Vernietiging vonnis niet-ontvankelijkheid Openbaar Ministerie in landbouwsubsidiezaak en terugwijzing

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10 februari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:375 Strafrechtelijke vervolging na eerdere bestuursrechtelijke toepassing randvoorwaardenkorting op subsidie verleend in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid van de Europese Unie in verband met dezelfde overtreding. Het hof beantwoordt de vraag of de bestuursrechtelijke subsidiekorting een eerdere 'strafrechtelijke procedure' in de zin van art. 50 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie oplevert, en daarmee of sprake is van dubbele vervolging, ontkennend en wijst de zaak terug naar de rechtbank.

Achtergrond

Verdachte drijft een varkensbedrijf. Op 13 november 2012 heeft op die locatie een controle plaatsgevonden door ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van (wat toen nog heette) het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Bij die controle is een (vermoedelijke) overtreding geconstateerd, te weten het verzorgen van 2697 gebruiksvarkens, alle ouder dan twee weken, die niet permanent kunnen beschikken over voldoende vers water. Dit zou overtreding opleveren van artikel 2, derde lid in combinatie met artikel 13, tweede lid, van het Varkensbesluit.

Bij beschikking van 23 mei 2013 is door de Dienst Regelingen (DR) van het Ministerie van Economische Zaken een zogeheten randvoorwaardenkorting van 5% toegepast op alle subsidies van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) aangevraagd door verdachte in 2012. Die korting is toegepast naar aanleiding van de hiervoor aangehaalde controle op 13 november 2012 en de bij gelegenheid van die controle geconstateerde (vermoedelijke) overtreding. Door de verdediging is gesteld dat tegen deze beschikking geen bezwaar is gemaakt. Nu het hof geen reden heeft aan die mededeling te twijfelen, zal het ervan uitgaan dat deze beschikking en daarmee de toegepaste randvoorwaardenkorting onherroepelijk is.

Namens verdachte zijn geen stukken overgelegd waaruit de precieze hoogte van de aangevraagde subsidie en (daarmee) de omvang van de korting blijkt. Door de advocaat-generaal is ter terechtzitting van 27 januari 2016 medegedeeld dat navraag bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, de opvolger van de Dienst Regelingen, hem heeft geleerd dat verdachte in 2012 één subsidie heeft aangevraagd en daarop is gekort, en dat die subsidiekorting € 138,55 bedroeg. Bij een kortingspercentage van 5% zou dat betekenen dat de aangevraagde en gekorte subsidie in 2012 € 2.771,00 bedroeg. Niettegenstaande zijn niet nader onderbouwde opmerking in de pleitnota dat ‘de korting enkele duizenden euro’s’ betreft, heeft de raadsman van verdachte desgevraagd medegedeeld dat de exacte hoogte van de aangevraagde subsidie en de toegepaste korting hem niet bekend is, maar dat de door de advocaat-generaal genoemde bedragen zouden kunnen kloppen. Het hof gaat derhalve uit van de juistheid van de door de advocaat-generaal genoemde bedragen.

Op 3 maart 2014 is verdachte vervolgens gedagvaard om op 1 mei 2014 te verschijnen bij de economische politierechter ter zake van het thans ten laste gelegde.

Het hof stelt vast dat de randvoorwaardenkorting is toegepast naar aanleiding van hetzelfde feitencomplex dat thans aan verdachte is ten laste gelegd.

In het navolgende zal eerst het juridisch kader van de GLB-subsidie en de randvoorwaardenkorting en het juridisch kader van het ne bis in idem-beginsel uiteen worden gezet, alvorens de hiervoor opgeworpen vraag te beantwoorden.

Juridisch kader GLB-subsidie en randvoorwaardenkorting

De verdachte heeft een subsidie aangevraagd in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid van de Europese Unie. Dit beleid is vastgelegd in verschillende Europese verordeningen, waarvan de bepalingen rechtstreekse werking hebben in de Nederlandse rechtssfeer. Ten behoeve van de juiste uitvoering en nadere invulling van deze bepalingen is in Nederland een ministeriële regeling getroffen, de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (Stcrt. 2 december 2005, nr. 235, p. 15). Hierin staan de criteria voor subsidieverstrekking, de voorwaarden waar subsidieontvangers zich aan moeten houden en de wijze waarop subsidie moet worden aangevraagd.

De toelichting op de regeling houdt (met cursivering door het hof) onder meer in:

“Met het akkoord van juni 2003 hebben de ministers van landbouw van de Europese Unie een fundamentele hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) goedgekeurd. Uitgangspunt van de hervorming is dat de subsidies ter ondersteuning van de inkomens worden ontkoppeld: zij zijn niet langer afhankelijk van de omvang en de aard van de productie van de landbouwer. Doel van de hervorming is om de landbouwsector in de EU concurrerend te laten zijn en duurzame, marktgerichte landbouw te bevorderen.

Met de hervorming is beoogd tegemoet te komen aan de vraag van de consumenten naar gezond voedsel, meer kwaliteit, milieu- en diervriendelijke productiemethoden, het behoud van de natuurlijke levensomstandigheden en de zorg voor het platteland. Alle vormen van rechtstreekse steun zijn met ingang van 2005 afhankelijk gesteld van de naleving van de normen op deze terreinen. […]

Met ingang van 1 januari 2005 gelden randvoorwaarden voor de landbouwer die directe inkomenssteun aanvraagt: hij moet zich houden aan de beheerseisen – de zogenoemde cross compliance –, hij moet het land in goede landbouw- en milieuconditie houden en hij moet in voorkomend geval blijvend grasland in stand houden.

De randvoorwaarden gelden voor het hele bedrijf, dus ook voor bedrijfsonderdelen waarvoor de landbouwer geen subsidie heeft aangevraagd. Indien de landbouwer randvoorwaarden niet naleeft, wordt hij gekort op zijn inkomenssteun.

Met betrekking tot de verstrekking van subsidies en de daaraan verbonden voorwaarden, houdt de regeling onder meer in:

  • Artikel 2 Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (tekst geldend op 13 november 2012)

1. Overeenkomstig verordening 73/2009 en met inachtneming van ter uitvoering daarvan vastgestelde Commissieverordeningen en deze regeling:

1. wijst de minister op aanvraag aan landbouwers toeslagrechten op grond van artikel 33, eerste lid, onderdeel b, onder ii en iv, van verordening 73/2009 in het kader van de bedrijfstoeslagregeling toe.

2. verstrekt de minister op aanvraag aan landbouwers:

a. een bedrijfstoeslag, of

b. specifieke steun op grond van Hoofdstuk 2a van deze regeling.

2. De Minister beslist op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, onder 2, uiterlijk op 30 juni van het jaar volgend op het jaar van indiening van de aanvraag.

3. Vanaf 16 oktober 2011 betaalt de minister op grond van artikel 1 van verordening 784/2011, voorschotten van 50% van de betalingen voor de steunaanvragen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel 2, onder a, die in 2011 zijn gedaan op voorwaarde dat voor die steunaanvragen de toetsing is afgerond van de subsidiabiliteitsvoorwaarden, bedoeld in artikel 20 van verordening 73/2009.

  • Artikel 3 Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (tekst geldend op 13 november 2012)

Een landbouwer die een aanvraag heeft ingediend voor één van de in artikel 2 genoemde steunregelingen neemt de volgende bepalingen in acht:

a. de in de artikelen 4 en 5 van verordening 73/2009 bedoelde beheerseisen, opgenomen in bijlage 1, en

b. de in artikel 6 van verordening 73/2009 bedoelde minimumeisen inzake de goede landbouw- en milieuconditie, opgenomen in bijlage 2.

Verordening 73/2009 is op 1 februari 2009 in werking ingetreden. Het is de opvolger van Verordening (EG) 1782/2003, waarnaar in de preambule van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 wordt verwezen. Artikel 4 van Verordening (EG) 73/2009 verplicht een landbouwer die betalingen ontvangt om de beheerseisen en eisen inzake goede landbouw- en milieucondities in acht te nemen. Artikel 5 en 6 van Verordening (EG) 73/2009 schrijven voor, waar en op welke wijze de verschillende eisen zijn of moeten worden vastgelegd. Grotendeels staan de eisen in bijlage II en bijlage III van Verordening (EG) 73/2009, al dan niet met een verwijzing naar door de lidstaten te implementeren Europese richtlijnen. Artikel 4 van Verordening (EG) 73/2009 schrijft de nationale autoriteiten voor om de landbouwer te voorzien van een lijst van de in acht te nemen eisen. Nederland doet dat met bijlage 1 en bijlage 2 bij de Regeling GLB-inkomenssteun 2006.

In bijlage 1 bij de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 staat onder 17.29 als beheerseis (bedoeld in artikel 3, onderdeel a, van de Regeling) vermeld: ‘[d]e verplichting alle varkens ouder dan twee weken permanent van vers water te voorzien’, EU-wetgevingskader: Minimumnormen varkens 2008/120/EG, Nederlands wetgevingskader: artikel 13 lid 2 Varkensbesluit.

Onder omstandigheden kan een landbouwer gekort worden op de aangevraagde of verkregen landbouwsubsidie. Dit is onder meer geregeld in artikel 68 Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (tekst geldend op 13 november 2012):

“1. Indien een landbouwer één of meer verplichtingen op grond van artikel 3 niet naleeft, wordt overeenkomstig Deel II, Titel IV, hoofdstuk III van verordening 1122/2009 een korting opgelegd op het totale bedrag dat op grond van de in artikel 2 bedoelde steunregelingen aan de landbouwer is of moet worden toegekend.

2. Onverminderd artikel 77 van verordening 1122/2009, bedraagt de hoogte van de korting 1, 3 of 5% van het totale bedrag dat op grond van de in artikel 3 bedoelde steunregelingen aan de landbouwer is of moet worden toegekend en wordt in geval van herhaalde of opzettelijke niet-naleving verhoogd overeenkomstig artikel 71 en 72 van verordening 1122/2009.”

Verordening (EG) 1122/2009 houdt de bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) 73/2009 wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem. Deel II, Titel IV, hoofdstuk III van Verordening (EG) 1122/2009 heeft als titel ‘Bevindingen met betrekking tot de randvoorwaarden’ en bevat de artikelen 70 tot en met 72 over de verlagingen en uitsluiting van steun. Relevante bepalingen daaruit zijn:

“Artikel 70

Algemene beginselen en definities […]

8. Voor de toepassing van de verlagingen wordt het verlagingspercentage toegepast op het totale bedrag van:

a) de som van de rechtstreekse betalingen die is toegekend of moet worden toegekend aan de betrokken landbouwer op grond van steunaanvragen die hij heeft ingediend of nog zal indienen in de loop van het kalenderjaar van de bevinding […].

Artikel 71

Toepassing van verlagingen in geval van nalatigheid

1. Onverminderd artikel 77, geldt dat, indien een geconstateerd geval van niet-naleving het gevolg is van nalatigheid van de landbouwer, een verlaging wordt toegepast. Deze verlaging bedraagt in de regel 3 % van het in artikel 70, lid 8, bedoelde totale bedrag.

Het betaalorgaan kan evenwel op basis van de beoordeling van de bevoegde controleautoriteit in het in artikel 54, lid 1, onder c), bedoelde evaluatiegedeelte van het controleverslag besluiten om dat percentage te verlagen tot 1 % of te verhogen tot 5 % van het bovenbedoelde totale bedrag dan wel in de in artikel 54, lid 1, onder c), tweede alinea, bedoelde gevallen, in het geheel geen verlagingen op te leggen.

Artikel 72

Toepassing van verlagingen en uitsluitingen in geval van opzettelijke niet-naleving

1. Onverminderd artikel 77 geldt dat, indien de geconstateerde niet-naleving door de landbouwer met opzet is begaan, de verlaging die moet worden toegepast op het totale bedrag als bedoeld in artikel 70, lid 8, in de regel 20 % van dat totale bedrag bedraagt.

1. Het betaalorgaan kan evenwel op basis van de beoordeling van de bevoegde controleautoriteit in het in artikel 54, lid 1, onder c), bedoelde evaluatiegedeelte van het controleverslag besluiten om dat percentage te verlagen tot niet minder dan 15 % of, in voorkomend geval, dat percentage te verhogen tot maximaal 100 % van dat totale bedrag.

2. Indien het geval van opzettelijke niet-naleving betrekking heeft op een bepaalde steunregeling, wordt de landbouwer voor het betrokken kalenderjaar van die steunregeling uitgesloten. Is er sprake van een extreem geval wat de omvang, de ernst of het permanente karakter van de betrokken niet-naleving betreft of zijn herhaalde opzettelijke niet-nalevingen geconstateerd, dan wordt de landbouwer bovendien in het daaropvolgende kalenderjaar van de betrokken steunregeling uitgesloten.”

Een relevante bepaling uit Titel IV, hoofdstuk V van Verordening (EG) 1122/2009 is voorts:

“Artikel 77

Cumulatie van verlagingen

Indien een geval van niet-naleving tevens een onregelmatigheid inhoudt en daardoor relevant is voor de toepassing van verlagingen of uitsluitingen overeenkomstig zowel hoofdstuk II als hoofdstuk III van titel IV, geldt het volgende:

a) de verlagingen of uitsluitingen overeenkomstig titel IV, hoofdstuk II, worden toegepast ten aanzien van de betrokken steunregelingen;

b) de verlagingen en uitsluitingen overeenkomstig titel IV, hoofdstuk III, worden toegepast op het totale bedrag aan betalingen die verschuldigd zijn in het kader van de bedrijfstoeslagregeling, de regeling inzake een enkele areaalbetaling en alle steunregelingen waarvoor geen onder a) bedoelde verlagingen of uitsluitingen worden toegepast.

De in de eerste alinea bedoelde verlagingen en uitsluitingen worden overeenkomstig artikel 78, lid 2, [hof: genoemd artikel bepaalt de berekening en de volgorde van toe te passen verlagingen] toegepast onverminderd verdere sancties op grond van andere bepalingen van communautair of nationaal recht.”

Voor de toepassing van artikel 68 van de Regeling GLB-inkomenssteun zijn beleidsregels vastgesteld (Stcrt. 21 december 2010, nr. 20450). Artikel 5 van de beleidsregels geeft de criteria om te beoordelen of een niet-naleving opzettelijk heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van de in artikel 5, tweede lid, van de beleidsregels genoemde niet-nalevingen van de randvoorwaarden wordt het opzet verondersteld.

Juridisch kader ne bis in idem

Artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht, dat in het Nederlandse strafrecht in de weg staat aan een tweede vervolging of bestraffing, is in het onderhavige geval niet van toepassing omdat de randvoorwaardenkorting een bestuursrechtelijk besluit is en geen onherroepelijke beslissing van de strafrechter.

Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie is wel relevant het ne bis in idem-beginsel zoals dat is vastgelegd in het Handvest.

Naar het oordeel van het hof is in de onderhavige zaak, gelet op het eerder geschetste juridisch kader aangaande de GLB-subsidie en de randvoorwaardenkorting, evident sprake van het ten uitvoer brengen van het recht van de Europese Unie, zodat artikel 50 Handvest in casu van toepassing is.

Het Europese Hof van Justitie, waarvan de jurisprudentie leidend is wat betreft de uitleg en toepassing van Europese regelgeving, heeft zich in de zaak Bonda (zaak C-489/10) nadrukkelijk uitgelaten over de aard en strekking van maatregelen die worden getroffen in verband met de niet-naleving van randvoorwaarden bij steunverlening. In deze zaak was Verordening (EG) nr. 1973/2004, de voorganger van Verordening (EG) 1122/2009, de basis voor het intrekken van landbouwsteun. Het betrof in het bijzonder de beantwoording van de prejudiciële vraag: „Wat is juridisch gezien de aard van de sanctie van artikel 138 van [verordening nr. 1973/2004], die erin bestaat dat een landbouwer rechtstreekse betalingen worden ontzegd in de jaren volgende op het jaar waarin hij een onjuiste verklaring heeft afgelegd over de grootte van het areaal dat de grondslag vormt voor [de enkele areaalbetaling]?”

De volgende overwegingen van het Europese Hof van Justitie vormen de essentie:

“28. In dat verband zij eraan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat de door verordeningen betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid uitgevaardigde sancties, zoals de tijdelijke uitsluiting van de marktdeelnemer van een steunregeling, niet van strafrechtelijke aard zijn (zie arresten van 18 november 1987, Maizena e.a., 137/85, Jurispr. blz. 4587, punt 13; 27 oktober 1992, Duitsland/Commissie, C 240/90, Jurispr. blz. I 5383, punt 25, en 11 juli 2002, Käserei Champignon Hofmeister, C 210/00, Jurispr. blz. I 6453, punt 43).

29. Het Hof heeft namelijk vastgesteld dat dergelijke uitsluitingen dienen ter bestrijding van de talrijke onregelmatigheden die in het kader van de landbouwsteun worden begaan en die, doordat zij zwaar drukken op de begroting van de Unie, de maatregelen kunnen ondermijnen die de instellingen op dit gebied hebben getroffen om de markten te stabiliseren en de landbouwers een redelijke levensstandaard en de verbruikers bij de levering redelijke prijzen te verzekeren (zie arrest Käserei Champignon Hofmeister, reeds aangehaald, punt 38).

30. Het Hof heeft ter onderbouwing van zijn oordeel ook vastgesteld dat de overtreden regels uitsluitend gelden voor marktdeelnemers die er in alle vrijheid voor hebben gekozen een beroep te doen op een landbouwsteunregeling (zie reeds aangehaalde arresten Maizena e.a., punt 13; Duitsland/Commissie, punt 26, en Käserei Champignon Hofmeister, punt 41). Hieraan heeft het toegevoegd dat, in het kader van Unierechtelijke steunregelingen, waarin aan steunverlening noodzakelijkerwijs de voorwaarde wordt verbonden dat de rechthebbende alle waarborgen van eerlijkheid en betrouwbaarheid biedt, de sanctie die wordt opgelegd indien niet aan deze eisen wordt voldaan, een specifiek administratief instrument is, dat een bestanddeel van de steunregeling vormt en een goed financieel beheer van de openbare middelen van de Unie moet verzekeren (arrest Käserei Champignon Hofmeister, punt 41).

31. Er is geen enkele reden om een ander antwoord te geven met betrekking tot de maatregelen waarin is voorzien bij artikel 138, lid 1, tweede en derde alinea, van verordening nr. 1973/2004. […]

36. Aan de vaststelling dat de maatregelen bedoeld in artikel 138, lid 1, tweede en derde alinea, van verordening nr. 1973/2004 administratief van aard zijn, wordt niet afgedaan door de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake het begrip „strafrechtelijke procedure” in de zin van het door de verwijzende rechter vermelde artikel 4, lid 1, van protocol nr. 7. [Hof: dit protocol is voor NL niet in werking getreden.]

37. Volgens die rechtspraak zijn in dat verband drie criteria relevant: 1) de juridische kwalificatie van de inbreuk in het nationale recht; 2) de aard van de inbreuk, en 3) de aard en de zwaarte van de sanctie die aan de betrokkene kan worden opgelegd (zie met name EHRM, arresten Engel e.a. v Nederland van 8 juni 1976, série A, nr. 22, §§ 80 82, en Zolotoukhine v Rusland van 10 februari 2009, verzoekschrift nr. 14939/03, §§ 52 en 53).

38. Aangaande het eerste criterium moet worden opgemerkt dat de in artikel 138, lid 1, van verordening nr. 1973/2004 vastgestelde maatregelen, in het Unierecht, dat in casu met het „nationale recht” in de zin van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens moet worden gelijkgesteld, niet worden geacht strafrechtelijk van aard te zijn.

39. Het tweede criterium vereist dat wordt nagegaan of met de aan de marktdeelnemer opgelegde sanctie met name een repressief doel wordt nagestreefd.

40. In casu blijkt uit de analyse in de punten 28 tot en met 32 van het onderhavige arrest dat de in artikel 138, lid 1, tweede en derde alinea, van verordening nr. 1973/2004 vastgestelde maatregelen slechts kunnen worden genomen ten aanzien van marktdeelnemers die een beroep doen op de bij die verordening ingestelde steunregeling, en dat het doel van die maatregelen niet repressief is, maar in essentie bestaat in de bescherming van het beheer van de middelen van de Unie door de tijdelijke uitsluiting van een steunontvanger die in zijn steunaanvraag onjuiste verklaringen heeft gedaan.

41. Zoals de advocaat-generaal in punt 65 van haar conclusie heeft opgemerkt, pleit voorts tegen een repressief karakter van die maatregelen dat de steun die aan de landbouwer kan worden betaald voor de jaren volgend op het jaar waarin een onregelmatigheid is vastgesteld, slechts wordt verlaagd indien voor die jaren een aanvraag wordt ingediend. Dient de landbouwer voor de volgende jaren geen aanvraag in, dan treft de krachtens artikel 138, lid 1, van verordening nr. 1973/2004 aan hem opgelegde sanctie geen doel. Dat is eveneens het geval indien de landbouwer niet meer aan de voorwaarden voor steunverlening voldoet. Ten slotte is de sanctie eveneens gedeeltelijk onwerkzaam indien het bedrag van de steun waarop de landbouwer voor de volgende jaren aanspraak kan maken lager is dan het bedrag dat op die steun moet worden ingehouden uit hoofde van de maatregel tot verlaging van de wederrechtelijk ontvangen steun.

42. Bijgevolg kan op basis van het in punt 37 van het onderhavige arrest vermelde tweede criterium niet worden vastgesteld dat de in artikel 138, lid 1, van verordening nr. 1973/2004 vastgestelde maatregelen van strafrechtelijke aard zijn.

43. Met betrekking tot het derde criterium moet, naast hetgeen reeds is gezegd in punt 41 van het onderhavige arrest, nog worden opgemerkt dat de in artikel 138, lid 1, tweede en derde alinea, van verordening nr. 1973/2004 vastgestelde sancties slechts tot gevolg hebben dat de betrokken landbouwer het vooruitzicht op steun verliest.

44. Bijgevolg kunnen die sancties niet worden gelijkgesteld met strafrechtelijke sancties op grond van het in punt 37 van het onderhavige arrest vermelde derde criterium.”

In het arrest Åkerberg Fransson (C-617/10) heeft het Hof van Justitie herhaald dat de in overweging 37 van het arrest inzake Bonda aangehaalde drie criteria relevant zijn om te beoordelen of een bepaalde sanctie een strafrechtelijke sanctie is .

Beoordeling van de toegepaste randvoorwaardenkorting

In de kern dient, gelet op de overwegingen van het Hof van Justitie in het zojuist aangehaalde arrest inzake Bonda, te worden beoordeeld of de opgelegde randvoorwaardenkorting een strafrechtelijke sanctie is in de zin van artikel 50 Handvest. Voor die beoordeling zijn drie criteria relevant, te weten:

  1. de juridische kwalificatie van de inbreuk in het nationale recht;
  2. de aard van de inbreuk; en
  3. de aard en de zwaarte van de sanctie die aan de betrokkene kan worden opgelegd.

Ad 1) De verstrekking van subsidie, waarop titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, en de toepassing van kortingen daarop, is naar Nederlands recht geen strafrechtelijke, maar een bestuursrechtelijke aangelegenheid. De verstrekking van GLB-inkomenssteun als in deze zaak aan de orde geschiedt onder verantwoordelijkheid van de minister van Economische Zaken (artikel 2 Regeling GLB-inkomenssteun 2006) en is ingevolge artikel 63 Regeling GLB-inkomenssteun 2006 opgedragen aan een uitvoerende dienst (de toenmalige Dienst Regelingen) van het Ministerie van Economische Zaken. Tegen beslissingen van die dienst tot de toepassing van een randvoorwaardenkorting als hier aan de orde, staat, na de bezwaarfase, beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Ad 2) Het tweede criterium vereist volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie dat wordt nagegaan of met de toegepaste subsidiekorting met name een repressief doel wordt nagestreefd. In navolging van hetgeen het Hof van Justitie in het arrest Bonda heeft overwogen, is het hof van oordeel dat zulks niet het geval is. Mede gelet op de toelichting bij de Regeling GLB-inkomenssteun 2006, gaat het hier, als afgeleide van hetgeen met het Europees landbouwbeleid wordt beoogd, om het waarborgen van diervriendelijke productiemethoden, het behoud van de natuurlijke levensomstandigheden en de zorg voor het platteland. Daartoe zijn blijkens deze toelichting alle vormen van rechtstreekse steun afhankelijk gesteld van de naleving van de normen op deze terreinen. In het verlengde hiervan ziet de regeling van inkomenssteun en korting daarop tevens op de bescherming van het beheer van de middelen van de Unie. Consequentie van het niet-naleven van de randvoorwaarden, is een korting op de inkomenssteun.

In casu is deze korting toegepast op de subsidie die is toegekend voor het jaar waarin de onregelmatigheid is geconstateerd. Onder omstandigheden is ook een korting mogelijk op aangevraagde en nog toe te kennen subsidies. Of van het een of het ander sprake is, is niet doorslaggevend voor de vraag of met de korting een repressief doel wordt nagestreefd. In elk geval is de omstandigheid dat een korting wordt toegepast op een toegekende subsidie geen aanwijzing dat sprake is van een repressief doel. Het hof is van oordeel dat eerder het omgekeerde heeft te gelden: deze omstandigheid onderstreept juist het reparatoire karakter van de korting.

Bij dit alles is relevant dat het gaat om een korting op een eerder toegekende of nog toe te kennen subsidie. Dat brengt met zich dat de vermogenspositie van de betrokkene als gevolg van het totaal van de toegekende of toe te kennen subsidie en de korting daarop niet verslechtert, maar in het voor de betrokkene slechtste geval gelijk blijft (bij een korting van 100%) en in de andere gevallen slechts in mindere mate verbetert, al voelt dat voor de betrokkene uiteraard anders als hij die subsidie als een vaststaan deel van zijn inkomen of vermogen ziet. Het betekent ook dat een korting slechts kan worden toegepast en effect heeft indien en voor zover de betrokkene subsidie heeft aangevraagd.

Ad 3) Met betrekking tot het derde criterium kan in wezen worden herhaald hetgeen hiervoor is overwogen: de korting heeft een reparatoir karakter en beoogt geen leedtoevoeging. Met name de omstandigheid dat de vermogenspositie van de betrokkene als gevolg van de toegekende of toe te kennen subsidie en de korting daarop in haar totaliteit niet verslechtert, maar in het voor de betrokkene slechtste geval gelijk blijft (bij een korting van 100%) en in de andere gevallen slechts in mindere mate verbetert, onderstreept dit. Weliswaar kan sprake zijn van een wezenlijke (terug)betalingsverplichting, maar die is altijd gerelateerd aan en dientengevolge evenredig met de toegekende of toe te kennen subsidie. Dit maakt ook dat de nominale omvang van het kortingsbedrag in het onderhavige geval niet doorslaggevend is. Hoewel niet doorslaggevend komt daar in het onderhavige geval nog bij dat de daadwerkelijk toegepaste randvoorwaardenkorting € 138,55 bedraagt.

Op basis van het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat de toegepaste korting van strafrechtelijke aard is.

Dit wordt niet anders doordat in het onderhavige geval, anders dan in de zaak Bonda, geen sprake is van fraude bij de aanvraag van de subsidie. Dit vloeit in essentie reeds voort uit het vorenoverwogene: het gaat ook in dit geval om een reparatoire reactie op een situatie die er samengevat op neerkomt dat de betrokkene een subsidie heeft gekregen waar hij (deels) geen recht op heeft. Dat zulks in het ene geval voortvloeit uit de onjuistheid van de aanvraag (in de zaak Bonda) en in het andere geval voortvloeit uit de (voor de bestuursrechtelijke kortingsbeslissing vaststaande) constatering dat de betrokkene niet steeds aan de aan de subsidie verbonden randvoorwaarden heeft voldaan (de onderhavige zaak), doet niet af aan het reparatoire karakter van de korting.

Evenmin wordt de conclusie anders doordat sprake is van een gedetailleerd stelsel van kortingstarieven met hogere kortingspercentages in geval van opzet of herhaling. Het hof stelt voorop dat een dergelijk stelsel willekeur voorkomt. Zonder een dergelijke regeling blijft het antwoord op de vraag welke korting bij een onregelmatigheid moet worden toegepast arbitrair. Daar komt bij dat in abstracto een systeem dat bijvoorbeeld bij elke onregelmatigheid het recht op subsidie volledig doet vervallen, voorstelbaar is. In vergelijking met een dergelijk stringent systeem bevordert, als gezegd, een systeem als hier aan de orde, waarin bij in kwalitatieve of kwantitatieve zin beperkte onregelmatigheden een relatief beperkte en bij in kwalitatieve of kwantitatieve zin ernstigere onregelmatigheden een relatief hogere korting wordt toegepast, de evenredigheid van de korting. Die kwalitatieve ernst is in systeem van randvoorwaardenkortingen vertaald in het al dan niet opzettelijk zijn begaan van de onregelmatigheid, terwijl de kwantitatieve ernst is terug te zien in de toename van het kortingspercentage bij herhaling. Aldus vormt ook dit geen aanwijzing voor een repressieve sanctie.

Uit het voorgaande vloeit ten slotte voort dat de door de verdediging opgeworpen vergelijking met de jurisprudentie van de Hoge Raad aangaande het alcoholslotprogramma mank gaat. In die jurisprudentie (zie bijv. ECLI:NL:HR:2015:434) zag de Hoge Raad immers juist in de gevolgen voor de betrokkene aanleiding om een strafrechtelijke vervolging ter zake van artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 na eerdere oplegging van een alcoholslotprogramma in strijd te achten met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Zoals hiervoor is uiteengezet verslechtert in de landbouwsubsidiezaken de vermogenspositie van de betrokkene onder de streep niet nu in het slechtste geval ten hoogste sprake is van een korting van 100% op een toegekende of toe te kennen subsidie. Bij het alcoholslotprogramma was daarentegen sprake van een (afhankelijk van de situatie: substantiële) betalingsverplichting die de betrokkene in een slechtere vermogenspositie bracht en bovendien van een (opnieuw afhankelijk van de situatie: ingrijpende) beperking van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen. Daarnaast kent de Hoge Raad, met het oog op het arrest-Nilsson van het EHRM (13 december 2005, 73661/01, Nilsson vs. Zweden) ten aanzien van het alcoholslotprogramma, betekenis toe aan de samenhang in procedures. Naar het oordeel van het hof is deze samenhang bij het alcoholslotprogramma relevant omdat de in het strafrecht mogelijk op te leggen sancties, zoals een ontzegging van de rijbevoegdheid, de verdere tenuitvoerlegging van het alcoholslotprogramma doorkruisten en deze procedures enerzijds nauw samenhingen, maar anderzijds door de wetgever niet goed op elkaar waren afgestemd. Van dergelijke afstemmingsproblemen is in het onderhavige geval geen sprake.

Conclusie

Het voorgaande brengt het hof tot de slotsom dat de economische politierechter het Openbaar Ministerie ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in de strafvervolging. Het beroepen vonnis zal derhalve worden vernietigd omdat het hof zich niet met het vonnis kan verenigen. Nu zulks door de verdediging is verlangd zal het hof de zaak op de voet van artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering terugwijzen naar de rechtbank.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling eigenaar asbestsaneringsbedrijf wegens het op onzorgvuldige wijze verwijderen van asbest en valsheid in geschrifte meermalen gepleegd

Rechtbank Overijssel 1 februari 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:310  

Verdachte heeft op een dermate onzorgvuldige wijze asbesthoudende golfplaten verwijderd van een ligboxstal, dat asbest en asbestvezels op de onderliggende dupanelplaten, spanten en gordingen van de stal zijn achtergebleven. Hoewel verdachte wist van de achtergebleven resten asbest, heeft hij vervolgens welbewust de keuze gemaakt om de dupanelplaten, spanten en gordingen niet schoon te maken. Ten gevolge hiervan konden de achtergebleven asbestresten en de asbestvezels in de lucht vrijkomen en in de ligboxstal en daarbuiten verder verspreiden. Hierdoor konden nadelige gevolgen voor het milieu en gevaar voor de openbare gezondheid ontstaan.

Om zijn strafbare handelen te verhullen heeft verdachte vervolgens een analyserapport gemaild aan de inspecteur bouwzaken, welk rapport een valse voorstelling van zaken geeft omtrent de aanwezigheid van asbest in het dak van voornoemde ligboxstal. Uit het analyserapport volgt dat het monster asbestvrij is, echter is het door verdachte aangeleverde monster niet afkomstig van het dak van voornoemde veestal.

Daarnaast heeft verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door op een vijftal begeleidingsbrieven voor de afvoer van asbest een valse locatie van herkomst in te vullen.

De rechtbank acht de bewezen verklaarde feiten zeer ernstig en rekent het verdachte zwaar aan dat hij in zijn hoedanigheid van eigenaar van een asbestsaneringsbedrijf niet de verantwoordelijkheid heeft genomen die hij als deskundige had bij het verwijderen van asbest. Te meer nu verdachte als gecertificeerd asbestsaneerder op de hoogte is van de wijze waarop asbestsaneringen conform de geldende wet- en regelgeving dienen te worden uitgevoerd en van de gevaren die asbestvezels kunnen opleveren.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een werkstraf van 180 uur. Daarnaast legt de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden op met een proeftijd van twee jaren. Gedurende de proeftijd mag de verdachte geen werkzaamheden verrichten die verband houden met asbestsaneringen. De rechtbank ontzet hem uit het recht tot uitoefing van het beroep van asbestsaneerder voor een periode van twee jaar. Tot slot moet hij 5000 euro betalen aan het instituut Asbestslachtoffers.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 juni 2015, waaruit blijkt dat de verdachte eerder strafrechtelijk is veroordeeld wegens soortgelijke feiten.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

OVV onderzoekt: is haven Rotterdam veiliger?

De Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) gaat onderzoeken of zijn aanbevelingen over de veiligheid van tankopslagbedrijf Odfjell in de Rotterdamse haven, ook tot meer veiligheid in de haven hebben geleid. Uit het onderzoek in 2013 bleek dat de verantwoordelijke toezichthouders jarenlang hebben gefaald in het toezicht op Odfjell.

Het ging onder meer om de Milieudienst Rijnmond DCMR. Door het falen van het toezicht op de veiligheid hebben werknemers en de omgeving gevaar gelopen, concludeerde de OVV toen.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Hoofdlijnen van het Omgevingsrecht

Met 'Hoofdlijnen van het omgevingsrecht' (geheel herziene druk) wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste aspecten van het brede omgevingsrecht. Doel is om beleidsmedewerkers, studenten en anderen werkzaam in de dagelijkse praktijk van het omgevingsrecht inzicht te geven in de hoofdlijnen en de praktische toepassing van het omgevingsrecht. Met de inwerkingtreding van de Wabo in 2010 benadrukte het Rijk dat "de ruimtelijke ingreep centraal staat in de besluitvorming" en het bevoegde gezag "een integrale afweging moet maken". Gevolg hiervan is dat er steeds vaker een belangenafweging moet plaatsvinden die afzonderlijke rechts- en taakgebieden overstijgt. Basiskennis van het gehele omgevingsrecht is daarom onontbeerlijk. Vakspecialisten op verschillende deelgebieden hebben een dergelijk overzicht nodig om hun beslissingen gedegen voor te kunnen bereiden. Deze professionals zullen zich moeten verdiepen in de hoofdlijnen van de wet- en regelgeving op de belangrijkste rechtsgebieden die het omgevingsrecht bevat.

Centraal in het boek staat de regelgeving uit de Wabo. Daarnaast wordt uitleg gegeven over de rechtsgebieden die van belang zijn voor het omgevingsrecht, zoals onder meer het algemeen bestuursrecht, de ruimtelijke ordening, de bouwregelgeving, bouw, sloop en brandveiligheid, milieuregels, monumenten, archeologie en de APV. Een afzonderlijk hoofdstuk is ingeruimd voor de integrale handhaving die de Wabo voorstaat.

De tekst is geactualiseerd tot 1 januari 2016 met aandacht voor alle wijzigingen die sinds de introductie van de Wabo in 2010 in wet- en regelgeving zijn doorgevoerd. Ook is de tekst waar nodig aangevuld met jurisprudentie. In het boek is tevens een hoofdstuk opgenomen over actuele ontwikkelingen, zoals de komst van Omgevingswet en de wettelijke borging van de Wabo-kwaliteitseisen.

 

Praktische Informatie

Titel: Hoofdlijnen van het Omgevingsrecht Auteur(s): Ronald de Waard, Bart Oortwijn Aantal pagina's: 270 blz. Berghauser Pont Publishing | 2e druk | 2016 ISBN-13: 9789491930508 Prijs: € 42,50

 

Klik hier om het boek te bestellen via Jongbloed.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak handelen in strijd met artikelen 173a en 173b Sr (opzettelijk en wederrechtelijk een stof op of in de bodem, in de lucht of in het oppervlaktewater brengen)

Rechtbank Limburg 29 januari 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:811 Vast staat dat het dakbeschot van de woning te Vijlen bestond uit asbesthoudend materiaal, meer specifiek chrysotiel. Ook staat vast dat verdachten daarvan op de hoogte waren. In 2014 werden soortgelijke werkzaamheden, waarbij verdachten betrokken waren, stilgelegd, en dit heeft geleid tot het Asbestinventarisatierapport van naam 2. Medeverdachte 3 wist dat het verwijderen van het dakbeschot enkel door een daartoe gecertificeerd bedrijf mocht geschieden.

Op basis van het dossier en de verklaring van de verdachte op de zitting staat vast dat de werkzaamheden in het dakbeschot op 7 februari 2015 in het appartement te Vijlen door verdachte en medeverdachte 1 in opdracht van medeverdachte 3 zijn verricht. Er is een uitsparing in het dakbeschot gemaakt door te zagen, een deel van het dakbeschot los te trekken, de plaatstukken vervolgens in een vuilniszak te doen, de kleinere resten bij elkaar te vegen en ten slotte de laatste resten op te zuigen met een stofzuiger. De afvalzak met asbestafval is door medeverdachte 1 in de laadbak van de auto van de medeverdachte 3 gezet en door medeverdachte 3 meegenomen.

De dagen na de werkzaamheden hebben verdachte, medeverdachte 1 en medeverdachte 2 nog in de woning gewerkt, terwijl uit het onderzoek van naam 1 d.d. 12 februari 2015 nog blijkt van asbestbesmetting in de woning op 12 februari 2015, meer specifiek van asbestvezels chrysotiel. Deze zijn aangetroffen op de zolder en benedenverdieping. Uit het rapport d.d. 19 februari 2015 blijkt dat er ook asbeststof is aangetroffen op het dakbeschot nabij de gemaakte uitsparing en in de dakgoot eronder en onder de dakpannen.

Verdenking

De verdenking komt er op neer:

  • Feit 1 primair: dat verdachte samen met anderen opzettelijk en wederrechtelijk asbest op of in de bodem of in de lucht heeft gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar te duchten was;
  • Feit 1 subsidiair: dat het aan de schuld van verdachte te wijten is dat asbest op of in de bodem of in de lucht werd gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar te duchten was.

Het standpunt van de officier van justitie

Het als primair ten laste gelegde feit kan volgens de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Door verdachte en zijn medeverdachten is asbest in de lucht en op de bodem gebracht. De officier van justitie verwijst in dit verband naar jurisprudentie, waarbij geconcludeerd is dat er sprake is van op en/of in de bodem en/of in de lucht brengen door bepaalde handelingen met asbesthoudend materiaal. Ook verwijst hij naar een TNO onderzoeksrapport uit 2004 waaruit blijkt dat bij zagen in asbestcement veel asbestvezels vrijkomen; gemiddeld 370.000 vezels per kubieke meter. Die vezels dwarrelen door de ruimte, waar ze afhankelijk van luchtstromen her en der weer neerdalen. Als dan vervolgens het materiaal waaraan ze kleven, of het stof waarin ze zitten, actief wordt beroerd, worden de vezels opnieuw in de lucht geworpen en verder verspreid. Precies dit type handelingen is door verdachte en medeverdachte 1 verricht. Er is gezaagd, er is handmatig afval opgepakt en in een vuilniszak gedaan, er is gebezemd en ten slotte is er stof opgezogen met een bouwstofzuiger die vermoedelijk niet asbestveilig is. Zo’n stofzuiger blaast de vezels deels aan de achterkant weer de ruimte in. Uit de rapportage van naam 1 blijkt dat deze handelingen inderdaad asbest in de lucht hebben gebracht. Er is asbestbesmetting vastgesteld in het appartement te Vijlen. Het gaat om besmetting met chrysotiel, zijnde een asbestsoort, wat blijkt uit zowel kleef- als stofverzamelmonsters. Er zijn asbestvezels op de begane grond en op de zolder aangetroffen. Er zou ook nog kunnen worden bewezen dat door verdachte en zijn medeverdachten ook asbest in de bodem en buitenlucht is gebracht, nu de zak met asbestafval is neergezet op de grond buiten de woning, terwijl deze zak in een fors besmette omgeving is gevuld. Voor de gevaren van asbest verwijst de officier van justitie ook in dit verband naar de door hem al aangehaalde uitspraken van de rechtbank Arnhem en het Hof Den Bosch. Verdachte en de medeverdachten wisten dat asbest in het gebouw aanwezig was, vanwege de eerdere stillegging van vergelijkbare activiteiten en op grond van het Asbestinventarisatierapport. De verdachten wisten dus dat er asbest zat in het dakbeschot waar het dakraam is aangebracht. Derhalve kan opzet op het vrijkomen van asbest bewezen worden. Door dat handelen van de verdachten is naar het oordeel van de officier van justitie levensgevaar voor anderen te duchten geweest, te weten voor elkaar en voor medeverdachte 2 en de Nederlandse loodgieter.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting de vrijspraak van verdachte bepleit.

Ten aanzien van het onder primair en subsidiair tenlastegelegde feit heeft de raadsman, samengevat, het volgende aangevoerd. Er kan niet worden gekomen tot een bewezenverklaring van het onderdeel ‘het brengen in de grond’ en bij het brengen in de lucht’’ omdat er maximaal slechts sprake geweest van een kortstondige inbrenging in de lucht door neerdwarrelend zaagsel. Nu bij het neerdwarrelen van het zaagsel niemand anders aanwezig is geweest dan alleen de plegers van het feit, is hierbij niet voldaan aan het vereiste ‘te duchten gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor een ander’, aldus de raadsman. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat op basis van het procesdossier het voor een bewezenverklaring vereiste gevaar niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Ook bevindt zich in het procesdossier geen analyse van het concrete en reële gevaar voor de gezondheid bij inademing van de specifieke asbestsoort en het asbestgehalte. Tenslotte heeft de raadsman aangevoerd dat de aanwezigheid van asbestdelen in de woning niet noodzakelijkwijze in verband hoeft te staan met de verweten verontreinigde handelingen. Daarom heeft hij voor dit feit vrijspraak bepleit.

Het oordeel van de rechtbank

Het wettelijk kader

Om te kunnen beoordelen of verweten handelingen (waarvan hiervoor is komen vast te staan dat die zijn verricht) leiden tot een bewezenverklaring van artikel 173a dan wel artikel 173b van het Wetboek van Strafrecht, dient eerst nader op deze bepalingen te worden ingegaan.

De artikelen 173a en 173b van het Wetboek van Strafrecht beogen primair de bescherming van de gezondheid van de mens tegen ernstige milieuvervuiling. Dat betekent ook dat de verontreiniging die schadelijk is voor bijvoorbeeld planten en dieren slechts dan onder het bereik van deze bepaling(en) valt, indien daardoor (mede) het gevaar voor de gezondheid van de mens te duchten is.

Het gevaar moet verder volgens vaste jurisprudentie naar objectieve maatstaven te duchten zijn. Niet vereist is derhalve dat het gevaar daadwerkelijk is ingetreden; voldoende is dat het te duchten is. Voorts is van belang dat het gevaar te duchten is op het moment van het brengen van de stof in het milieu en onder de omstandigheden waaronder dit werd gedaan. De rechtbank verwijst in dit verband naar onder andere de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 maart 2007 (ECLI:NL:RBARN: 2007:BA0217) en de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 8 februari 2010 (ECLI:NL: RBALK:2010:BL2846).

Alvorens toe te komen aan de beoordeling van de vraag of in dit geval het gevaar naar objectieve maatstaven te duchten was, dient eerst te worden beoordeeld of door de verweten en vaststaande handelingen asbest op of in de bodem en/of in de lucht is gebracht. Daarvoor is van belang wat onder bodem en lucht in het kader van de artikelen 173a en 173b van het Wetboek van Strafrecht dient te worden verstaan.

De begrippen bodem en lucht in de artikelen 173a en 173b van het Wetboek van Strafrecht

Voor wat er onder “de bodem en in de lucht” in voornoemde strafbepalingen moet worden verstaan, dient te worden aangesloten bij de begrippen in de betreffende milieuwetten, zo blijkt uit de Memorie van Toelichting bij invoering van deze bepalingen (Tweede Kamer, vergaderjaar 1984-1985, 19 020, nrs. 1-3; nr. 3, pagina 8).

In die zin is ook eerder geoordeeld door de Hoge Raad als het gaat om de uitleg van het begrip bodem en het begrip oppervlaktewater (zie arresten van de Hoge Raad van 15 oktober 2013 (ECLI:NL:HR:2013:95) en de arresten van de Hoge Raad van 30 november 1992 (NJ 1985/89) en 23 februari 1993 (NJ 1993/605). Overigens gaat het bij de artikelen 173a en 173b van het Wetboek van Strafrecht niet om een lex specialis ten opzichte van de (sectorale) milieuwetten, zoals blijkt uit jurisprudentie van de Hoge Raad van 20 mei 1986, (zie NJ 1987, 990).

De begrippen bodem, lucht in de (sectorale) milieuwetten

Gelet op het voorgaande dient dan ook na te worden gegaan wat in de (sectorale) milieuwetten wordt verstaan onder, voor zover hier relevant, bodem en lucht. Hierna wordt weergegeven wat in de relevante (sectorale) milieuwetten onder deze begrippen wordt verstaan. Daarnaast zullen voor het goede begrip nog een aantal andere aanverwante relevante begrippen worden vermeld.

Wet milieubeheer

Artikel 1.1, tweede lid, sub a van de Wet milieubeheer bepaalt dat ingevolge deze wet en de daarop berustende bepalingen onder gevolgen voor het milieu in ieder geval worden verstaan gevolgen voor het fysieke milieu, gezien vanuit het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen, van water, bodem en lucht en van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en van de beheersing van het klimaat, alsmede van de relaties daartussen.

Ingevolge artikel 1.1 van de Wet milieubeheer wordt onder emissie verstaan: stoffen, trillingen, warmte, die of geluid dat direct of indirect vanuit een bron in de lucht, het water of de bodem worden, onderscheidenlijk wordt gebracht.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid van de Wet milieubeheer, wordt onder luchtverontreiniging verstaan: aanwezigheid in de buitenlucht van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, niet zijnde splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen als bedoeld in de Kernenergiewet (http://wetten.overheid.nl/BWBR0002402), die op zichzelf dan wel tezamen of in verbinding met andere stoffen nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.

Het begrip bodem is in de Wet milieubeheer niet als zodanig gedefinieerd.

Wet inzake de luchtverontreiniging (wet Luvo)

Ingevolge artikel 1 van de wet Luvo wordt voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde onder luchtverontreiniging verstaan: de aanwezigheid in de buitenlucht van verontreinigende stoffen.

Onder verontreinigende stoffen ingevolge artikel 1 van de wet Luvo worden verstaan: vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, niet zijnde splijtstoffen, ertsen of radio-actieve stoffen in de van de Kernenergiewet (Stb. 1963, 82), die in de lucht, op zichzelf dan wel tezamen of in verbinding met andere stoffen, hetzij nadeel voor de gezondheid van de mens of hinder voor de mens kunnen opleveren, hetzij schade toebrengen aan dieren, planten of goederen.

Hetzelfde artikel verstaat onder verontreinigende handeling een gedraging waardoor één of meer verontreinigende stoffen in de buitenlucht kunnen geraken, die niet voortvloeit uit het normale gebruik van een toestel of brandstof en die niet wordt verricht in een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vereist is.

Wet bodembescherming

Onder bodem moet ingevolge artikel 1 van de Wet bodembescherming worden verstaan: het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen.

Is asbest op of in de bodem gebracht?

De vraag is vervolgens of in de onderhavige zaak kan worden bewezen dat door de ten laste gelegde handelingen – kort gezegd het zagen en onachtzaam behandelen van het asbestmateriaal – asbest op of in de bodem is gebracht. Uit het voorgaande blijkt dat onder bodem moet worden verstaan “het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen”. Dat asbest op of in de bodem als hiervoor bedoeld, is gebracht, is naar het oordeel van de rechtbank niet vast komen te staan. De vloeren in de woning kunnen immers niet als zodanig gelden.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de zak met asbestafval buiten de woning is neergezet en dat, nu deze zak in een fors besmette omgeving is gevuld, wellicht asbest op die wijze op de bodem is gebracht. De rechtbank overweegt hierover dat op basis van het dossier niet kan worden bewezen dat de vuilniszak buiten op de bodem is neergezet. Medeverdachte 1 heeft bij de politie juist verklaard dat hij de zak met asbestafval in de laadbak van de auto van medeverdachte 3 heeft gezet.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte een stof, te weten asbest(vezels) op of in de bodem heeft gebracht, zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Is asbest in de lucht gebracht?

Kan worden bewezen dat door het zagen en onachtzaam behandelen van het asbestmateriaal asbest in de lucht is gebracht? Gelet op het voorgaande dient voor het begrip lucht in de artikelen 173a en 173b van Wetboek van Strafrecht eveneens aansluiting te worden gezocht bij het (eensluidende) begrip lucht in de Wet milieubeheer en Wet Luvo. Dat betekent dat onder luchtbuitenlucht” dient te worden verstaan. De vraag is dan ook of bewezen kan worden verklaard dat er op 7 februari 2015 bij het zagen en onachtzaam behandelen van het asbestmateriaal asbest in de buitenlucht is gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat tijdens de voornoemde handelingen onmiskenbaar asbeststof in de lucht in de woning (dat wil zeggen in de binnenlucht) terecht is gekomen en dat op dat moment verdachte en medeverdachte 1 daaraan blootgesteld zijn geweest. De binnenlucht valt echter buiten het bereik van de artikelen 173a en artikel 173b van het Wetboek van Strafrecht, terwijl het verwijt van de officier gezien het procesdossier en het requisitoir juist daar op gericht is.

De blootstelling in de woning wordt in dit geval wel beschermd door het bepaalde in de Arbowet, welke wet, behalve werknemers, gelet op artikel 10 van de Arbowet, ook bescherming biedt aan derden.

De vraag is of bewezen kan worden verklaard dat er ook asbest in de buitenlucht is gebracht door het handelen van de verdachten. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Tijdens het maken van de uitsparing in het dakbeschot, werd de buitenlucht afgeschermd door dakpannen (waarvan er op enig moment een paar naar beneden zijn gevallen) en aansluitend aan het maken van de uitsparing is een dakraam geplaatst dat de binnenlucht heeft afgeschermd van de buitenlucht. De rechtbank acht het aannemelijk dat bij de werkzaamheden mogelijk ook asbeststof buiten de woning in de buitenlucht terecht is gekomen. Dat dit niet denkbeeldig is, wordt ook bevestigd door het aantreffen op 12 februari 2015 van asbeststof op het dakbeschot nabij de gemaakte sparing en stukjes asbest in de dakgoot eronder. Mogelijk is ook, dat toen de vuilniszak naar buiten is gebracht en in de laadbak van de auto van medeverdachte 3 is geplaatst, enig asbeststof in de buitenlucht terecht is gekomen.

De rechtbank concludeert echter dat niet nader is onderzocht dan wel anderszins is komen vast te staan in welke mate en concentraties asbeststof tijdens de werkzaamheden op 7 februari 2015 in de buitenlucht terecht is gekomen. Voor een bewezenverklaring acht de rechtbank het dossier dan ook onvoldoende, gezien ook in de context van het strafdossier, dat zich concentreert op de lucht in de woning. Voor zover de rechtbank ten aanzien van asbeststof in de buitenlucht wel al tot een bewezenverklaring zou komen, kan naar het oordeel van de rechtbank vervolgens niet worden bewezen dat, voor zover hier relevant, door het brengen van asbest in de buitenlucht “daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is geweest”. Immers, daarvoor zal vast moeten komen te staan dat dit gevaar naar objectieve maatstaven te duchten was op het moment van het brengen van de stof in het milieu en onder de omstandigheden waaronder dit werd gedaan. Nergens in het dossier is echter gebleken in welke concentratie en waar de asbestvezels in buitenlucht zoal terecht zijn gekomen en of en welke concrete personen daaraan in welke mate blootgesteld zijn geweest. Dit betekent dat verdachte ook van dit onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Conclusie 

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzettelijke of van culpoze milieuverontreiniging, met als gevolg dat verdachte van het onder feit 2 primair en subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^