Regeling risico's zware ongevallen in werking getreden
/Op donderdag 3 maart 2016 is de Regeling risico's zware ongevallen (Rrzo) gepubliceerd in de Staatscourant. De Rrzo treedt op vrijdag 4 maart 2016 in werking.
Op donderdag 3 maart 2016 is de Regeling risico's zware ongevallen (Rrzo) gepubliceerd in de Staatscourant. De Rrzo treedt op vrijdag 4 maart 2016 in werking.
Rechtbank Oost-Brabant 22 februari 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:684 Verdachte, een bedrijf uit Hapert, heeft zich schuldig gemaakt aan het niet zo spoedig mogelijk melden van een ongewoon voorval als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer bij het bevoegde gezag. Door de verdamping van aceton dreigden nadelige gevolgen voor het milieu te ontstaan.
Achtergrond
Verdachte drijft een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet milieubeheer (Wmb) en wordt aangemerkt als een bedrijf waarop het Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo) van toepassing is. Burgemeester en wethouders hebben als bevoegd gezag hiertoe op aanvraag van verdachte op 14 februari 2012 een omgevingsvergunning verleend.
Tijdens een zogenoemde Brzo-inspectie op 10 september 2014 bleek dat bijna twee maanden daarvoor, op 3 juli 2014, tijdens het lossen van een tankwagen met aceton ongeveer driehonderd liter aceton is uitgestroomd via het ont-/beluchtingsventiel van de opslagtank.
Vast staat dat verdachte de gebeurtenis onmiddellijk heeft gemeld bij de lokale brandweer, die daarop is uitgerukt en maatregelen heeft getroffen. Vast staat ook dat verdachte de gebeurtenis niet zo spoedig mogelijk heeft gemeld bij de bevoegde autoriteit. Verdachte heeft verder toegelicht dat dit een gebeurtenis was die niet viel onder de normale bedrijfsvoering.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie is van mening dat sprake is van een ongewoon voorval als bedoeld in artikel 17.1 Wmb, omdat daaronder moet worden volstaan elke gebeurtenis in een inrichting, ongeacht de oorzaak van die gebeurtenis, die afwijkt van de normale bedrijfsactiviteiten. Verder moeten door het ongewone voorval nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan. Volgens de officier is aan beide vereisten, die leiden tot een meldingsplicht aan het bevoegd gezag, voldaan. De officier wijst er onder verwijzing naar het veiligheidsinformatieblad op dat aceton een zeer gevaarlijke, giftige en licht ontvlambare stof is, dat er na de lekkage milieugevaarlijke dampen in de lucht zijn vrijgekomen, en dat ook direct werd besloten tot inzet van de brandweer, die is overgegaan tot het aanbrengen van een schuimdeken. De officier stelt zich dan ook op het standpunt dat op zijn minst sprake is van dreigende nadelige gevolgen voor het milieu.
Volgens de officier had verdachte in dit geval daarom direct de bevoegde autoriteit, burgemeester en wethouders dan wel de mandaathouder Omgevingsdienst Midden- en West- Brabant (OMWB) moeten verwittigen, en niet eerst zelfstandig onderzoek of analyse moeten verrichten ter eigen beoordeling of zulks noodzakelijk is.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging is van mening dat weliswaar sprake is geweest van een ongewoon voorval, maar dat hierdoor geen nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigden te ontstaan, omdat buiten het bedrijf geen schadelijke effecten zijn ontstaan of konden ontstaan. Volgens de verdediging was daarvoor de hoeveelheid uitgestroomde aceton te weinig. Verdachte wijst in dit verband naar de voor transport van gevaarlijke stoffen geldende ADR, waarin naar haar zeggen een ondergrens van 333 liter aceton is opgenomen. De waarschuwing en aansluitende inzet van de brandweer was louter preventief. Verder vindt de verdediging dat met het bellen van de brandweer als onderdeel van de gemeente in wezen melding is gedaan bij het bevoegde gezag. Verdachte wist niet dat dit burgemeester en wethouders waren. Tot slot heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat bij haar sprake is van afwezigheid van alle schuld.
Het oordeel van de rechtbank.
Zoals hiervoor reeds is overwogen, moet een ongewoon voorval zo spoedig mogelijk worden gemeld indien door dat voorval nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan.
Uit het bepaalde in artikel 1.1, tweede lid van de Wmb blijkt dat onder gevolgen voor het milieu in ieder geval worden verstaan gevolgen voor het fysieke milieu, gezien vanuit het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen, van water, bodem en lucht en van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en van de beheersing van het klimaat, alsmede van de relaties daartussen.
De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke dreiging in dit geval wel degelijk sprake was, nu er 300 liter aceton was uitgestroomd.
Immers, blijkens het veiligheidsinformatieblad van Brenntag betreffen het onder meer gevaren voor de gezondheid: een voor de gezondheid gevaarlijke concentratie in de lucht zal door verdamping van deze stof bij ca. 20 graden Celsius vrij snel worden bereikt; bij vernevelen nog sneller. Verder betreffen het gevaren voor de veiligheid: de dampen kunnen met lucht een explosief mengsel vormen. De rechtbank betrekt in haar oordeel mede dat volgens de weerinformatie van Infoplaza over Bladel op 3 juli 2014 tussen 15:00 uur en 17:00 uur de buitentemperatuur heeft gelegen tussen 26,1 en 27,3 graden Celsius, derhalve nog aanzienlijk boven de in het informatieblad genoemde gevaar indicatie bij 20 graden Celsius.
De rechtbank overweegt in dit verband nog dat verdachte kennelijk zelf eveneens heeft ingeschat dat sprake was van een (dreigende) gevaarlijke situatie, nu zij direct de brandweer heeft gewaarschuwd. Weliswaar heeft de verdediging hieromtrent gesteld dat dit een louter preventieve maatregel betrof, maar ter zitting heeft zij ook naar voren gebracht dat het personeel al ter evacuatie naar buiten was geleid voordat de brandweercommandant daarom had verzocht.
Het standpunt van de verdediging dat uit de regeling omtrent het vervoer van gevaarlijke stoffen, de ADR, voortvloeit dat bij laden en lossen eerst bij een hoeveelheid van meer dan 330 liter aceton sprake is van gevaar doet hier niet aan af: dit betreft een ander beoordelingskader waarin andere feitelijke omstandigheden een rol spelen dan hier aan de orde.
De regelgeving is zodanig, dat bij twijfel aan de ernst van een incident als hoofdregel geldt dat ieder incident waarbij ook maar enige dreiging is van nadelige gevolgen voor het milieu, dit zo spoedig mogelijk moet worden gemeld. In zo‘n geval is het niet aan de inrichting om eerst zelf te onderzoeken of de milieuschade zich al dan niet heeft verwezenlijkt en of er sprake is van reële dreiging. Het is immers voor de overheid van het grootste belang dat indien nodig zo spoedig mogelijk maatregelen kunnen worden getroffen om bij een ongewoon voorval eventuele nadelige effecten op de omgeving te kunnen bestrijden.
Verdachte had dan ook zo spoedig mogelijk melding moeten doen bij de bevoegde autoriteiten, hetgeen niet is gebeurd. Verdachte heeft weliswaar melding gedaan bij de brandweer, maar dit is niet de bevoegde autoriteit. Dat de melding aan de brandweer op zichzelf genomen als adequaat kan worden gekenschetst kan hieraan niet afdoen; het betekent dat onder omstandigheden mogelijk meerdere te verrichten meldingen aan de orde zijn. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd omtrent mededelingen aan de gemeentelijke brandweer bij voorgaande gebeurtenissen in de voormalige vestigingsplaats Bergeijk kan evenmin leiden tot het oordeel dat hiermee een melding is verricht aan de bevoegde autoriteit.
Bewezenverklaring
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het niet zo spoedig mogelijk melden van een ongewoon voorval als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer bij het bevoegde gezag.
Strafoplegging
Geldboete van EUR 15.000 waarvan EUR 7.500 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Lees hier de volledige uitspraak.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 4 november 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:8593 Verdachte heeft op ontoelaatbare wijze de leien dakbedekking van een woning met een hogedrukspuit schoongespoten en van mos ontdaan. Door het handelen van verdachte zijn asbestdeeltjes vrijgekomen. Bewoners en bezoekers van de woning zijn als gevolg van het handelen van verdachte blootgesteld aan deze kankerverwekkende stof. Voor hen is het nog onduidelijk of zij gezondheidsschade hebben opgelopen.
Standpunt OM
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het haar tenlastegelegde feit heeft gepleegd en baseert zich daarbij op verklaringen van getuigen en op documenten die zich in het dossier bevinden, waaronder onder meer twee asbestinventarisatierapporten. Het is verdachte geweest die het bedrag voor verrichte werkzaamheden heeft gefactureerd en opgeëist. De officier van justitie is verder van mening dat verdachte, die aangemerkt kan worden als een gespecialiseerd bedrijf in het ontmossen van daken, dit feit opzettelijk heeft begaan. Verdachte had moeten weten wat de risico’s waren van het met een hogedrukspuit reinigen van de leien.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. De werkzaamheden op het dak zijn verricht door onbekend gebleven personen. Het onderzoek heeft volstrekt onvoldoende informatie opgeleverd om te komen tot een strafrechtelijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon. Uit de communicatie en afwikkeling blijkt door de grote variëteit aan presenteerwijzen niet eenduidig op te maken of een rechtspersoon, en zo ja, welke, of dat wellicht gewoon de natuurlijke persoon contractspartij is geweest. Civielrechtelijk is door deze rechtbank uitgemaakt dat het de natuurlijke persoon is geweest die een overeenkomst heeft gesloten met de erven.
De enkele omstandigheid dat door verdachte is gefactureerd is onvoldoende om te komen tot het oordeel dat de gedraging van de onbekend gebleven personen in de sfeer van de rechtspersoon hebben plaatsgevonden. Daarnaast kan naar de opvatting van de verdediging niet gesproken worden van een opzettelijk handelen. Geconcludeerd is tot vrijspraak.
Het oordeel van de rechtbank
Op verzoek van bedrijf 2 is op 12 mei 2012 een offerte uitgebracht voor het ontmossen en coaten van het dak van de woning gelegen in Ossendrecht. De offerte van “naam bedrijf 3”, is ondertekend door “naam contractpartij voornaam”. Aangegeven is dat de offerte is gemaakt naar aanleiding van zijn beoordeling ter plaatse. De offerte is digitaal verstuurd vanaf het emailadres naam contractpartij, welke mail is ondertekend door naam contractpartij, naam bedrijf 2.nl. Op 10 oktober 2012 is het totaalbedrag van de offerte aangepast. De adresgegevens in deze aangepaste offerte komen overeen met de adresgegevens zoals vermeld in de offerte van 12 mei 2012.
De werkzaamheden aan het dak zijn op 19 oktober 2012 verricht. Door een van de aanwezige personen werd daarbij tegen de bewoonster van de woning gezegd dat het mos van het dak zou worden gespoten waarna ze het mos in de tuin zouden laten liggen. De werklieden hadden geen speciale kleding aan. Vervolgens is met een hogedrukspuit het mos van het dak van de woning afgespoten. Bij thuiskomst zag een van de bewoners dat overal in de tuin mos lag.
Vanwege ongerustheid en naar aanleiding van een via naam bedrijf 2 ontvangen emailwisseling waarin gesproken werd over asbestsanering hebben de bewoners een asbestinventarisatierapport op laten stellen. Het onderzoek is verricht door Witteman Asbestonderzoek. Bij het onderzoek is geconstateerd dat de dakleien, een kleefmonster van een kozijn van de eerste verdieping en een kleefmonster van een buitenscherm asbest bevatten van het type chrysotiel en crocidoliet. Ook in de woning in Ossendrecht werd een asbestbesmetting aangetroffen.
Op grond van het vorenstaande kan wettig en overtuigend bewezen verklaard worden dat op 19 oktober 2012 onderhoudswerkzaamheden zijn verricht aan de woning te Ossendrecht waarbij asbestvezels zijn vrijgekomen terwijl die handelingen niet op zodanige wijze zijn verricht dat gevaar voor mens en/of milieu die door die handelingen konden ontstaan, werd voorkomen.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verrichte handelingen zijn toe te rekenen aan verdachte bedrijfsnaam.
Een rechtspersoon is strafrechtelijk aansprakelijk indien een verboden gedraging van een natuurlijk persoon aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Volgens vaste jurisprudentie is toerekening aan de rechtspersoon mogelijk indien die strafrechtelijke gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Hiervan zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de volgende omstandigheden heeft voorgedaan:
De rechtbank is van oordeel dat in een strafzaak, los van de juridische constructie, gekeken dient te worden naar de gang van zaken zoals die zich feitelijk heeft voorgedaan.
Naam contractpartij heeft zich naar derden toe op diverse wijzen gepresenteerd. Zoals hiervoor al aangegeven zijn beide offertes op briefpapier van naam bedrijf 3 geprint. De adresgegevens komen overeen met het adres van verdachte bedrijfsnaam. De eerste offerte is verstuurd vanaf het emailadres naam contractpartij. De werkzaamheden zijn vervolgens gefactureerd door verdachte bedrijfsnaam De offertes en de factuur vermelden ook hetzelfde mobiele telefoonnummer.
Blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel houdt verdachte bedrijfsnaam zich onder meer bezig met het reinigen van daken.
Vastgesteld wordt dat de hiervoor beschreven werkzaamheden zijn verricht door onbekend gebleven personen. De rechtbank is van oordeel dat de werkzaamheden passen in de normale bedrijfsvoering van verdachte bedrijfsnaam Dat de natuurlijk persoon naam contractpartij zich naar derden toe niet altijd eenduidig heeft gepresenteerd doet daar niets aan af. Verder kan worden vastgesteld dat het gaat om handelingen van personen die werkzaam zijn geweest ten behoeve van de rechtspersoon, immers het is verdachte bedrijfsnaam geweest die de door de onbekend gebleven personen verrichte werkzaamheden heeft gefactureerd.
Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de handelingen toegerekend kunnen worden aan de rechtspersoon.
Ten aanzien van het opzet overweegt de rechtbank nog het volgende. Opzet van een natuurlijk persoon kan onder omstandigheden worden toegerekend aan de rechtspersoon. Dit is in ieder geval mogelijk wanneer aan een bepaalde functionaris het in het kader van de bedrijfs- of beleidsvoering is opgedragen of overgelaten om activiteiten te verrichten of initiatieven te ontplooien voor de rechtspersoon. Werkzaamheden die medewerkers verrichten binnen hun bevoegdheden vallen daar in ieder geval onder. In een dergelijk geval kan het opzet van een individuele medewerker worden toegerekend aan de rechtspersoon.
Naam contractpartij presenteert zich naar derden toe als de naamgever en eigenaar van het bedrijf. Voorafgaande aan de ontmossingswerkzaamheden is de situatie ter plaatse beoordeeld door naam contractpartij. Naar aanleiding van deze beoordeling zijn de werkzaamheden uitgevoerd zoals hiervoor al aangegeven.
De rechtbank is van oordeel dat naam contractpartij, gelet op zijn specifieke expertise, namelijk het reinigen van daken, had kunnen en behoren te weten dat een leien dak van een dergelijke woning asbesthoudend materiaal zou kunnen bevatten. Door zijn handelwijze, namelijk het (laten) schoonspuiten van een leien dak met een hogedrukspuit, heeft naam contractpartij voorwaardelijk opzet gehad. Die opzet kan aan de rechtspersoon, bedrijfsnaam, toegerekend. De rechtbank acht daarmee de opzetvariant wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
Overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.
Strafoplegging
De rechtbank veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 10.000.
Lees hier de volledige uitspraak.
De Europese Commissie heeft op 26 februari jl., samen met de Europese Unie onder voorzitterschap van Nederland, een intergouvernementeel Actieplan voor Europa tegen de illegale handel in wilde dieren gepresenteerd.
Dit besluit is een grote overwinning in de strijd tegen criminele bendes en hun leiders die met stroperij en de illegale handel het voortbestaan van ernstig met uitsterven bedreigde soorten in gevaar brengen.
Net als andere actieplannen reikt het Actieplan tegen de illegale handel in wilde dieren een mechanisme aan waarmee eensgezind optreden van alle betrokken spelers gewaarborgd is – een cruciaal vereiste voor succes in de strijd tegen de illegale handel in wilde dieren binnen de EU en daarbuiten. Een goede onderlinge afstemming opent bijvoorbeeld de mogelijkheid om proactief financieel onderzoek te doen en in toekomstige handelsovereenkomsten beperkende voorwaarden op te nemen.
In het 5-jarenplan (2016-2020) is in grote lijnen, maar wel behoorlijk compleet vastgelegd wat er van elk van de actoren wordt verwacht (de Europese Commissie, de afzonderlijke lidstaten, Europol, de Hoge Vertegenwoordigers van de Unie voor buitenlandse zaken en overheidsbeleid, enz.) met drie prioriteitsterreinen:
1) preventie van de handel in wilde dieren en aanpakken van de onderliggende oorzaken,
2) implementatie van bestaande regelgeving, betere controle op de naleving en effectiever optreden tegen wildlifecriminaliteit,
3) versterking van de internationale samenwerking tussen de landen van herkomst, de consumentenlanden en de doorvoerlanden.
De belangrijkste aspecten van het Actieplan zijn:
In een door de Commissie opgesteld werkdocument zijn globaal de gegevens, het bewijsmateriaal en de analyses vermeld die aan het Actieplan ten grondslag liggen. De Commissie houdt toezicht op de implementatie van het plan, met twee maal per jaar een beoordeling door de Wildlife Trade Enforcement Group van de EU en voortgangsrapportage aan het Europees Parlement en de Europese Raad in juli 2018. De eindevaluatie is voor 2020 gepland.
De besprekingen tussen de Europese Commissie en de Europese Raad gaan eind maart van start; naar verwachting zullen de conclusies in juni worden gepresenteerd. In de tussentijd zal het IFAW alles in het werk stellen om te waarborgen dat er straks een robuust Actieplan wordt ondertekend.
Bron: IFAW
Rechtbank Gelderland 26 maart 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:8304 De rechtbank heeft een leghenhouder uit Landhorst veroordeeld voor valsheid in geschrift en voor het overtreden van de Meststoffenwet. Het bedrijf had meerdere valse facturen voorhanden waarop minder leghennen stonden vermeld dan daadwerkelijk waren geleverd. Hiermee werd het mogelijk om meer hennen te houden dan op grond van wet- en regelgeving daadwerkelijk was toegestaan. Het bedrijf is veroordeeld tot een geldboete van 23.000 euro. Het bedrijf is vrijgesproken van overtreding van art. 3 Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 en van verordening (EU) nr. 589/2008.
Ontvankelijkheid van de officier van justitie
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Uit het dossier en het gestelde door de officier van justitie blijkt dat een groot aantal (120 dan wel 37) bedrijven is verdacht van dezelfde (strafrechtelijke) handelingen als verdachte. De beslissing van de officier van justitie om in het Jeneverbes-onderzoek slechts drie bedrijven te vervolgen, terwijl de overige bedrijven niet strafrechtelijk worden vervolgd, is dermate onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Derhalve dient de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus de verdediging.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangegeven dat bij het Jeneverbes-onderzoek is gebleken dat tenminste 120 bedrijven zich schuldig zouden hebben gemaakt aan het afnemen van significant meer jonge hennen dan op basis van de verstrekte certificaten was toegestaan. Bij 37 van deze bedrijven was sprake van een overschrijding met ten minste 4.000 pluimveerechten. Gekozen is voor het dagvaarden van een beperkt aantal leghenhouders, die qua hoeveelheid extra kippen opvielen door de hoge aantallen, in combinatie met een zekere geografische spreiding over het land. In een afzonderlijk project zal het (verwijtbare) handelen door de overige (thans niet vervolgde) bedrijven worden bezien.
Beoordeling rechtbank
Uit de door de officier van justitie gegeven toelichting leidt de rechtbank af dat geen sprake is van een groot aantal vergelijkbare zaken, nu onderscheid kan worden gemaakt in de mate van overschrijding van de toegestane pluimveerechten per bedrijf. Overigens is niet gebleken dat de overige bedrijven niet strafrechtelijk vervolgd zullen worden.
Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de officier van justitie in redelijkheid niet tot de onderhavige vervolgingsbeslissing had kunnen komen. De rechtbank acht de officier van justitie dan ook ontvankelijk in de vervolging.
Bewijsoverwegingen
Feit 1
Bij N.V., de leverancier van jonge leghennen aan verdachte, zijn in de administratie diverse facturen aangetroffen waarop stond vermeld: een aantal geleverde jonge hennen en een kostenpost “extra kosten in opfokperiode”. Deze kostenpost betrof extra geleverde jonge hennen. Van deze extra leveringen werd door een administratief medewerker bij N.V. een excel-bestand bijgehouden.
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meermalen plegen van valsheid in geschrift.
De op de betreffende facturen vermelde post ‘extra kosten in de opfokperiode’ betrof een deel van de geleverde hennen. Verdachte had geen enkele reden om een lager aantal hennen op de facturen te laten zetten. Immers, hij had voldoende ruimte om de hennen, ook volgens de betreffende Europese regelgeving, te houden. De door de officier van justitie gepretendeerde bewijsbestemming is dan ook niet aan de orde. Het opzet ontbreekt, zodat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken. Voorts is niet aangetoond welke factuur in de administratie is opgenomen.
Rb: Namens verdachte is ter terechtzitting verklaard dat de kostenpost “extra kosten in de opfokperiode” betrekking had op extra geleverde jonge hennen. Om het daadwerkelijke aantal geleverde jonge hennen te kunnen bepalen, moest deze kostenpost gedeeld worden door de overige genoemde kosten per hen. In de administratie van N.V. werd een excel-bestand bijgehouden. Met dit bestand en de facturen kon het daadwerkelijke aantal geleverde hennen worden berekend.
De rechtbank constateert dat de kostenpost “extra kosten in de opfokperiode” is opgenomen naast een kostenpost waarbij melding wordt gemaakt van levering van een specifiek aantal jonge hennen. Een aanvullende berekening was nodig om de juiste aantallen hennen inzichtelijk te maken. Dit maakt dat de betreffende facturen konden dienen tot bewijs van een lager aantal geleverde hennen dan het daadwerkelijke aantal geleverde hennen. Immers, eenvoudige bestudering van de facturen leidt tot de conclusie dat een specifiek genoemd aantal jonge hennen is geleverd. Het dossier bevat aanwijzingen dat de facturen ook op deze eenvoudige wijze zijn gebruikt. Op basis van de facturen werden door N.V. en/of door haar afnemers meldingen gedaan bij de stichting Controle Pluimvee, Eieren en Eiproducten (het CPE). Derhalve is sprake van een valselijk opgemaakt geschrift.
De vertegenwoordiger van verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bepaalde hoeveel hennen op de factuur vermeld konden worden en hoeveel onder de kostenpost “extra kosten in de opfokperiode” vermeld moesten worden.
De facturen werden vanuit N.V. opgestuurd naar verdachte, waarna deze facturen werden voldaan. Reeds gelet op het voldoen van de facturen is de rechtbank van oordeel dat verdachte de facturen ook voorhanden heeft gehad. Derhalve acht de rechtbank het onder feit 1 wettig en overtuigend bewezen.
Feiten 2 en 3
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering.
Feiten 4, 5 en 6
De officier van justitie heeft zich, kort samengevat en voor zover thans van belang, op het standpunt gesteld dat het bedrijf van verdachte door het CPE gecertificeerd was voor het houden van een bepaald aantal jonge hennen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat bij het bedrijf van verdachte meer jonge hennen zijn opgezet dan was toegestaan volgens het (inrichtings-) certificaat. Door het overschrijden van dit certificaat voldeed het bedrijf niet langer aan de vereisten, voortvloeiend uit Europese regelgeving, voor het gebruiken van het predicaat houderijsysteem ‘vrije uitloop’ dan wel ‘volière’. De officier van justitie concludeert tot bewezenverklaring van alle primair ten laste gelegde feiten.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat voordat aan geproduceerde eieren het predicaat ‘vrije uitloop’ of ‘scharrel’ mag worden toegekend, er voldaan moet worden aan inrichtingseisen zoals vermeld in Europese richtlijnen of verordeningen. In het dossier ontbreekt echter een feitelijk onderzoek naar de betrokken hokken op het bedrijf van verdachte. Gelet hierop kan niet bewezen worden dat de betreffende hokken niet aan bedoelde inrichtingseisen voldeden. Het had op de weg van het openbaar ministerie (dan wel de NVWA) gelegen de hokken feitelijk te onderzoeken. Nu dit achterwege is gebleven, dient verdachte in verband met gebrek aan bewijs te worden vrijgesproken.
Voorts wijst de verdediging erop dat de hokken sinds de laatste certificering door het CPE (elf jaar geleden) zijn uitgebreid. Door deze uitbreidingen hebben de betreffende hokken op het bedrijf van verdachte steeds voldaan aan de van toepassing zijnde Europese regelgeving.
Rb: De door de officier van justitie aan verdachte gemaakte verwijten komen (allereerst) in de kern erop neer dat de betrokken inrichtingen (de houderijsystemen) in de stallen van verdachte niet voldeden aan Europese regelgeving. Met name is (via artikel 3 van het Landbouwkwaliteitsbesluit (oud)) verwezen naar de verordeningen (EG) 1234/2007 en (EG) 589/2008 en naar richtlijn (EG) 1999/74.
In deze Europeesrechtelijke regelgeving staan (onder andere) opgenomen kwaliteitskenmerken en classificaties van eieren en vereisten waaraan hokken moeten voldoen om als eierproducent bepaalde classificaties te mogen voeren.
Om de classificatie “scharreleieren” te mogen voeren, moet de houderijvoorziening voldoen aan de vereisten opgenomen in artikel 4 van de richtlijn (EG) 1999/74 (bijvoorbeeld: de bezetting mag niet meer dan negen legkippen per m2 bruikbare oppervlakte bedragen).
Voor de classificatie “eieren van hennen met vrije uitloop” gelden, op grond van de bijlage II bij de verordening (EG) 589/2008, daarnaast aanvullende voorwaarden (bijvoorbeeld: de hennen moeten de hele dag door over vrije uitloop in de openlucht beschikken).
Op grond van de verordening (EG) 589/2008 wijzen lidstaten inspectiediensten aan die de naleving van deze verordening moeten controleren. Nederland heeft hieraan voldaan door het aanwijzen van (ten tijde van belang) het CPE.
Het CPE controleerde de inrichting van de hokken van de leghenhouders op de vereisten van de verordening (EG) 589/2008 en, indien de inrichting aan de vereisten voldeed, gaf het CPE (inrichtings-) certificaten af. Bij de controle van de inrichting werd bepaald wat daarin het maximaal aantal te houden leghennen mocht zijn, passend bij de gewenste classificatie. Daarnaast vond een controle plaats bij het opzetten van een nieuwe koppel leghennen. Indien deze koppel voldeed aan de regelgeving gaf het CPE eveneens voor die koppel een (opzet-)certificaat af.
Tot 28 september 2007 dienden leghenhouders bij het CPE aangesloten te zijn. Deze verplichting is door een wijziging van de Landbouwkwaliteitswet komen te vervallen. De controlerende taken van het CPE (ten tijde van belang) bleven gehandhaafd.
De rechtbank stelt voorop dat door deze, hiervoor kort weergegeven, systematiek de door het CPE afgegeven certificaten belangrijk bewijs kunnen zijn voor het aantonen dat de betreffende inrichting op de datum waarop het certificaat is afgegeven aan de gestelde (Europeesrechtelijke) regelgeving voldoet, uitgaande van het op het certificaat genoemde aantal hennen.
Indien bewezen kan worden dat de inrichting op de datum waarop een beweerdelijke overtreding zou hebben plaatsgevonden nog steeds overeenkomt met de inrichtingskenmerken op grond waarvan het certificaat is afgegeven, kan het openbaar ministerie het in dat certificaat genoemde maximaal te houden hennen als uitgangspunt nemen.
De rechtbank stelt vast dat het inrichtingscertificaat niet in het dossier is opgenomen. Voorts bevinden zich in het dossier geen bewijsmiddelen waaruit de feitelijke situatie van de inrichtingen in de tenlastegelegde periode kan worden afgeleid. Het openbaar ministerie heeft er in het onderhavige strafrechtelijke onderzoek kennelijk voor gekozen geen feitenonderzoek op het bedrijf van verdachte te laten plaatsvinden, bijvoorbeeld door het laten opmeten van de betreffende hokken of het bekijken van de actuele vergunde situatie.
In het dossier bevinden zich wel de certificaten betreffende de verschillende opzetten van leghennen op bepaalde data. Echter, uit deze certificaten (dan wel andere bewijsmiddelen) kan niet worden afgeleid op grond van welke feiten en omstandigheden het CPE tot dat bepaalde aantal maximaal te houden leghennen is gekomen. Zo is niet gebleken of de controleur van het CPE dit aantal heeft gerelateerd aan een daadwerkelijke meting van de betreffende inrichtingen. Er bestond voorts ook geen wettelijke verplichting voor de leghenhouders aanpassingen aan de inrichting van het bedrijf aan het CPE door te geven.
De rechtbank constateert dan ook dat thans gelet op de in het dossier voorhanden zijnde stukken niet beoordeeld kan worden of de inrichting gedurende de tenlastegelegde periode al dan niet aan de Europese regelgeving heeft voldaan.
Dit klemt te meer gezien het door de verdediging gevoerde verweer. De verdediging heeft immers aangevoerd dat de inrichtingen van het bedrijf van verdachte laatstelijk in 2007 door het CPE zijn gecontroleerd. Daarna zijn, volgens opgave van de verdediging, medio 2008 verbeteringen aangebracht. Recent heeft verdachte de inrichting laten herkeuren (waarvan bewijsstukken zijn overgelegd), waarbij een fors hoger maximum aantal te houden leghennen is vastgesteld. Deze omstandigheden kunnen relevant zijn voor het aantal te houden leghennen voor de productie van eieren van bepaalde classificaties.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat, bij gebrek aan voldoende (wettig) bewijs niet bewezen kan worden dat deze inrichtingen van de stallen van verdachte niet voldeden aan de betreffende Europeesrechtelijke verplichtingen. Nu dit niet is komen vast te staan, kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin worden vastgesteld dat verdachte een onjuist houderijsysteem of een onjuiste houderijmethode heeft vermeld op respectievelijk eieren van leghennen en verpakkingen met eieren. Om die reden zal verdachte van al hetgeen onder de feiten 4, 5 en 6 ten laste is gelegd worden vrijgesproken.
De rechtbank overweegt ten overvloede dat het dossier aanwijzingen bevat dat verdachte de door N.V. valselijk opgemaakte facturen heeft gebruikt door aan het CPE per opzet minder leghennen op te geven dat zij daadwerkelijk opzette. Dat is echter niet ten laste gelegd.
Bewezenverklaring
Strafoplegging
De rechtbank veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 23.000.
Lees hier de volledige uitspraak.
Rechtbank Gelderland 26 maart 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:8305
Een medeverdachte, een leghenhouder uit Haule, wordt veroordeeld tot een geldboete van € 31.000.
Lees hier de volledige uitspraak.