerken/ziekten bepaalde middelen goed werken. Aan de verklaring van medeverdachte dat het altijd in overleg met de kliniek gaat, heeft het Hof geen waarde gehecht en dat is niet onbegrijpelijk in het licht van de voor het bewijs gebezigde verklaring van betrokkene 6 dat hij zelf weet wanneer de duiven een B.S. kuur krijgen en hij overlegt als hij niets weet. Dat duidt dus bepaald niet op ‘altijd in overleg’. Ook de vierde deelklacht faalt.
  14. Het derde middel betreft als gezegd de verwerping van het beroep op materiële wederrechtelijkheid. Daarbij zou het Hof art. 2 van de Diergeneesmiddelenwet onjuist hebben uitgelegd, althans het verweer in ieder geval onvoldoende en/of onbegrijpelijk gemotiveerd hebben verworpen. Zie de overwegingen J 1 t/m 4 in het arrest van het Hof (hierboven onder 5).
  15. Ik laat bij de bespreking van het middel verder in het midden of in de rechtspraak van de Hoge Raad (in het bijzonder het Veeartsarrest) het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid nu wel of niet als ongeschreven rechtvaardigingsgrond is erkend. Dat noodtoestand en materiële wederrechtelijkheid dicht tegen elkaar aan liggen, kwam al aan het licht bij de aan de bespreking van de concrete klachten van de middelen 3 en 4 voorafgaande beschouwing (zie onder 16 t/ 19 hierboven). Vaststellingen die hierboven in het kader van de noodtoestand zijn gedaan, hebben betekenis of kunnen dat in ieder geval hebben in het kader van het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid. Dat betekent ook dat voor zover wordt geklaagd dat het Hof bij de verwerping van het verweer niet heeft kunnen volstaan met vaststellingen die (tevens) ten grondslag liggen aan het beroep op noodtoestand ik dat zonder nadere toelichting op dat punt niet kan volgen.
  16. De overwegingen J 1 t/m 4 zijn niet onjuist, ontoereikend of onbegrijpelijk. Het komt er ook hier op neer dat het belang dat verdachte in de concrete gevallen diende onvoldoende uit de verf is gekomen. Immers de noodzaak om de duiven in de concrete gevallen te behandelen met niet-geregistreerde diergeneesmiddelen kan niet worden vastgesteld. Het is niet onbegrijpelijk dat het Hof dit als een voorwaarde heeft gezien die moet zijn vervuld alvorens zinnig verder te beoordelen of de materiële wederrechtelijkheid al dan niet ontbreekt.
  17. Het tweede en derde middel treffen geen doel.
  18. Hetvierde middelklaagt over de verwerping van het verweer zoals dat hierboven onder F.1 is samengevat. Kort gezegd hield dat verweer in dat de levering van niet-geregistreerde diergeneesmiddelen aan een collega-dierenarts gelet op de zogenaamde Kanalisatieregeling niet strafbaar zou zijn.
  19. De steller van het middel bepleit een zeer ruime toepassing van de (door het Hof in de overwegingen betrokken) wettelijke bepalingen. Zijn uitgangspunt is dat het legaal is voor een dierenarts om niet geregistreerde geneesmiddelen die bestemd zijn voor export voor handen te hebben. Dat onderschrijf ik, maar de volgende stap is cruciaal. Nu dat voorhanden hebben legaal is, kan de dierenarts die niet geregistreerde geneesmiddelen volgens de steller van het middel ook leveren aan een collega en die collega heeft dan ter verstrekking aan duivenhouders in overeenstemming met de wettelijke regels niet geregistreerde geneesmiddelen voor handen. Hier haak ik af. Ook als met de steller van het middel wordt aangenomen dat de bewoordingen van de toepasselijke bepalingen zich niet tegen een dergelijke uitleg verzetten en de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunt voor een te kiezen richting biedt, is de uitleg van het Hof juist. Bij de door de steller van het middel voorgestane uitleg wordt immers volledig geabstraheerd van de exportbestemming. Alleen niet geregistreerde geneesmiddelen met een exportbestemming mag de dierenarts legaal voor handen hebben. Zodra de exportbestemming vervalt, gelden de verboden van voor handen hebben en afleveren onverkort. Nu het Hof er in de onderhavige zaak niet onbegrijpelijk vanuit is gegaan dat de niet geregistreerde geneesmiddelen niet voor de export, maar voor verstrekking aan duivenhouders werden geleverd aan collega’s, ligt daarin besloten dat van een exportbestemming geen sprake meer is. Daarom heeft het Hof hier terecht aangenomen dat in deze gevallen het verbod van art. 2 van de Diergeneesmiddelenwet ook voor verdachte geldt. Daarbij neem ik overigens nog in aanmerking dat de geoorloofdheid van het voorhanden hebben van niet geregistreerde geneesmiddelen in verband met export in Nederland bezien moet worden in het kader van het uitgangspunt dat dergelijke geneesmiddelen alsnog in het buitenland worden geregistreerd. De uitleg van de steller van het middel brengt mee dat er alle ruimte ontstaat voor binnenlands gebruik van niet geregistreerde diergeneesmiddelen. Dat kan de bedoeling van de wetgever niet zijn geweest.
  20. Ook het vierde middel heeft geen kans van slagen.
  21. Alle vier middelen hebben geen kans van slagen. Over de vraag of de middelen met toepassing van de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende bewoordingen kunnen worden afgedaan aarzel ik enigszins. Voor de middelen 2 en 3 geldt in ieder geval dat het juridische kader in het eerdere verwijzingsarrest reeds tot uitdrukking is gebracht. Verkorte afdoening ligt daarmee wel voor de hand. Bij de beide andere middelen neem ik in aanmerking dat in deze zaak de uitleg van de inmiddels vervallen Diergeneesmiddelenwet (zie noot 1) aan de orde is. Mijn slotsom is dat voor alle middelen de verkorte afdoening (art. 81, eerste lid, RO) niet uitgesloten is. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
  22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^