Nieuwe wet- en regelgeving omgevingsrecht per 1 januari 2016

Print Friendly and PDF ^

De punitieve handhaving van de omgevingswet

Op 16 juli 2014 is het voorstel van de Omgevingswet bij de Tweede Kamer ingediend. Verschillende wetten op het terrein van de fysieke leefomgeving worden geheel of gedeeltelijk in deze wet geïntegreerd. De wetten en delen van wetten die de Omgevingswet zal vervangen, hanteren niet allemaal dezelfde handhavingsinstrumenten. Dat geldt ook voor de punitieve handhaving. Zowel het strafrecht als de bestuurlijke boete speelt een rol. Dit boek vormt de neerslag van een onderzoek naar de vraag hoe de punitieve handhaving van voorschriften die bij of krachtens de Omgevingswet gesteld worden, vorm kan worden gegeven. Het onderzoek is verricht in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en het Ministerie van Veiligheid en Justitie.

Praktische Informatie

  • ISBN: 9789462510784
  • Auteur: prof. mr. H.E. Bröring, mr. M.E. Buwalda, mr. dr. drs. A.A. van Dijk, prof. mr. B.F. Keulen, mr. A. Postma
  • Aantal pagina's: 648

 

Bestel hier het boek via Uitgeverij Paris.

Print Friendly and PDF ^

Aangetroffen asbest geen 'gevaarlijke afvalstof' in de zin van artikel 10.37 van de Wet Milieubeheer vanwege een te lage concentratie asbest per kilogram asbesthoudend materiaal

Rechtbank Den Haag 24 november 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:13598 In de periode van 8 april 2013 tot en met 11 april 2013 heeft er in Hazerswoude-Rijndijk een sloop plaatsgevonden op een perceel waar de voormalige veevoederfabriek “De Hoop” (van Tijssen Goed Voor Dieren) was gevestigd. Deze sloop bestond uit het verwijderen van een woonhuis, een opslag en twee silo’s. Verdachte / rechtspersoon B.V. heeft van bedrijf 1 B.V. de opdracht gekregen voor de totale sloop. De sloop vond in onderaanneming plaats met het bedrijf 2 B.V.

Bedrijf 3 B.V. heeft beide silo’s in opdracht van bedrijf 4 B.V. voorafgaand aan de sloop op asbest onderzocht en heeft naar aanleiding van dit onderzoek op 22 januari 2013 een asbestinventarisatierapport opgesteld. Uit dat rapport kwam naar voren dat de nieuwste van de twee silo’s (op basis van één bemonstering op het dak) asbestvrij werd verklaard en dat bij de twee bemonsteringen van een bitumencoating, die was aangebracht op de buitenkant van de oudste van de twee silo’s, asbest was aangetroffen in de vorm van chrysotiel. Een bijzonderheid daarbij was dat de nieuwe silo tegen de oude silo was aangebouwd en een deel van de bitumencoating tussen de silo’s zat. Deze bitumencoating was daardoor enkel benaderbaar vanaf de binnenzijde van de nieuwe silo. De sanering moest daarom bestaan uit een buitensanering in risicoklasse 2 (buitenkant oude silo) en een binnensanering in risicoklasse 2 (binnenkant van de nieuwe silo ten behoeve van de oude silo), die in twee SMA-rt 2009-APR Risicoclassificaties waren neergelegd. Voor de buitensanering moest de locatie worden afgebakend, beschermd en gemarkeerd. Bij de binnensanering moest een ‘containment’ worden aangelegd. Deze moest worden uitgevoerd conform de SC-530 regeling (waarin de eisen op het gebied van asbestverwijdering zijn neergelegd) en door een SC-530 gecertificeerd bedrijf. Verdachte / rechtspersoon B.V. is zo’n bedrijf. De eindcontrole moest geschieden volgens een NEN 2990 protocol. De werkmethode werd als volgt in algemene zin beschreven:

  • de asbestverwijderingswerkzaamheden dienen te worden uitgevoerd in overeenstemming met de op het formulier aangeven specificaties en omstandigheden. Te allen tijde dient vezelemissie zoveel mogelijk te worden beperkt;
  • voorafgaand aan de werkzaamheden dient een compleet werkplan te worden opgesteld conform SC-530 Bijlage G (werkplan);
  • de werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd conform SC-530 Bijlage B (Technische uitvoering).

Reeds op 7 december 2012 had verdachte / rechtspersoon B.V. een “Werkplan Asbestverwijdering” opgesteld.

In opdracht van verdachte / rechtspersoon B.V. werd op 11 maart 2013 door hoger veiligheidsdeskundige (hierna: HVK’er) HVK’er een “asbestadvies” opgesteld. Verdachte / rechtspersoon B.V. had dit advies ingewonnen omdat bleek, nadat was gestart met de binnensanering van de oude silo via de nieuwe silo, dat een binnensanering praktisch niet uitvoerbaar was. De voor de binnensanering benodigde ‘containment’ kon vanwege een slechte bereikbaarheid en onveiligheid binnen de nieuwe silo niet worden gerealiseerd. HVK'er adviseerde dat de nieuwe silo eerst zou worden gesloopt, waarna de gehele bitumencoating op de oude silo (inclusief de binnenwand) gesaneerd kon worden volgens een SC-530 buitensanering in risicoklasse 2. Voorwaarden waren wel dat de ‘conventionele’ sloop van de nieuwe silo met de nodige voorzichtigheid diende te geschieden en dat beschadiging van de asbesthoudende bitumencoating moest worden voorkomen.

Na de sloop van de nieuwe silo is een nieuwe risicoclassificatie gemaakt voor de gehele oude silo, te weten een buitensanering risicoklasse 2, neergelegd in een SMA-rt 2009-APR Risicoclassificatie d.d. 8 april 2013.

Vervolgens is het werkplan op 8 april 2013 aangepast. Daarin werd naar aanleiding van het asbestadvies van HVK’er vermeld:

De saneerders zullen in een hoogwerker met behulp van hakgereedschap de asbesthoudende teerlaag verwijderen. De asbesthoudende teerlaag wordt in delen afgestoken en opgevangen op onderliggend folie. De restanten worden dan dubbel in zakken verpakt en gedeponeerd in de gereedstaande containers.

Uit de handgeschreven opmerkingen in dat werkplan en uit de verklaringen van Deskundig Toezichthouder Asbest DTA’er , Deskundig Asbest Verwijderaar (DAV’er) en kraanmachinist en vertegenwoordiger volgt dat men op 8 april 2013 middels een hoogwerker met hakhamers heeft geprobeerd de bitumencoating af te bikken. Daarbij ontstonden echter onvoorziene gaten in de keramische muur die de stabiliteit van die muur en de gehele silo in gevaar brachten. Na telefonisch overleg tussen DTA’er en vertegenwoordiger is besloten te werken met een lichtere hakhamer, die echter hetzelfde resultaat gaf. Hierop is vertegenwoordiger ter plaatse gekomen en is in overleg met DTA’er vastgesteld dat de muur te instabiel werd als op dezelfde saneerwijze zou worden doorgegaan. In een overleg met DTA’er , Vermeulen en de fysiek sanerende werknemers van verdachte / rechtspersoon B.V. is daarna besproken dat de ‘best beschikbare techniek’ het gecontroleerd slopen met een kraan was. Hierop zijn de muurdelen met een kraan met grijper verwijderd. De muurdelen met de bitumencoating werden (om emissie tegen te gaan) in zo groot mogelijke delen direct in een asbestcontainer gedeponeerd met een kraan die buiten het asbestgebied stond, terwijl er werd beneveld (ook om emissie tegen te gaan). Vervolgens werden overgebleven stukken muur met bitumencoating door “handpicking” verwijderd. Deze werkwijze was anders dan oorspronkelijk in het werkplan stond vermeld en daarom is deze handgeschreven in het werkplan opgenomen.

Door toezichterhouder bij de afdeling Bouw en Wonen van de gemeente Rijnwoude, zijn op 11 april 2013 twee monsters genomen uit een berg puin die buiten het asbestafzettingsgebied lag en die door DTA’er aangemerkt was als ‘schoon puin’. Vervolgens heeft Hop het werk mondeling stilgelegd. Uit onderzoek uitgevoerd op 12 april 2013 is gebleken dat één van die monsters positief werd getest op asbest, te weten chrysotiel. Ook sommige andere monsters van dit terrein zijn positief getest op asbest, het betrof steeds anthofylliet. Daarnaast is sloopafval, dat als ‘schoon’ werd aangemerkt door verdachte / rechtspersoon B.V. en dat uiteindelijk is afgevoerd naar MNO Vervat, bemonsterd. Ook die monsters zijn positief getest op asbest, het betrof amosiet en anthofylliet.

Feit 1

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of door verdachte / rechtspersoon B.V. handelingen (zoals onder 1 ten laste gelegd) met betrekking tot afvalstoffen (asbesthoudende coating) zijn verricht, terwijl zij wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan.

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is betoogd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat het aangetroffen asbest afkomstig was van de oude silo. Als het asbest van de niet-asbesthoudende silo afkomstig zou zijn, dan kan volgens de verdediging verdachte / rechtspersoon B.V. geen verwijt kan worden gemaakt.

Voorts heeft de verdediging betoogd dat verdachte / rechtspersoon B.V. niet wist en ook niet kon weten dat door haar handelen nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan. Volgens de verdediging is er gesaneerd op een wijze conform een buitensanering SC-530 van risicoklasse 2 en is ook na wijziging van de gebruikte werkwijze (niet meer handmatig maar met een kraan met grijper) gehandeld volgens de ‘best beschikbare technieken’. Volgens de verdediging mocht verdachte / rechtspersoon B.V. haar werkwijze binnen die risicoklasse wijzigen, zolang dit in het werkplan werd aangegeven. De stelling dat zij wederom een HVK’er had moeten raadplegen wordt betwist. HVK'er had volgens de verdediging geen rol bij de wijze waarop de buitensanering in de praktijk werd uitgevoerd, zijn rapport zag enkel op de volgorde van de sloop en bevatte geen enkele aanwijzing ten aanzien van de sloopmethode.

Oordeel rechtbank

Ten aanzien van het aangetroffen asbest overweegt de rechtbank als volgt.

In het asbestinventarisatierapport is vermeld dat de oude silo asbest, te weten chrysotiel, bevatte. De nieuwe silo werd asbestvrij verklaard. In een van de monsters, genomen buiten het asbestafzettingsgebied, is chrysotiel aangetroffen. Op basis van het dossier kan echter niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de aangetroffen chrysotiel uit de bitumencoating van de oude silo afkomstig was. Dat geldt evenzeer voor de op het terrein en/of in het afgevoerde sloopafval aangetroffen amosiet en anthofylliet, nog daargelaten dat deze asbestsoorten niet zijn vermeld in het asbestinventarisatierapport. Niet kan worden uitgesloten dat het aangetroffen asbest uit de nieuwe silo of een ander deel van de oude silo afkomstig was, mede gelet op de werkwijze dat de bitumencoating in zo groot mogelijke delen direct in een asbestcontainer zou worden gedeponeerd. Er is derhalve geen wettig en overtuigend bewijs dat de sloop van de bitumencoating van de oude silo heeft gezorgd voor asbesthoudend materiaal buiten het asbestafzettingsgebied.

Voor zover de officier van justitie (in repliek) heeft betoogd dat de tenlastelegging ziet op de gehele sloop van het complex, is de rechtbank van oordeel dat dit niet uit de tekst van tenlastelegging volgt. Het gaat immers om “een silo” en een “asbesthoudende coating van die silo”. Het is tegen de achtergrond van het dossier evident dat hiermee de oude silo wordt aangeduid.

Ten aanzien van de door verdachte / rechtspersoon B.V. gevolgde werkwijze overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt allereerst vast dat uit het advies van HVK'er alleen volgt dat de nieuwe silo eerst moest worden verwijderd om daarna tot een volledige buitensanering van de oude silo te kunnen komen. Een sloopinstructie – anders dan dat de nieuwe silo met de nodige voorzichtigheid moest worden verwijderd (om zo de bitumencoating op de oude silo niet te beschadigen) – komt niet voor in dit advies, ook niet – zoals HVK'er later heeft verklaard – dat de bitumencoating met de hand moest worden verwijderd. Ook in de werkmethode zoals omschreven in het asbestinventarisatierapport wordt niet gesteld dat de bitumencoating met de hand moest worden verwijderd en evenmin is gebleken dat dit is opgenomen in SC-530 Bijlage B (Technische uitvoering).

De rechtbank leidt uit het dossier af dat het in beginsel de verantwoordelijkheid van verdachte / rechtspersoon B.V., als SC-530 gecertificeerd bedrijf, was om na het advies van HVK’er een voor de oude silo juiste saneringsmethode te kiezen volgens de ‘best beschikbare technieken’ en dat niet is gebleken dat bij een wijziging van werkwijze van sloophamer naar sloopkraan opnieuw een HVK’er of een andere deskundige had moeten worden geraadpleegd. De rechtbank merkt in dat kader op dat HVK’er bij zijn verhoor heeft gesteld dat hij niet zeker wist of er wel sloophamers mochten worden gebruikt. Dit laatste wekt de indruk dat HVK’er ook niet over de juiste kennis beschikte om over een nieuwe werkwijze te kunnen adviseren.

Naar het oordeel van de rechtbank is aldus niet gebleken dat de werkwijze van verdachte / rechtspersoon in strijd met de SC-530 regeling is geweest, en ook niet dat verdachte / rechtspersoon B.V. niet heeft gehandeld volgens de ‘best beschikbare technieken’.

Conclusie

Hoewel de meeste gedragingen die in de tenlastelegging zijn opgenomen op zichzelf genomen bewezen zouden kunnen worden, kan gelet op het voorgaande niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte / rechtspersoon B.V. wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat door die gedragingen nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van feit 1.

Feit 2

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de 260 ton puin, afkomstig van de sloop van de opstallen te Hazerswoude-Rijndijk, is aan te merken als gevaarlijke afvalstoffen.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het afgevoerde puin moet worden geclassificeerd onder ‘overig bouw- en sloopafval dat gevaarlijke stoffen bevat’ (17 09 03*c). Uit de hiervoor vermelde regelgeving leidt de rechtbank af dat de laagst mogelijke grenswaarde om dergelijk materiaal als gevaarlijke afvalstof aan te merken op een concentratie van 0,1% of minder ligt. Die waarde komt overeen met 1000 mg/kg droge stof.

bedrijf 5 BV heeft onderzoek uitgevoerd naar de asbestconcentratie van het naar MNO Vervat te Moordrecht afgevoerde puin. Vastgesteld is dat asbest is aangetroffen en dat de concentratie 40 mg/kg droge stof betreft. Nu deze concentratie lager is dan de hiervoor genoemde grenswaarde komt de rechtbank tot de conclusie dat geen sprake is van gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 10.37 van de Wet milieubeheer.

De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van feit 2.

De rechtbank verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Gevaarlijke stoffen: ILT gaat handhaven op kwaliteit veiligheidsadviseur en jaarverslag

Vanaf 1 januari 2016 treedt de ILT handhavend op als de kwaliteit onvoldoende is van zowel de veiligheidsadviseur als het jaarverslag van ondernemingen die gevaarlijke stoffen vervoeren.

Aanleiding hiervoor is dat uit controles van de ILT blijkt dat de kwaliteit van de veiligheidadviseur en het jaarverslag dikwijls tekortschiet. Daarom is in 2014 de Beleidsregel veiligheidsadviseur opgesteld. Hiermee krijgt de inspectie meer mogelijkheden om goed te kunnen handhaven.

Handhaving op veiligheidsadviseur

De controles van de ILT zijn erop gericht om na te gaan of de veiligheidsadviseur zijn taken voldoende heeft ingevuld en voldoende de naleving van de voorschriften heeft gecontroleerd. Als blijkt dat aan één of meerdere controleaspecten niet wordt voldaan, zal de ILT bestuursrechtelijk handhaven.

Handhaving op het jaarverslag

Ook wordt er bestuursrechtelijk gehandhaafd op de aanwezigheid en de kwaliteit van het jaarverslag. De inspectie beoordeelt het jaarverslag op een aantal belangrijke aspecten die tenminste hierin aanwezig moeten zijn, zoals een beschrijving van:

• de algemene activiteiten en die van gevaarlijke stoffen van de onderneming; • de werkzaamheden van de veiligheidsadviseur; • de opleiding van de veiligheidsadviseur; • incidenten, bijna incidenten of ernstige inbreuken, de analyse hiervan en de eventuele verbetervoorstellen naar aanleiding van deze incidenten; • het beveiligingsplan ingevolge hoofdstuk 1.10 van het ADR, RID, ADN; • procedures die betrekking hebben op de activiteiten van de onderneming; • de controle op de naleving van de voorschriften door de veiligheidsadviseur; • de adviserende taak van de veiligheidsadviseur richting de ondernemer.

Mogelijke dwangsommen

De inspectie kan uiteindelijk besluiten om een dwangsom op te leggen. Daarvoor zijn de volgende bedragen vastgesteld:*

• Indien een onderneming geen veiligheidsadviseur heeft benoemd: € 5.000,00; • Indien de veiligheidsadviseur niet kan aantonen dat hij zijn taken heeft uitgevoerd en/of niet kan aantonen dat hij heeft gecontroleerd op de praktijken en procedures met betrekking tot de activiteiten van de onderneming: € 2.500,00; • Indien geen jaarverslag is opgesteld over de activiteiten van de onderneming: € 2.500,00; • Indien het jaarverslag niet ingaat op de genoemde activiteiten van de onderneming: € 1.000,00.

*De onderneming wordt hiervan per brief in kennis gesteld. Daarbij krijgt de onderneming drie maanden de tijd om de overtredingen te herstellen. Mochten de overtredingen niet zijn hersteld, dan kan dit leiden tot deze dwangsommen

Bron: ILT

 

Print Friendly and PDF ^

Melding van een ongewoon voorval inzake de Wet milieubeheer. Hoogte van de op te leggen boete wordt gerelateerd aan de grootte van het bedrijf.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 1 april 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:7941 Verdachte heeft zich niet gehouden aan de wettelijke verplichting om een ongewoon voorval zo spoedig mogelijk te melden aan de bevoegde autoriteiten.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een ongewoon voorval niet zo spoedig als mogelijk was heeft gemeld aan het bevoegde gezag. Hij baseert zich daarbij op de omstandigheid dat pas op 3 oktober 2013 om 16.34 uur bij de provincie melding is gedaan van een op 1 oktober 2013 om 18.00 uur plaatsgevonden overstroming van een spoelwateropslag, waardoor chroomzuur in het riool terecht was gekomen. Chroomzuur is immers een zeer milieugevaarlijke stof, zodat zodra dit in de riolering terecht komt er al een dreiging van milieuschade is. Het gaat niet aan om eerst te controleren of er wel of geen schade is of kon ontstaan vooraleer de melding werd gedaan. Deze dient immers zo snel mogelijk te geschieden zodat de bevoegde autoriteiten de mogelijkheid hebben om zelf vast te stellen of er kans is op milieuschade. Zo snel mogelijk kan, aldus de officier van justitie, niet anders uitgelegd worden dan vrijwel meteen nadat het voorval heeft plaatsgevonden en verdachte heeft dat nagelaten.

Standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen nu er geen sprake was van een meldingsplichtig ongewoon voorval. De raadsman wijst daarbij op het navolgende. Weliswaar heeft er op 1 oktober 2013 een ongewoon voorval plaatsgevonden, maar naar vaste jurisprudentie behoeft dit pas gemeld te worden indien dat voorval nadelige gevolgen voor het milieu heeft gehad of kon hebben. Feitelijk is er inderdaad een kleine hoeveelheid chroomhoudend spoelwater in een straatkolk op het bedrijfsterrein van verdachte terechtgekomen. Die straatkolk staat in verbinding met het schoonwaterriool, welke uiteindelijk via het naastgelegen militaire terrein van Defensie uitkomt op een sloot en dus inderdaad in het oppervlaktewater.

Echter, op 2 oktober 2013 heeft verdachte uit monsternemingen geconstateerd dat controleput S41 op haar terrein was verontreinigd, maar dat de laatste controleput op haar terrein, put S38, leeg was en derhalve niet verontreinigd. Verdachte heeft vervolgens het riool tussen de putten S38 en S41 doorgespoeld en het vervuilde water afgevoerd naar een erkende verwerker. Er heeft dus geen doorstroming plaatsgevonden en er is geen vervuild water buiten het terrein van verdachte terechtgekomen. Dat kon ook niet omdat er geen kans was op verspreiding doordat het die dagen niet heeft geregend. Er was dus geen enkel risico van nadelige gevolgen voor het milieu, dus de melding behoefde niet te worden gedaan en verdachte dient te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Oordeel van de rechtbank

Verbalisant naam verbalisant heeft vastgesteld dat verdachte een inrichting is als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de Wet milieubeheer, alsmede een inrichting zoals aangegeven in categorie 1.3 onder c.2 en c.3 bijlage 1 van het Besluit omgevingsrecht (Bor), waardoor Gedeputeerde Staten het bevoegde gezag is.

De provincie Noord-Brabant heeft een melding ongewoon voorval van verdachte ontvangen, gedateerd 3 oktober 2013, tijdstip 16.34 uur, waarin staat omschreven dat op 1 oktober 2013 omstreeks 18.00 uur een spoelwateropslag is overspoeld waardoor ongeveer 5 liter vervuild spoelwater in een straatkolk terecht is gekomen.

Bij brief van 24 oktober 2013 heeft naam 1, manager SHE van verdachte omschreven dat een medewerker van de galvano-afdeling spoelwater uit twee reinigingsbaden in een opvangvoorziening had laten lopen en vervolgens de pomp had aangezet om het spoelwater op te pompen naar de IBC (een vloeistofcontainer). De medewerker is vergeten de pomp tijdig uit te schakelen en zag bij terugkomst dat er spoelwater vanuit de galvano-afdeling naar buiten liep. Er zou volgens de medewerker minder dan tien liter spoelwater in de straatkolk terecht zijn gekomen. De medewerker heeft het incident meteen gemeld bij de bedrijfsbeveiliging.

De vertegenwoordiger van verdachte, de heer naam 2, heeft verklaard dat het spoelwater chroomzuur bevatte.

Chroomzuur is de populaire benaming voor Chroomtrioxide en wordt als kankerverwekkend beschouwd. Bij een langdurige blootstelling aan die stof kunnen eczeem, zweren en perforaties aan het neustussenschot ontstaan.

De officier van justitie is van mening dat het voorval op 1 oktober 2013 moet worden betiteld als een gebeurtenis die afwijkt van de normale bedrijfsactiviteiten en derhalve een ongewoon voorval is als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer. De verdediging heeft niet weersproken dat het een ongewoon voorval is als bedoeld in die wet en ook verdachte zelf, die het immers als zodanig heeft gemeld, vindt het een dergelijk ongewoon voorval. De rechtbank stelt aan de hand daarvan vast dat sprake is van een ongewoon voorval als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer.

De officier van justitie verwijt verdachte dat zij niet zo spoedig mogelijk melding heeft gemaakt van dit voorval, maar pas twee dagen later. Dit terwijl verdachte wist dat chroomzuur een zeer milieugevaarlijke stof is en het daarmee vervuilde spoelwater in een straatkolk was gelopen welke op het schoonwaterriool uitkomt en vervolgens het oppervlaktewater zou kunnen bereiken. Alleen al deze dreigende milieuschade had voor verdachte reden moeten zijn om het voorval meteen te melden en verdachte heeft dat nagelaten.

Dat standpunt betwist de verdediging, nu niet bewezen kan worden dat het voorval ook daadwerkelijk tot een dreigend milieurisico heeft geleid. Als niet aannemelijk kan worden gemaakt dat er sprake was van een dreiging van nadelige gevolgen voor het milieu is er geen sprake van een zodanig ongewoon voorval dat dit gemeld had moeten worden en dat is hier het geval, aldus de raadsman.

Verdachte heeft immers meteen op 2 oktober 2013 de straatkolk gereinigd en heeft de drie putten waarlangs hetgeen zich in de bevuilde straatkolk bevond wordt afgevoerd (als eerste controleput S41) ieder voor zich gecontroleerd, van het riool afgesloten en doorgespoeld. De laatste gecontroleerde put (nummer S38) bleek droog te staan, dus die put kan niet door het spoelwater zijn bereikt. Zodoende is vastgesteld dat er geen verontreiniging buiten het bedrijfsterrein van verdachte heeft plaatsgevonden, evenmin bij het daarnaast gelegen terrein van Defensie en dus al helemaal niet in het oppervlaktewater. Er was ook geen risico dat dit zou kunnen gebeuren, omdat volgens de weersvoorspellingen het die dagen helemaal niet zou gaan regenen en vervuiling niet op een andere manier had kunnen plaats vinden. Verdachte had op 2 oktober 2013 monsters genomen uit de straatkolk. Op 3 oktober 2013 bleek haar uit analyse door SGS dat er sprake was van verontreiniging en daarna heeft verdachte alsnog melding gemaakt van het voorval.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Een melding van een ongewoon voorval moet zo spoedig mogelijk worden gedaan wanneer door het voorval nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan. Uit het bepaalde in artikel 1.1 lid 2 van de Wet Milieubeheer blijkt dat onder gevolgen voor het milieu in ieder geval wordt verstaan gevolgen voor het fysieke milieu, gezien vanuit het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen, van water, bodem en lucht en van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en van de beheersing van het klimaat, alsmede van de relaties daartussen.

De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke dreiging in casu wel degelijk sprake was nu er chroomhoudend spoelwater in een straatkolk terecht was gekomen. De regelgeving is zodanig, dat bij twijfel aan de ernst van een incident als hoofdregel geldt dat ieder incident waarbij ook maar enige dreiging is van nadelige gevolgen voor het milieu, zo spoedig mogelijk moet worden gemeld. In zo’n geval is het niet aan de inrichting om eerst zelf te onderzoeken of de milieuschade zich al dan heeft verwezenlijkt en of er sprake is van reële dreiging. Het is immers voor de overheid van het grootste belang dat indien nodig ook zo spoedig mogelijk maatregelen kunnen worden getroffen om bij een ongewoon voorval eventuele nadelige effecten op de omgeving te kunnen bestrijden. Bovendien is de keuze om als onderneming zelf te gaan onderzoeken of er milieuschade is en tot welke grootte een onjuiste, welke strijdig kan zijn met het algemene belang. Daardoor wordt immers de overheid mogelijk de kans ontnomen om de exacte schade vast te kunnen stellen en om tijdige maatregelen te nemen om verdere schade aan het milieu te voorkomen. In dit geval steekt dat temeer nu de mate van vervuiling na de acties van verdachte in feite alleen nog maar kan worden vastgesteld op basis van de verklaring van de nalatige medewerker van verdachte, die heeft ingeschat dat er minder dan tien liter spoelwater de waterkolk zou zijn ingelopen.

Tot slot is het voor de overheid wenselijk zicht te hebben op ongewone voorvallen die zich binnen een bedrijf voordoen. Vaak voorkomende kleine voorvallen kunnen immers een indicatie geven van de mate van beheersing van processen en de deugdelijkheid van in gebruik zijnde machinerieën en installaties.

Naar het oordeel van de rechtbank is de regelgeving zodanig, dat indien er een incident plaatsvindt waarbij er spoelwater in het riool terecht komt dat is vervuild met een milieugevaarlijke stof, een dergelijk incident direct aan de autoriteiten moet worden gemeld. Verdachte heeft dat nagelaten en de rechtbank acht het feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 17.2, lid 1, van de Wet Milieubeheer, opzettelijke gepleegd, begaan door een rechtspersoon.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 15.000, waarvan € 10.000 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Verdachte is, gelet op het aantal medewerkers en de hoogtechnologische markt waarin zij werkzaam is, aan te merken als een groot bedrijf. De hoogte van een op te leggen boete dient daaraan te worden gerelateerd, alsmede aan het belang voor de toekomst naar verdachte en naar soortgelijke bedrijven toe.

Aan de andere kant heeft verdachte geen justitieel verleden op milieutechnisch gebied en heeft zij wel maatregelen genomen om de gevolgen van het incident in te perken. Het laat onverlet dat verdachte meteen had moeten melden, maar voor de hoogte van de straf weegt de rechtbank dit wel mee.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^