Provincies worden bevoegd gezag voor Brzo-inrichtingen

In het Staatsblad is het besluit gepubliceerd waarmee het Besluit omgevingsrecht (BOR) gewijzigd wordt. Daarmee worden Gedeputeerde Staten van de provincies vanaf 1 januari 2016 het bevoegd gezag voor alle Brzo-inrichtingen (Besluit risico’s zware ongevallen 2015). Als gevolg van dit besluit wordt het aantal partijen dat betrokken is bij vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) voor Brzo- en RIE-4-bedrijven kleiner, wat overleg en afstemming vergemakkelijkt en een gelijk speelveld bevordert. Met de wijziging is de minister van Infrastructuur en Milieu interbestuurlijk toezichthouder voor al deze inrichtingen. Deze wijziging van het Bor leidt ertoe dat voor 183 Brzo- inrichtingen en voor 20 inrichtingen met een RIE-4-installatie het bevoegd gezag van de gemeente verschuift naar de provincie. De praktische gevolgen van de wijziging zijn niet zo groot, omdat voor de Brzo-inrichtingen de VTH eerder al door gemeenten was opgedragen aan de Brzo-omgevingsdiensten. Wel zullen de mandaatbesluiten van de gemeenten voor deze inrichtingen moeten worden ingetrokken en zullen de provincies moeten nagaan of aanpassing van hun mandaatbesluiten noodzakelijk is.

 

Print Friendly and PDF ^

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel n.a.v. diverse milieuovertredingen

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2 december 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:7687 Bedrijf is door deze rechtbank veroordeeld voor overtreding van artikel 8.1, eerste lid, en artikel 18.18 van de Wet milieubeheer en voor overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 6 van de Wet bodembescherming tot een geldboete van €75.000. De officier van justitie heeft ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd.Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat bedrijf voordeel heeft genoten. Door het niet meer gescheiden afvoeren en verwerken van bedrijfsafvalwater via het aanwezige en vergunde rioleringsstelsel en/of de afvalwaterbehandelingsinstallatie op het riool en door het aanbrengen van één of meer bassins voor het opslaan en laten bezinken van afvalwater en regenwater, is de werking van de inrichting veranderd. Het niet langer gebruiken van het rioleringsstelsel leidde tot het ontstaan van een gemengde afvalwaterstroom, waarbij het regenwater, het grijswater en het percolaat (zwart)water werden vermengd tot één afvalwaterstroom. Hierdoor werd al het op het terrein aanwezige water, percolaatwater. Voor deze nieuw ontstane afvalwaterstroom is nooit een vergunning verstrekt. Derhalve mocht deze nieuwe afvalwaterstroom niet gebruikt worden als sproeiwater. Ook kon deze nieuwe afvalwaterstroom niet geloosd worden op het riool van het waterschap. Derhalve resteerde naar de opvatting van de officier van justitie slechts één legale wijze van afvoer, te weten door een erkend afvalverwerkingsbedrijf. Een dergelijke afvoer heeft echter niet plaatsgevonden en daarmee zijn kosten bespaard. Deze bespaarde kosten kunnen worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel.

Op basis van een berekening van het neerslagoverschot en de kosten van transport en verwerking van afvalwater heeft de officier van justitie zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel €3.802.936 bedraagt. Dit bedrag is gebaseerd op een rapport van het Regionaal Milieuteam van de politie Zundert.

Verzocht werd het voordeel te schatten op €3.500.000. Bij conclusie van repliek heeft de officier van justitie haar vordering gewijzigd. Zij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de vordering tot een bedrag van €1.817.520 toewijsbaar is.

Standpunt van de verdediging

De verdediging is primair van mening dat de vordering in zijn geheel moet worden afgewezen, subsidiair dat het genoten voordeel moet worden geschat op een bedrag van maximaal €33.315,50.

Aangevoerd is dat de officier van justitie niet heeft berekend welk voordeel is verkregen door strafbaar handelen. Berekend is welke kosten bedrijf zou moeten maken om een gevolg van het verweten strafbare handelen te herstellen. Dat is niet wat met de ontnemingsmaatregel wordt beoogd. Berekend had moeten worden welke kosten bedrijf heeft bespaard door het strafbare handelen. Daartoe had het openbaar ministerie moeten berekenen welke kosten zijn gemoeid met het wel gescheiden verwerken van de waterstromen. Pas als duidelijk is welke kosten zouden zijn gemaakt als bedrijf de waterstromen gescheiden zou verwerken, is inzichtelijk welke kosten zijn bespaard door het niet gescheiden houden van de waterstromen.

Onjuist is de opvatting van de officier van justitie dat door het veranderen van de inrichting een nieuwe waterstroom is ontstaan. Het creëren van een nieuwe waterstroom is niet tenlastegelegd en bewezenverklaard. De term nieuwe waterstroom suggereert overigens dat sprake zou zijn geweest van een homogene waterstroom waarbij al het water op het terrein van bedrijf vermengd zou zijn tot een geheel, hetgeen niet het geval is geweest. Aangetoond is dat de kwaliteit van het water op het terrein zeer divers is geweest.

Daarnaast heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht per 1 juli 2011 is gewijzigd. Aangezien de gewijzigde regeling niet gunstiger is dan de regeling zoals die gold ten tijde van de verweten feiten en de onderzoeksperiode, is de regeling van toepassing zoals die gold ten tijde van de verweten feiten en de onderzoeksperiode. De officier van justitie heeft aan de berekening van het voordeel een andere periode ten grondslag gelegd dan de tenlastegelegde periode. Als het openbaar ministerie soortgelijke feiten aan de voordeelsberekening ten grondslag heeft bedoeld te leggen, dient zij minst genomen aan te geven van welke soortgelijke feiten sprake is en op grond van welke aanwijzingen aannemelijk is dat bedrijf die soortgelijke feiten heeft begaan. Verder is aangevoerd dat uit het Geerings-arrest kan worden afgeleid dat alleen de bewezenverklaarde feiten in de vaststelling van het genoten voordeel kunnen worden betrokken.

Het in de voordeelsrapportage ingenomen standpunt dat alle percolaat van het terrein terreinnaam 1 en terreinnaam 2, ongeacht de mate van vervuiling, per as diende te worden afgevoerd, is onjuist. Verder is onjuist de stelling van het openbaar ministerie dat al het water dat in aanraking is geweest met percolaat, ook percolaat wordt dat per as afgevoerd zou moeten worden.

Betwist wordt verder dat bedrijf vervuild water in de grond heeft laten lopen. Door de officier van justitie is niet aangevoerd, en door de rechtbank evenmin bewezen, dat het opgeslagen materiaal zwaar verontreinigd was. Aangevoerd is dat zich in de onderzoeksperiode geen percolaat bevond op het terrein van bedrijf. bedrijf had dan ook geen kosten behoeven te maken voor het afvoeren van percolaat naar een externe verwerker.

Verder is gesteld dat de huidige en redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van bedrijf niet toereikend is om het geschatte voordeel te betalen. Ten aanzien van de berekening is door de verdediging aangevoerd dat deze onjuist is. Ongeloofwaardig is de opvatting dat bedrijf een hoeveelheid van 52.459 m³ water in de bodem heeft gebracht. Door de verdediging zijn twee deskundigen ingeschakeld. Ten onrechte is in de voordeelrapportage geen rekening gehouden met onder meer het effect van de wind en van turbulentie op de hoeveelheid verdamping. Evenmin is rekening gehouden met de verdamping die optreedt tijdens het sproeien van water over terreinnaam 1 en terreinnaam 2 en met de effecten van het voortdurend nathouden van de opgeslagen materialen. Daarnaast is geen rekening gehouden met het bergend vermogen van de opgeslagen stoffen. Beide deskundigen concluderen dat van een wateroverschot geen sprake was. Van voordeel kan dan ook geen sprake zijn.

Subsidiair is aangevoerd dat het niet mogelijk is om achteraf te achterhalen wat de exacte hoeveelheid percolaat is geweest die afgevoerd had moeten worden. Daarom dient naar de opvatting van de verdediging aansluiting gezocht te worden bij de hoeveelheid water die de rechtsvoorganger van bedrijf heeft afgevoerd gedurende de jaren 2002 tot en met 2004. Hiervan uitgaande is de hoeveelheid af te voeren percolaat geschat op maximaal 1.725m³ tegen een verwerkingsprijs van gemiddeld €17,50 per ton. Naar de opvatting van de verdediging is ook het uurtarief van vervoer onjuist vastgesteld. Dit bedraagt €68 per uur. Elk transport van bedrijf naar ATM zou 1 uur in beslag genomen hebben. Uitgaande van deze gegevens is maximaal een bedrag van €33.315,50 bespaard.

Ten slotte is nog aangevoerd dat het door de rechtbank vast te stellen voordeel gecorrigeerd moet worden in verband met betaalde vennootschapsbelasting van 25% door bedrijf.

Oordeel van de rechtbank

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Bij vonnis van deze rechtbank van 13 november 2013 is bedrijf (onder meer) veroordeeld wegens overtreding van artikel 8.1, eerste lid van de Wet milieubeheer in de periode van januari 2007 tot en met september 2008. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat bedrijf het grijswater in deze periode opzettelijk niet meer afvoerde of verwerkte via de afvalwaterbehandelingsinstallatie en het vuilwaterriool en het percolaatwater niet meer gescheiden opsloeg en per as afvoerde. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat bedrijf met deze werkwijze de inrichting heeft veranderd in de zin van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer en vervolgens deze veranderde inrichting zonder daartoe verleende vergunning in werking heeft gehad.

Het standpunt van de officier van justitie dat in de veranderde inrichting een nieuwe waterstroom was ontstaan met verontreinigd afvalwater, die niet vergund was en daarom volledig afgevoerd had moeten worden - per as - door een erkend afvalverwerkingsbedrijf, is dus correct. Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee ook meteen vast dat bedrijf kosten heeft bespaard door de nieuw ontstane afvalwaterstroom niet op legale wijze af te voeren. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat deze bespaarde kosten kunnen worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel.

De verdediging heeft aangevoerd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel hooguit kan bestaan uit de besparing op de kosten die zouden zijn gemaakt als er geen sprake was geweest van strafbaar handelen, zijnde de kosten van het gescheiden afvoeren van percolaat (in de vergunde situatie van gescheiden waterstromen).

Naar het oordeel van de rechtbank gaat dit verweer niet op, omdat bedrijf niet strafrechtelijk is veroordeeld voor het overtreden van de voorwaarden van de milieuvergunning, maar door het in werking hebben van een veranderde (nieuwe) inrichting zonder milieuvergunning.

Bedrijf is in 2013 veroordeeld voor overtredingen van de Wet milieubeheer en de Wet bodembescherming in de periode van januari 2007 tot en met september 2008. In de berekening van het wederrechtelijk voordeel is echter een periode gehanteerd welke loopt van april 2006 tot en met februari 2008.

De verdediging heeft bezwaar gemaakt tegen deze uitbreiding van de periode en stelt dat alleen de bewezenverklaarde strafbare feiten in de vaststelling van het genoten voordeel meegenomen kunnen worden.

De rechtbank stelt allereerst vast dat op 1 juli 2011 een wijziging in de ontnemingswetgeving van kracht is geworden, waarbij geen overgangsrecht is vastgesteld. De vraag is daarom welk criterium hier van toepassing is. Artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat in deze situatie de voor de verdachte gunstigste bepaling moet worden toegepast. In dit geval is dat volgens de rechtbank de bepaling van artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht oud, omdat het criterium 'andere strafbare feiten' (nieuw) een ruimere grondslag voor ontneming biedt dan het criterium 'soortgelijke feiten' (oud).

Om tot extrapolatie van de periode te kunnen komen, dient dus vastgesteld te worden dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat bedrijf in deze ruimer gestelde periode soortgelijke strafbare feiten heeft gepleegd als waarvoor zij is veroordeeld.

Bij besluit van 31 maart 2006 heeft Waterschap “Brabantse Delta” de lozingsvoorzieningen op de riolering en de oppervlaktewateren van bedrijf afgesloten, omdat bedrijf artikel 30a van de Wet verontreiniging oppervlakte wateren en een aantal voorschriften van haar vergunning had overtreden. Eerst in november 2008 werd de verzegeling weer opgeheven.

Vastgesteld moet worden dat bedrijf na de beslissing tot bestuursdwang van 31 maart 2006 en het afsluiten van de lozingsvoorzieningen al het water had moeten laten afvoeren door een erkend afvalverwerkingsbedrijf. De rechtbank is immers van oordeel dat het niet langer kunnen en mogen gebruiken van het rioleringsstelsel tot gevolg heeft gehad dat een nieuwe gemengde afvalstroom is ontstaan. Het regenwater, het grijswater en het percolaatwater werden vermengd tot één afvalstroom welke niet vergund was. Uit het eerder aangehaalde vonnis blijkt ook dat percolaatwater over de keerdorpels van opslagvakken liep. Het water stroomde daarbij op de rijweg en vermengde zich met het daar aanwezige afvalwater waarna het naar een in het midden van de weg gelegen straatkolk stroomde. Ook afvalwaterbassins waren dermate gevuld dat het water over de betonnen rand liep. Al dit water, vervolgens nog vermengd met het regenwater, is samengekomen tot één afvalstroom. Met de officier van justitie is de rechtbank dan ook van oordeel dat deze afvalwaterstroom niet gebruikt mocht worden als sproeiwater en evenmin geloosd kon en mocht worden op het riool van het waterschap. Dat de kwaliteit van het water, zoals aangevoerd door de verdediging, zeer divers is geweest, doet naar niet aan af. Uiteindelijk is het één grote afvalwaterstroom geworden die per as afgevoerd had moeten worden.

In de omstandigheid dat bedrijf pas na februari 2008 ATM heeft ingeschakeld voor de afvoer en verwerking van het afvalwater ziet de rechtbank derhalve voldoende aanwijzingen dat bedrijf een soortgelijk feit als bewezenverklaard heeft gepleegd in de periode van april 2006 tot januari 2007. Van enige strijd met het criterium zoals geformuleerd in het Geerings-arrest is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank komt aldus tot de conclusie dat de kosten die bedrijf heeft bespaard door in de periode van 1 april 2006 tot en met 1 februari 2008 niet al het afvalwater te laten afvoeren en verwerken door een erkend afvalverwerkingsbedrijf, kunnen worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel.

De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Bij het vaststellen van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt de rechtbank als uitgangspunt de berekening zoals opgenomen in het rapport van brigadier van politie bij het Regionaal Milieu Team te Zundert 2 juni 2010.

De wijze van berekening en de onderbouwing daarvan op zich, uitgaande van een neerslagoverschot, acht de rechtbank juist. Op onderdelen kan de rechtbank zich echter niet vinden in de berekening en dient deze bijgesteld te worden.

In de berekening van de totale hoeveelheid neerslag is alleen het terrein van terreinnaam 1 en terreinnaam 2 meegenomen. Onweersproken is gebleven dat uit de kadastrale gegevens volgt dat het terrein van terreinnaam 1 en terreinnaam 2 94.010 m² bedraagt. Een gedeelte hiervan, groot 67.934 m², betreft opslagvakken. Dit betekent dat 26.076 m² bestaat uit rijpaden, gebouwen, opslagbassins en overige vlakken stukken grond.

Alle neerslag op het terrein van terreinnaam 1 en terreinnaam 2 is bij het neerkomen op de grond of op de daken in contact gekomen met het percolaatwater, mede doordat tijdens de onderzoeksperiode het waterscheidingssysteem niet naar behoren functioneerde. Daarom is het totale oppervlakte van terreinnaam 1 en terreinnaam 2 bij de berekening meegenomen.

De rechtbank is van oordeel dat dit een juist uitgangspunt is.

Bij de berekening van de hoeveelheid gevallen neerslag is aansluiting gezocht bij de gegevens van het KNMI, neerslagstation Klundert. In de periode van april 2006 tot en met februari 2008 is sprake geweest van 1.741,7 mm neerslag.

Vervolgens is de mate van verdamping berekend. Daarbij is in het voordeel van bedrijf bij de berekening van de verdamping gedurende de onderzoeksperiode uitgegaan van de verdeling waarbij 60% van het aantal vakken in gebruik was voor opslag en 40% bestond uit schoongemaakte vakken. Ook de door bedrijf ingeschakelde deskundige Savenije heeft aangegeven dat die verhouding in het voordeel van bedrijf is.

De totale verdamping ten opzichte van de in totaal gevallen neerslag betreft in de onderzoeksperiode 111.278 m³. Uitgaande van een totale neerslag (94.010 m² x (1.741,7: 1.000)) van 163.737 m³ en een verdamping van 111.278 m³ is naar de opvatting van de officier van justitie aanvankelijk een hoeveelheid van 52.459 m³ als percolaatwater aangehouden.

Naar aanleiding van hetgeen hierover door de deskundige Savenije is gesteld is op deze hoeveelheid een correctie toegepast van 2%, hetgeen een bijstelling naar beneden met zich meebrengt van 2.225 m³, zodat het totaal aan neerslagoverschot naar de opvatting van de officier van justitie vastgesteld moet worden op 50.234 m³. De rechtbank kan zich hierin vinden.

Met de officier van justitie en anders dan bedrijf is de rechtbank van oordeel dat geen rekening gehouden behoeft te worden met het mogelijke verschil in berging in het rioolstelsel. Bij het neerslagoverschot is uitgegaan van de neerslag, verminderd met de verdamping. Waar het overschot vervolgens (al dan niet tijdelijk) is opgeslagen is niet relevant.

Wel zal echter nog een andere correctie op het neerslagoverschot toegepast moeten worden. Vastgesteld is dat het terrein van terreinnaam 1 en terreinnaam 2 en de daar opgeslagen stoffen werden natgehouden. Het opgeslagen (en deels droge) materiaal werd besproeid om stof tegen te gaan. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat hiermee bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel rekening moet worden gehouden gelet op het bergend vermogen van opgeslagen droge stoffen. De rechtbank acht een correctie van 2% redelijk. Dit brengt met zich mee dat het neerslagoverschot naar het oordeel van de rechtbank vastgesteld dient te worden op 49.229 m³. Dit is de hoeveelheid die ter verwerking afgevoerd had moeten worden naar derden. De kosten die hiermee gemoeid waren, heeft bedrijf bespaard.

Van andere factoren waarmee rekening gehouden zou moeten worden bij de berekening van het neerslagoverschot is de rechtbank niet gebleken, danwel zijn deze onvoldoende onderbouwd door de verdediging.

Aanvankelijk is de officier van justitie uitgegaan van een verwerkingsprijs van afvalwater van €55 per ton. Bij conclusie van repliek is dit nader vastgesteld op €30 per ton. Hierbij is aansluiting gezocht bij hetgeen ATM in de periode na de inval in rekening heeft gebracht. Gedurende 7 maanden na de inval hebben 42 transporten van bedrijf naar ATM plaatsgevonden. De rechtbank acht dit, in tegenstelling tot hetgeen waarvan de verdediging is uitgegaan, representatief. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat een verwerkingsprijs van €30 per ton redelijk is.

Uitgaande van een neerslagoverschot van 49.229 m³ en een verwerkingsprijs van €30 per ton is een bedrag bespaard van €1.476.870.

Gemiddeld werd per transport 38 m³ percolaatwater vervoerd. Uitgaande van het hiervoor aangehaalde neerslagoverschot is sprake geweest van 1.295,5 transporten.

Bij de berekening is uitgegaan van een transportduur van gemiddeld 3 uur. Gelet op de zich bij de stukken bevindende facturen van ATM aan bedrijf over de periode van 31 maart 2008 tot en met 17 oktober 2008 acht de rechtbank dit reëel. De stelling van bedrijf dat met ieder transport maar 1 uur was gemoeid, acht de rechtbank niet aannemelijk en ook onvoldoende onderbouwd.

In totaal zijn er derhalve 3.886,5 uren gemoeid met het transport.

Ook de rechtbank gaat uit van een uurtarief van €75, zijnde het tarief dat door ATM in rekening werd gebracht. Onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat bedrijf de transporten zou laten verrichten tegen een tarief van €68.

Uitgaande van 3.886,5 uren transport tegen een tarief van €75 is een bedrag van €291.487,50 bespaard. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft bedrijf een wederrechtelijk verkregen voordeel genoten van (€1.476.870 + €291.487,50) = €1.768.357,50.

Ten aanzien van hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de betaalde vennootschapsbelasting overweegt de rechtbank het volgende.

Bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal de rechtbank geen rekening houden met geheven vennootschapsbelasting nu de rechtbank, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 17 februari 1998 (NJ 1998, 499) van oordeel is dat hiervoor geen ruimte is. In voornoemd arrest overwoog de Hoge Raad - voor zover thans van belang -:‘(...) het fiscale mechanisme dat, voor zover belasting verschuldigd is over wederrechtelijk verkregen voordeel, die belastingheffing weer wordt ongedaan gemaakt indien en voor zover dat voordeel weer wordt ontnomen, leidt naar het oordeel van de wetgever zowel in strafrechtelijke als fiscaalrechtelijke zin tot een evenwichtig resultaat, terwijl daarentegen een rekening houden met de reeds geheven of nog te heffen belasting bij de bepaling van het te ontnemen voordeel naar het oordeel van de minister tot een onevenwichtig en onbedoeld resultaat zou leiden. De keuze voor voren omschreven fiscaal systeem brengt volgens de wetgever mee dat de strafrechter bij de bepaling van het aan voordeel in aanmerking te nemen bedrag geen rekening zal dienen te houden met de belastingheffing.’

Gelet hierop treft het verweer dat rekening gehouden dient te worden met betaalde vennootschapsbelasting geen doel.

Vaststelling ontnemingsbedrag

De rechtbank zal het terug te betalen bedrag vaststellen op €1.768.357,50 en de vordering van de officier van justitie voor het overige afwijzen.

Namens bedrijf is aangevoerd dat de huidige en de redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht niet toereikend is om het geschatte voordeel te betalen. Na 2004 is een aantal jaren getracht de onderneming winstgevend te maken, echter winstgevendheid bleef uit, waarna in 2008 is besloten om de activiteiten te staken. Ondernemingsactiviteiten vinden niet meer plaats en het vermogen bestaat grotendeels uit een vordering op een andere onderneming.

Vooropgesteld dient te worden dat noch uit art. 36e Sr noch uit enige andere wettelijke bepaling voortvloeit dat de draagkracht in het algemeen een verplichte maatstaf vormt bij het bepalen van het te betalen geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Slechts indien aannemelijk is dat de veroordeelde geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben, dient de rechter gebruik te maken van zijn matigingsbevoegdheid.

De rechtbank is van oordeel dat bedrijf met de overgelegde balans onvoldoende aannemelijk gemaakt heeft dat zij in de toekomst naar redelijke verwachting geen draagkracht zal hebben.

De conclusie van de verdediging, inhoudende dat de vordering dient te worden afgewezen omdat de veroordeelde het wederrechtelijk verkregen voordeel niet kan terugbetalen, treft derhalve geen doel.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Lekkage uit machine voor desinfectie van endoscopen in ziekenhuis is een ongewoon voorval als bedoeld in art. 17.1 Wm. Niet bewezen is dat dit ongewoon voorval op grond van artikel 17.2 Wm gemeld diende te worden aan het bevoegd gezag.

Rechtbank Limburg 3 december 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:10085 Aan verdachte is tenlastegelegd dat: dat zij (voorheen handelend onder de naam verdachte) op of omstreeks 23 februari 2012 in de gemeente Kerkrade, al dan niet opzettelijk, als degene die een inrichting dreef, waarin zich een (zogenaamd ongewoon) voorval, als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer, had voorgedaan, te weten een lekkage van (een oplossing van) perazijnzuur, in elk geval een (gevaarlijke) vloeistof, aan (een) machine(s) (voor desinfectie) van/voor endoscopie, waardoor/waarna de brandweer werd ingeschakeld en (vervolgens) de afdeling werd ontruimd, dat voorval niet zo spoedig mogelijk, te weten pas op 18 april 2012, heeft gemeld aan het bestuursorgaan dat bevoegd is een omgevingsvergunning voor een inrichting te verlenen dan wel ingevolge artikel 8.41, tweede lid, onder a van genoemde wet het orgaan is waaraan de melding wordt gericht dan wel, in andere gevallen, aan burgemeester en wethouders.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat hetgeen verdachte ten laste is gelegd bewezen zal worden verklaard.

Het lekken, dan wel vrijkomen van perazijnzuur uit de desinfecteermachine(s) voor endoscopie is een ongewoon voorval in de zin van artikel 17.1 van de Wet milieubeheer. Het maakt geen deel uit van “het normale productieproces” van een instelling en zou bij een normale gang van zaken niet hebben plaatsgevonden. Perazijnzuur is volgens het zich in het dossier bevindende internetuittreksel een stof met een hoge lokale humane toxiciteit. De brandweer is ingeschakeld, heeft de betreffende ruimtes ontruimd en heeft gevraagd om de ventilatie in het hele gebouw uit te zetten. De brandweer beschouwt perazijnzuur als een gevaarlijke stof en formuleert in haar rapportage als gevolgen bij langdurige inademing keelpijn en irritatie aan de luchtwegen, hetgeen later kan leiden tot longoedeem.

Op grond hiervan kan worden gesteld dat sprake was van het ontstaan of dreigen te ontstaan van nadelige gevolgen voor het milieu. Aangezien verdachte pas op 18 april 2012 van het voorval dat op 23 februari 2012 heeft plaatsgevonden, melding heeft gedaan, kan worden gesteld dat het ongewone voorval niet zo spoedig mogelijk is gemeld bij het bevoegd gezag.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betwist dat sprake is geweest van een ongewoon voorval in de zin van artikel 17.1 van de Wet milieubeheer en betwist eveneens dat de melding niet zo spoedig mogelijk is gedaan. Verzocht wordt verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde dan wel schuldig te verklaren zonder oplegging van straf.

Met betrekking tot de kwalificatie “ongewoon voorval” in de zin van artikel 17.1 van de Wet milieubeheer wordt aangevoerd dat hiervan in casu geen sprake is geweest, aangezien slechts een minimale hoeveelheid, te weten 100 cc. tot 200 cc., vloeistof met 5% perazijnzuur is weggelekt, welke meteen is opgeruimd. De betreffende ruimte is gelegen op de eerste verdieping aan de achterzijde van de instelling, die grenst aan de parkeerplaats, behorende tot de instelling. Uit het dossier is niet gebleken van het effect van de lekkage op het milieu en de gezondheid of wat het effect had kunnen zijn. Verwezen wordt naar een arrest van het Hof Den Bosch (ECLI:NL:GHSHE:2007:BB2818) waarin is bepaald dat vrijspraak van het ten laste gelegde moet volgen indien de vaststelling van de verbalisanten onvoldoende met redenen van wetenschap is omkleed. Voorts wordt verwezen naar een uitspraak van de Raad van State (ABRvS 12 december 2001, M en R 2002, 89) waarin is bepaald dat artikel 17.1 Wet milieubeheer geen bescherming biedt tegen milieugevolgen binnen de inrichting. Conform vaste rechtspraak van de Raad van State en de Voorzieningenrechters, moet steeds uit de specifieke omstandigheden van het geval blijken dat het ongewone voorval (dreigende) nadelige gevolgen voor het milieu en de gezondheid heeft gehad, waarbij het aan het bevoegde bestuursorgaan is om te bewijzen dat deze nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigden te ontstaan. In casu is dit bewijs niet geleverd.

Met betrekking tot de melding wordt verdachte bij brief van 6 maart 2012 verzocht om het voorval te melden. Ten tijde van het voorval is de melding bij de brandweer doorgegeven aan de gemeente Kerkrade, waarna de ambtenaar Openbare Orde en Veiligheid, de heer naam ambtenaar, die ter plaatse is geweest, de burgemeester heeft geïnformeerd. Rest enkel het feit dat verdachte heeft verzuimd om eerder dan zij heeft gedaan het formulier in te vullen en terug te sturen.

Oordeel van de economische politierechter

Vaststaande feiten

Op grond van het proces-verbaal en het verhandelde ter zitting, is het volgende vast komen te staan. verdachte te plaats (thans verdachte) is een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer waarvoor een Omgevingsvergunning is verleend door het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (hierna: het bevoegd gezag). Op 23 februari 2012 is op de afdeling naam afdeling van de instelling uit een machine voor desinfectie van endoscopen een hoeveelheid vloeistof, te weten perazijnzuur 5%, op de vloer van de betreffende ruimte gelekt. De brandweer, die ter plaatse is gekomen, heeft de vloeistof met absorptiemateriaal opgeruimd. Verdachte heeft het voorval op 23 februari 2012 niet als ongewoon voorval bij het bevoegd gezag gemeld. Naar aanleiding van een schrijven van 6 maart 2012 van het bevoegd gezag, heeft verdachte het voorval op 18 april 2012 alsnog gemeld.

Meldplicht ongewoon voorval artikel 17.1 Wet milieubeheer

Artikel 17.2, eerste lid van de Wet milieubeheer – voor zover hier relevant - verplicht degene die een inrichting drijft, waarin zich een voorval als bedoeld in artikel 17.1 voordoet of heeft voorgedaan, dit voorval zo spoedig mogelijk aan het bevoegd gezag te melden.

Met een voorval in artikel 17.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt bedoeld; een ongewoon voorval waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan. Dat betekent dat op grond van de artikelen 17.2, eerste lid, juncto artikel 17.1, eerste lid van de Wet milieubeheer in het geval dat er sprake is van een ongewoon voorval waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, dit voorval aan het bevoegd gezag moet worden gemeld.

Is de lekkage een ongewoon voorval?

Allereerst moet de vraag beantwoord worden of de lekkage uit de machine voor desinfectie van endoscopen een ongewoon voorval is als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer. De economische politierechter beantwoordt deze vraag bevestigend. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) wordt onder een ongewoon voorval verstaan: “elke gebeurtenis, ongeacht de oorzaak daarvan, die afwijkt van de normale bedrijfsactiviteiten, dat wil zeggen zowel storingen in het productieproces en storingen in de voorzieningen van de inrichting alsook ongelukken en calamiteiten” (zie bijvoorbeeld ABRvS 18 juli 2000, nr. E03.98.0496, M en R 2000, 176K, ook te vinden in JM 2000/140 en AB 2001,30).

Een lekkage in de machine voor desinfectie van endoscopen als in casu aan de orde, is naar het oordeel van de economische politierechter dan ook aan te merken als een ongewoon voorval als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer (zie in dit verband ook ABRvS van 12 juli 2006, JM 2006, 117).

Nadelige gevolgen voor het milieu

De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of door de lekkage op 23 februari 2012 nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigden te ontstaan. Alvorens te kunnen beoordelen of er feitelijk nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigden te ontstaan door het ongewoon voorval, dient eerst te worden bezien wat onder de begrippen “milieu” en “nadelige gevolgen voor het milieu” dient te worden verstaan.

Wat moet worden verstaan onder “milieu”?

De begrippen “milieu”, “gevolgen voor het milieu” en ook het begrip “bescherming van het milieu” zijn niet gedefinieerd in de Wet milieubeheer. Het zijn ruime begrippen. Zij omvatten minimaal de elementen uit de reikwijdte van de sectorale wetten waarvoor de Wet milieubeheer in de plaats is gekomen. Maar de begrippen omvatten meer, namelijk ook de integrale samenhang van die elementen. Om misverstanden te voorkomen is in artikel 1.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer nog bepaald wat onder de begrippen “gevolgen voor het milieu” en “bescherming van het milieu” mede dient te worden verstaan.

Hoewel het begrip “milieu” enerzijds breed is, is het begrip anderzijds ook afgebakend. Het begrip “milieu” in de Wet milieubeheer vindt namelijk zijn begrenzing in het begrip “inrichting”.

Zo is het vaste jurisprudentie van de Afdeling dat aan een Omgevingsvergunning voor een inrichting, geen voorschriften mogen worden verbonden die zien op (milieu)gevolgen binnen de inrichting, die geen gevolgen hebben buiten de inrichting. (Milieu)gevolgen binnen de inrichting, veroorzaakt door de inrichting, vinden geen bescherming in de Wet milieubeheer (zie bijvoorbeeld ABRvS, 12 december 2001, M en R 2002,89).

Dat geldt ook in het geval van een ongewoon voorval. De Afdeling heeft reeds in 2000 in de hiervoor aangehaalde uitspraak van 18 juli 2000 overwogen dat artikel 17.1 van de Wet milieubeheer ziet op de zich per definitie buiten de inrichting voordoende en ontstane nadelige gevolgen van ongewone voorvallen.

Ook vindt het begrip “milieu” in de Wet milieubeheer zijn begrenzing in de relatie tot de meer specifieke (milieu)regelgeving. De Wet milieubeheer is een algemene wet. Als meer specifieke wetten, zoals bijvoorbeeld de Wet bodembescherming, de Flora- en faunawet of de Arbeidsomstandighedenwet regels ten aanzien van het milieu, waaronder de mens, stellen, gaat die wet voor en treedt de Wet milieubeheer terug.

Dit betekent dat voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, vast moet komen te staan, dat door de lekkage uit de machine voor desinfectie van endoscopen op 23 februari 2012 nadelige gevolgen buiten de vergunde inrichting van de instelling zijn ontstaan of dreigden te ontstaan.

Nadelige gevolgen voor het milieu door de lekkage?

De economische politierechter stelt vast dat op 23 februari 2012 een hoeveelheid perazijnzuur 5 % op de vloer van de betreffende ruimte voor het desinfecteren van endoscopen terecht is gekomen. Niet is gebleken hoeveel vloeistof is gelekt. Ook is niet gebleken hoeveel vloeistof is opgeruimd door de brandweer. In het proces-verbaal is ook niet met redenen van wetenschap gerelateerd welke nadelige gevolgen de gelekte vloeistof voor het milieu heeft gehad of dreigde te hebben.

Uit een schriftelijk stuk van de officier van dienst van de brandweer blijkt enkel dat de ramen van de endoscopieruimte op zijn aanwijzing zijn open gezet voor ventilatie. Niet is duidelijk in welke mate er schadelijke dampen van perazijnzuur 5% in de ruimte hingen, wat de concentratie daarvan is geweest en of en in hoeverre eventuele schadelijke dampen bij ventileren door het open zetten van de ramen of anderszins buiten de begrenzing van de inrichting terecht zijn gekomen. De economische politierechter neemt daarbij in aanmerking dat het raam grenst aan de achterzijde van de instelling en niet weersproken is dat dit raam uitkomt op de parkeerplaats, behorend tot de inrichting. Het enkele feit dat een stof gevaarlijke eigenschappen heeft, leidt niet zonder meer tot de conclusie dat als gevolg van het lekken van die stof ook nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan (zie in dit verband de reeds aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2006).

Dat betekent naar het oordeel van de economische politierecht ook dat op grond van het dossier niet is komen vast te staan dat het ongewoon voorval feitelijk nadelige gevolgen voor het milieu heeft gehad of dat bewezen is dat die nadelige gevolgen voor het milieu dreigden te ontstaan. Dit betekent ook dat niet bewezen is dat het ongewoon voorval had dienen te worden gemeld bij het bevoegd gezag.

De economische politierechter overweegt verder nog dat vanwege de onvoldoende onderbouwing in het dossier, ook niet is bewezen dat er eventueel nadelige gevolgen voor medewerkers binnen de inrichting zijn ontstaan of dreigden te ontstaan. Enkel is gesteld dat drie, niet nader genoemde medewerkers, onderzocht zijn op de Eerste Hulp en dat zij geen gezondheidsschade hebben opgelopen. Maar wat van dit laatste ook zij, de gevolgen van het ongewoon voorval binnen de inrichting vallen niet onder het bereik van artikel 17.1 juncto 17.2 van de Wet milieubeheer. Deze vallen mogelijk onder het bereik van de Arbeidsomstandighedenwet, die in casu echter niet aan de orde is. Uit een schriftelijk stuk van de hoofdofficier van dienst van de brandweer blijkt overigens dat het ongewoon voorval is gemeld bij de Arbeidsinspectie, die het niet nodig vond om te komen.

Conclusie

De economische politierechter acht gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Aangetroffen asbest geen 'gevaarlijke afvalstof' in de zin van artikel 10.37 Wet Milieubeheer

Rechtbank Den Haag 24 november 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:13599 In de periode van 8 april 2013 tot en met 11 april 2013 heeft er in Hazerswoude-Rijndijk, aan de Rijndijk 158-164, een sloop plaatsgevonden op een perceel waar de voormalige veevoederfabriek bedrijf 3 was gevestigd. Deze sloop bestond uit het verwijderen van een woonhuis, een opslag en twee silo’s. bedrijf 1 heeft van bedrijf 4 de opdracht gekregen voor de totale sloop. De sloop vond in onderaanneming plaats met het bedrijf 5. Verdachte is de bestuurder van bedrijf 1.

Het bedrijf 6 heeft beide silo’s in opdracht van bedrijf 4 voorafgaand aan de sloop op asbest onderzocht en heeft naar aanleiding van dit onderzoek op 22 januari 2013 een asbestinventarisatierapport opgesteld. Uit dat rapport kwam naar voren dat de nieuwste van de twee silo’s (op basis van één bemonstering op het dak) asbestvrij werd verklaard en dat bij de twee bemonsteringen van een bitumencoating, die was aangebracht op de buitenkant van de oudste van de twee silo’s, asbest was aangetroffen in de vorm van chrysotiel. Een bijzonderheid daarbij was dat de nieuwe silo tegen de oude silo was aangebouwd en een deel van de bitumencoating tussen de silo’s zat. Deze bitumencoating was daardoor enkel benaderbaar vanaf de binnenzijde van de nieuwe silo. De sanering moest daarom bestaan uit een buitensanering in risicoklasse 2 (buitenkant oude silo) en een binnensanering in risicoklasse 2 (binnenkant van de nieuwe silo ten behoeve van de oude silo), die in twee SMA-rt 2009-APR Risicoclassificaties waren neergelegd. Voor de buitensanering moest de locatie worden afgebakend, beschermd en gemarkeerd. Bij de binnensanering moest een ‘containment’ worden aangelegd. Deze moest worden uitgevoerd conform de SC-530 regeling (waarin de eisen op het gebied van asbestverwijdering zijn neergelegd) en door een SC-530 gecertificeerd bedrijf. Bedrijf 1 is zo’n bedrijf. De eindcontrole moest geschieden volgens een NEN 2990 protocol. De werkmethode werd als volgt in algemene zin beschreven:

- de asbestverwijderingswerkzaamheden dienen te worden uitgevoerd in overeenstemming met de op het formulier aangeven specificaties en omstandigheden. Te allen tijde dient vezelemissie zoveel mogelijk te worden beperkt;

- voorafgaand aan de werkzaamheden dient een compleet werkplan te worden opgesteld conform SC-530 Bijlage G (werkplan);

- de werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd conform SC-530 Bijlage B (Technische uitvoering).

Reeds op 7 december 2012 had bedrijf 1 een “Werkplan Asbestverwijdering” opgesteld.

In opdracht van bedrijf 1 werd op 11 maart 2013 door hoger veiligheidsdeskundige (HVK’er) HVK'er een “asbestadvies” opgesteld. Bedrijf 1 had dit advies ingewonnen omdat bleek, nadat was gestart met de binnensanering van de oude silo via de nieuwe silo, dat een binnensanering praktisch niet uitvoerbaar was. De voor de binnensanering benodigde ‘containment’ kon vanwege een slechte bereikbaarheid en onveiligheid binnen de nieuwe silo niet worden gerealiseerd. HVK'er adviseerde dat de nieuwe silo eerst zou worden gesloopt, waarna de gehele bitumencoating op de oude silo (inclusief de binnenwand) gesaneerd kon worden volgens een SC-530 buitensanering in risicoklasse 2. Voorwaarden waren wel dat de ‘conventionele’ sloop van de nieuwe silo met de nodige voorzichtigheid diende te geschieden en dat beschadiging van de asbesthoudende bitumencoating moest worden voorkomen.

Na de sloop van de nieuwe silo is een nieuwe risicoclassificatie gemaakt voor de gehele oude silo, te weten een buitensanering risicoklasse 2, neergelegd in een SMA-rt 2009-APR Risicoclassificatie d.d. 8 april 2013.

Vervolgens is het werkplan op 8 april 2013 aangepast. Daarin werd naar aanleiding van het asbestadvies van HVK'er vermeld:

De saneerders zullen in een hoogwerker met behulp van hakgereedschap de asbesthoudende teerlaag verwijderen. De asbesthoudende teerlaag wordt in delen afgestoken en opgevangen op onderliggend folie. De restanten worden dan dubbel in zakken verpakt en gedeponeerd in de gereedstaande containers.

Uit de handgeschreven opmerkingen in dat werkplan en uit de verklaringen van Deskundig Toezichthouder Asbest (DTA’er) DTA'er, Deskundig Asbest Verwijderaar (DAV’er) en kraanmachinist DAV'er en kraanmachinist en vertegenwoordiger verdachte volgt dat men op 8 april 2013 middels een hoogwerker met hakhamers heeft geprobeerd de bitumencoating af te bikken. Daarbij ontstonden echter onvoorziene gaten in de keramische muur die de stabiliteit van die muur en de gehele silo in gevaar brachten. Na telefonisch overleg tussen DTA'er en verdachte is besloten te werken met een lichtere hakhamer, die echter hetzelfde resultaat gaf. Hierop is verdachte ter plaatse gekomen en is in overleg met DTA'er vastgesteld dat de muur te instabiel werd als op dezelfde saneerwijze zou worden doorgegaan. In een overleg met DTA'er, verdachte en de fysiek sanerende werknemers van bedrijf 1 is daarna besproken dat de ‘best beschikbare techniek’ het gecontroleerd slopen met een kraan was. Hierop zijn de muurdelen met een kraan met grijper verwijderd. De muurdelen met de bitumencoating werden (om emissie tegen te gaan) in zo groot mogelijke delen direct in een asbestcontainer gedeponeerd met een kraan die buiten het asbestgebied stond, terwijl er werd beneveld (ook om emissie tegen te gaan). Vervolgens werden overgebleven stukken muur met bitumencoating door “handpicking” verwijderd. Deze werkwijze was anders dan oorspronkelijk in het werkplan stond vermeld en daarom is deze handgeschreven in het werkplan opgenomen.

Door toezichthouder, toezichthouder bij de afdeling Bouw en Wonen van de gemeente Rijnwoude, zijn op 11 april 2013 twee monsters genomen uit een berg puin die buiten het asbestafzettingsgebied lag en die door DTA'er aangemerkt was als ‘schoon puin’. Vervolgens heeft toezichthouder het werk mondeling stilgelegd. Uit onderzoek uitgevoerd op 12 april 2013 is gebleken dat één van die monsters positief werd getest op asbest, te weten chrysotiel. Ook sommige andere monsters van dit terrein zijn positief getest op asbest, het betrof steeds anthofylliet. Daarnaast is sloopafval, dat als ‘schoon’ werd aangemerkt door bedrijf 1 en dat uiteindelijk is afgevoerd naar MNO Vervat, bemonsterd. Ook die monsters zijn positief getest op asbest, het betrof amosiet en anthofylliet.

De kernvraag

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of door bedrijf 1 handelingen (zoals onder 1 ten laste gelegd) met betrekking tot afvalstoffen (asbesthoudende coating) zijn verricht, terwijl zij wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan.

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is betoogd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat het aangetroffen asbest afkomstig was van de oude silo. Als het asbest van de niet-asbesthoudende silo afkomstig zou zijn, dan kan volgens de verdediging bedrijf 1 geen verwijt kan worden gemaakt.

Voorts heeft de verdediging betoogd dat bedrijf 1 niet wist en ook niet kon weten dat door haar handelen nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan. Volgens de verdediging is er gesaneerd op een wijze conform een buitensanering SC-530 van risicoklasse 2 en is ook na wijziging van de gebruikte werkwijze (niet meer handmatig maar met een kraan met grijper) gehandeld volgens de ‘best beschikbare technieken’. Volgens de verdediging mocht bedrijf 1 haar werkwijze binnen die risicoklasse wijzigen, zolang dit in het werkplan werd aangegeven. De stelling dat zij wederom een HVK’er had moeten raadplegen wordt betwist. HVK’er HVK'er had volgens de verdediging geen rol bij de wijze waarop de buitensanering in de praktijk werd uitgevoerd, zijn rapport zag enkel op de volgorde van de sloop en bevatte geen enkele aanwijzing ten aanzien van de sloopmethode.

Oordeel rechtbank

Ten aanzien van het aangetroffen asbest overweegt de rechtbank als volgt.

In het asbestinventarisatierapport is vermeld dat de oude silo asbest, te weten chrysotiel, bevatte. De nieuwe silo werd asbestvrij verklaard. In een van de monsters, genomen buiten het asbestafzettingsgebied, is chrysotiel aangetroffen. Op basis van het dossier kan echter niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de aangetroffen chrysotiel uit de bitumencoating van de oude silo afkomstig was. Dat geldt evenzeer voor de op het terrein en/of in het afgevoerde sloopafval aangetroffen amosiet en anthofylliet, nog daargelaten dat deze asbestsoorten niet zijn vermeld in het asbestinventarisatierapport. Niet kan worden uitgesloten dat het aangetroffen asbest uit de nieuwe silo of een ander deel van de oude silo afkomstig was, mede gelet op de werkwijze dat de bitumencoating in zo groot mogelijke delen direct in een asbestcontainer zou worden gedeponeerd. Er is derhalve geen wettig en overtuigend bewijs dat de sloop van de bitumencoating van de oude silo heeft gezorgd voor asbesthoudend materiaal buiten het asbestafzettingsgebied.

Voor zover de officier van justitie (in repliek) heeft betoogd dat de tenlastelegging ziet op de gehele sloop van het complex, is de rechtbank van oordeel dat dit niet uit de tekst van tenlastelegging volgt. Het gaat immers om “een silo” en een “asbesthoudende coating van die silo”. Het is tegen de achtergrond van het dossier evident dat hiermee de oude silo wordt aangeduid.

Ten aanzien van de door bedrijf 1 gevolgde werkwijze overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt allereerst vast dat uit het advies van HVK’er HVK'er alleen volgt dat de nieuwe silo eerst moest worden verwijderd om daarna tot een volledige buitensanering van de oude silo te kunnen komen. Een sloopinstructie – anders dan dat de nieuwe silo met de nodige voorzichtigheid moest worden verwijderd (om zo de bitumencoating op de oude silo niet te beschadigen) – komt niet voor in dit advies, ook niet – zoals HVK'er later heeft verklaard – dat de bitumencoating met de hand moest worden verwijderd. Ook in de werkmethode zoals omschreven in het asbestinventarisatierapport wordt niet gesteld dat de bitumencoating met de hand moest worden verwijderd en evenmin is gebleken dat dit is opgenomen in SC-530 Bijlage B (Technische uitvoering).

De rechtbank leidt uit het dossier af dat het in beginsel de verantwoordelijkheid van bedrijf 1, als SC-530 gecertificeerd bedrijf, was om na het advies van HVK'er een voor de oude silo juiste saneringsmethode te kiezen volgens de ‘best beschikbare technieken’ en dat niet is gebleken dat bij een wijziging van werkwijze van sloophamer naar sloopkraan opnieuw een HVK’er of een andere deskundige had moeten worden geraadpleegd. De rechtbank merkt in dat kader op dat HVK'er bij zijn verhoor heeft gesteld dat hij niet zeker wist of er wel sloophamers mochten worden gebruikt. Dit laatste wekt de indruk dat HVK'er ook niet over de juiste kennis beschikte om over een nieuwe werkwijze te kunnen adviseren.

Naar het oordeel van de rechtbank is aldus niet gebleken dat de werkwijze van VSM Sloopwerken in strijd met de SC-530 regeling is geweest, en ook niet dat bedrijf 1 niet heeft gehandeld volgens de ‘best beschikbare technieken’.

Conclusie

Hoewel de meeste gedragingen die in de tenlastelegging zijn opgenomen op zichzelf genomen bewezen zouden kunnen worden, kan gelet op het voorgaande niet wettig en overtuigend worden bewezen dat bedrijf 1 wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat door die gedragingen nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van feit 1.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Voorlopige maatregel voor biovergistingsistallatie

De officier van justitie van het Functioneel Parket heeft afgelopen vrijdag 4 december een voorlopige maatregel opgelegd aan een biovergistingsinstallatie in Nistelrode. Door het opleggen van deze maatregel dient het bedrijf zich te onthouden van lozingen op het terrein van de inrichting, aangrenzende percelen en watergang van onder andere digestaat. Dit digestaat stroomt uit een van de silo’s op het terrein. Tegen deze lozingen dan wel het voorkomen ervan zijn door het bedrijf tot nu toe geen voorzieningen of maatregelen getroffen. De provincie wil de omgevingsvergunning van het bedrijf intrekken omdat alle andere handhavingsmiddelen de afgelopen anderhalf jaar onvoldoende effect hebben gehad.

De officier van justitie heeft volgens de Wet op de economische delicten de bevoegdheid een zogeheten voorlopige maatregel op te leggen als er een hoge mate van waarschijnlijkheid is dat economische wetgeving wordt overtreden en bovendien het beschermde belang van die wetgeving onmiddellijk ingrijpen vereist. Het niet naleven van de voorlopige maatregel is in de Wet op de economische delicten strafbaar gesteld als misdrijf.

Digestaat is het restproduct van de biogasproductie.

Bron: OM

 

Print Friendly and PDF ^