Toepassing art. 9a Sr inzake het onthouden van de nodige verzorging van vee en niet voldoen aan R&I. OvJ en buitengewone opsporingsambtenaren hebben belangrijke strafvorderlijke regels genegeerd.

Rechtbank Noord-Nederland 22 oktober 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:4891 Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het onthouden van zijn dieren van de nodige verzorging en zich niet gehouden aan de regels omtrent de registratie en identificatie van die dieren. 

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De economische politierechter heeft het volgende vastgesteld. Ter gelegenheid van de behandeling van de gevoegde zaken tegen verdachte d.d. 18 juni 2015, heeft de officier van justitie ter zitting aangekondigd het bedrijf van verdachte aan ‘een nadere controle te onderwerpen’. De officier van justitie heeft toen ook toegezegd daarover te zijner tijd een proces-verbaal van de ‘nadere controle’ te doen opmaken en dit aan het dossier toe te voegen. Op verzoek van de officier van justitie is de behandeling van de strafzaken voor bepaalde tijd aangehouden, te weten tot de zitting van 8 oktober 2015.

Tijdens de voortgezette behandeling van de gevoegde strafzaken tegen verdachte op 8 oktober 2015, is gebleken dat geen proces-verbaal van de ‘nadere controle’ van verdachte’s bedrijf is opgemaakt. De economische politierechter heeft kennis genomen van een e-mail die door de officier van justitie kort voor de aanvang van de behandeling van de zaken is verzonden aan de economische politierechter en aan diens griffier. Uit die e-mail blijkt dat de officier van justitie en een of meerdere buitengewone opsporingsambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en warenautoriteit (hierna NVWA) op 24 augustus 2015 kennelijk een ‘controle’ in het veehouderijbedrijf van verdachte hebben uitgevoerd. Tevens blijkt uit bedoelde e-mail dat op 7 oktober 2015 door twee buitengewone opsporingsambtenaren van de NVWA andermaal een controle in verdachte’s bedrijf is uitgevoerd. Aan de e-mail van de officier van justitie d.d. 8 oktober 2015 is een kopie gehecht van een mail die is opgesteld door de opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] en die daarin beknopt verslag doen van hun bevindingen d.d. 7 oktober 2015, waaronder een weergave van een verklaring van verdachte. Ter zitting heeft de officier van justitie, in antwoord op de vraag van de economische politierechter, verklaard dat er, anders dan hij tijdens de eerdere behandeling van de strafzaak heeft aangegeven, geen aanvullend proces-verbaal is opgemaakt.

Met betrekking tot het voorgaande overweegt de economische politierechter als volgt.

De aanwezigheid van de officier van justitie en van een of meerdere buitengewone opsporingsambtenaren van de NVWA in het bedrijf van verdachte, d.d. 24 augustus 2015, kan, naar het oordeel van de economische politierechter, gelet op het doel waarmee de officier van justitie het bedrijf heeft bezocht, bezwaarlijk anders dan als een schouw in de zin van artikel 151 Sv worden gezien. Zoals de officier van justitie zowel ter zitting d.d. 18 juni 2015 als ter zitting van 8 oktober 2015 heeft verklaard, was het kennelijk zijn bedoeling om na te gaan of de zijns inziens strafbare situatie in en rond de stallen van het vee van verdachte, nog steeds zou voortduren dan wel of een verbetering in de situatie vastgesteld kon worden. Aangezien het doel van de aanwezigheid van de officier van justitie en de ambtenaren van de NVWA in het bedrijf van verdachte kennelijk was (de beantwoording van) de vraag of de verdenking voortduurde, was de handeling van en onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie, gelet op de fase waarin het strafgeding tegen verdachte toen verkeerde, naar het oordeel van de economische politierechter een opsporingshandeling. Zij was immers gericht was op het ophelderen en het afdoen van strafbare feiten. De inzet van dit dwangmiddel, dat op grond van artikel 25 WED ook in economische strafzaken ingezet kan worden, is omgeven met diverse waarborgen zoals weergegeven in artikel 151 lid 2 en 3 Sv, teneinde degene die aan dit dwangmiddel wordt onderworpen, de gelegenheid te geven gedurende en naar aanleiding van de schouw datgene aan te voeren dat de bevindingen van de officier van justitie gedurende de schouw in een ander licht kan plaatsen.

De economische politierechter heeft vastgesteld dat de officier van justitie de raadsman van verdachte niet schriftelijk in kennis heeft gesteld van de voorgenomen schouw op 24 augustus 2015. Ter zitting heeft de raadsman desgevraagd meegedeeld dat hij niet van de schouw op de hoogte was gesteld. De raadsman heeft de schouw dan ook niet bijgewoond. Gesteld noch gebleken is dat het onderzoeksbelang in de weg stond aan de aankondiging van de schouw aan de raadsman en de verdachte.

Daarnaast is de economische politierechter niet gebleken dat van de door de officier van justitie gebezigde opsporingshandeling een proces-verbaal is opgemaakt. Naar het oordeel van de economische politierechter strijdt het nalaten ervan in deze omstandigheid met het bepaalde in artikel 152 lid 1 Sv, terwijl niet door de officier van justitie is gesteld, noch dat zulks gebleken is, dat artikel 152 lid 2 Sv in de onderhavige situatie van toepassing was. Het op 8 oktober 2015 alleen aan de economische politierechter en diens griffier en niet aan de raadsman van verdachte, verzonden en informeel getoonzette e-mail, kan niet als proces-verbaal als bedoeld in artikel 152 Sv worden aangemerkt, terwijl niet gezegd kan worden dat deze e-mail voldoet aan de eisen van artikel 153 Sv.

Van de kennelijk door de ambtenaren van de NVWA op 7 oktober 2015 verrichte handelingen in het bedrijf van verdachte, is, zo heeft de economische rechter vast gesteld, evenmin een proces-verbaal opgemaakt. De kennelijk verrichte handelingen zijn genoteerd in een e-mail d.d. 7 oktober 2015, die is gericht aan de officier van justitie. De ‘bijlagen’ waarnaar verwezen wordt, zijn niet ter kennis van de economische politierechter noch van de raadsman gekomen. Naar het oordeel van de economische politierechter is deze e-mail niet te beschouwen als een proces-verbaal in de betekenis van artikel 152 Sv, terwijl bedoelde e-mail niet is opgemaakt conform het bepaalde in artikel 153 Sv. In deze situatie is evenmin vastgesteld dat artikel 152 lid 2 Sv van toepassing was. De economische politierechter stelt vast, dat deze e-mail van de ambtenaren evenmin naar de raadsman van verdachte is gestuurd. De economische politierechter merkt daarnaast op dat de in de mail van de ambtenaren weergegeven verklaring van verdachte, niet lijkt te zijn voorafgegaan door de cautie, op grond waarvan de economische politierechter het ervoor houdt dat deze, in strijd met het bepaalde in artikel 29 lid 2 Sv, niet is gegeven aan verdachte. Nu zijn verklaring als weergegeven heeft te gelden als een verklaring van verdachte over diens betrokkenheid bij vermeend begane strafbare feiten, had verdachte op zijn recht als bedoeld in artikel 29 lid 2 Sv gewezen moeten worden.

De economische politierechter is op grond van het bovenstaande van oordeel dat, door de wijze waarop de officier van justitie in het onderhavige geval de schouw heeft uitgevoerd en doordat zowel hij als de opsporingsambtenaren hebben nagelaten een proces-verbaal op te maken van hun bevindingen, terwijl in beide gevallen de raadsman niet op de hoogte gesteld is van het een en ander, er gesproken kan worden van meerdere ernstige en onherstelbare vormverzuimen. Daarmee heeft de officier van justitie in strijd met artikel 151 Sv en artikelen 152 en 153 Sv gehandeld en hebben de buitengewone opsporingsambtenaren van de Nederlandse voedsel- en warenautoriteit evenzeer in strijd met voormelde bepalingen gehandeld. Daarnaast is artikel 29 lid 2 Sv niet nageleefd. Derhalve is er sprake van meerdere schendingen van wezenlijke vormvoorschriften.

Het belang van voormelde bepalingen omvat de bescherming van de verdachte tegen onrechtmatig overheidsoptreden, waaronder het de verdachte wijzen op zijn recht te zwijgen alvorens hij verhoord wordt. Een ander wezenlijk belang van de betreffende voorschriften is het bevorderen van de transparantie van het handelen van justitie en opsporingsambtenaren opdat deze in hun doen en laten achteraf gecontroleerd kunnen worden. Deze belangen zijn zowel door de officier van justitie en door de buitengewone opsporingsambtenaren tijdens hun bezoek aan het bedrijf van verdachte niet dan wel onvoldoende in acht genomen. Daardoor kan naar het oordeel van de economische politierechter gesproken worden van ernstige verzuimen, welke niet te herstellen zijn. De ernst van voormelde verzuimen vloeit in het onderhavige geval tevens voort uit het feit dat verdachte als - zo heeft de economische politierechter ter zitting vastgesteld, maar ook de officier van justitie heeft aangegeven dit gemerkt te hebben - kwetsbaar persoon zich plotseling geconfronteerd wist met de officier van justitie en ambtenaren van de NVWA, en doordat de raadsman zijn cliënt tijdens de bezoeken niet heeft kunnen bijstaan.

De economische politierechter ziet zich voor de vraag gesteld welk rechtsgevolg in de onderliggende strafzaak aan de vastgestelde combinatie van deze vormverzuimen verbonden moet worden. Aan de beantwoording van die vraag gaat de vraag vooraf of, en zo ja: in hoeverre de verdachte in zijn verdedigingsbelang is geschaad door de verzuimen, meer in het bijzonder: of daardoor tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijk proces. De economische politierechter overweegt hierover als volgt.

Op een onderdeel van de opsporing is, naar het oordeel van de economische politierechter, door de handelwijze van de officier van justitie en die van de opsporingsambtenaren met veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort gedaan aan diens recht op een eerlijk proces. De economische politierechter stelt evenwel vast dat, de gehele procedure overziende, de verdachte zijn aanspraak op een eerlijk proces heeft kunnen waarmaken, doordat de verdachte ter zitting al datgene kon aanvoeren wat tot zijn verdediging strekte. Op grond daarvan ligt de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie als einduitspraak in het onderhavig geval niet in de rede. De economische politierechter heeft voorts vastgesteld dat de officier van justitie datgene wat hij en de opsporingsambtenaren, naar aanleiding van hun bezoek aan het bedrijf van verdachte kennelijk hebben ondervonden, niet heeft mee laten wegen in zijn oordeel dat ten aanzien van de tenlastegelegde feiten de economische politierechter tot een bewezenverklaring zou kunnen komen. De economische politierechter zal de inhoud van de e-mail van de officier van justitie en datgene wat hij ter zitting heeft aangevoerd over zijn bevindingen van zijn bezoek aan het bedrijf van verdachte d.d. 24 augustus 2015 buiten beschouwing laten.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat alle ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat op grond van de constateringen door verbalisanten, zoals deze zijn neergelegd in de zich in het dossier bevindende processen-verbaal, en de bekennende verklaring van verdachte is komen vast te staan dat de dieren van verdachte onvoldoende over een schone en droge ligplaats konden beschikken en dat de betreffende runderen, geiten en schapen niet waren geregistreerd en geïdentificeerd zoals is voorgeschreven in de Regeling identificatie en registratie van dieren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte deels moet worden vrijgesproken van het onder parketnummer 84/104164-14 onder 1 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte de schapen heeft afgemeld, maar dat hier bij de registratie daarvan iets mis is gegaan.

Met betrekking tot de dieren niet voorzien van een schone en droge ligplaats, zoals onder beide parketnummers onder feit 2 is tenlastegelegd, heeft de raadsman aangevoerd dat de handelwijze van verdachte zo is dat hij de dieren eerst voert en deze vervolgens mest produceren. Dan brengt hij de dieren naar buiten en maakt hij de stallen schoon. Als de controle door de NVWA plaats vindt als verdachte de dieren nog moet voeren, klopt het dat op dat moment de dieren niet kunnen beschikken over een schone en droge ligplaats. Als de dieren weer naar binnen worden gehaald, komen zij in een schone stal. Dit heeft verdachte ook bedoeld in zijn verklaring dat de controleurs te vroeg kwamen. Verdachte ziet dit handelen als een diervriendelijke oplossing. De raadsman heeft zich met betrekking tot een bewezenverklaring van deze feiten gerefereerd aan het oordeel van de economische politierechter.

Beoordeling rechtbank

Op grond van de bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 84/247120-154 onder 1 en 2 en parketnummer 84/104164-14 onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

Onder parketnummer 84/247120-14:

  • Feit 1: Overtreding van voorschriften gesteld krachtens artikel 96 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan
  • Feit 2: Als houder van dieren aan die dieren de nodige verzorging onthouden.

Onder parketnummer 84/104164-14:

  • Feit 1: Overtreding van voorschriften gesteld krachtens artikel 105, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan
  • Feit 2: Als houder van dieren aan die dieren de nodige zorg onthouden.

Strafoplegging

Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het onthouden van zijn dieren van de nodige verzorging en zich niet gehouden aan de regels omtrent de registratie en identificatie van die dieren. Verdachte is deels niet zelfstandig in staat de wijzingen in het I&R in te voeren. Dat blijkt ook uit de verklaring van verdachte ter zitting dat zijn zoon inmiddels die registratie heeft overgenomen. Ten aanzien van het oormerken van de geiten heeft verdachte zich op het standpunt gesteld dat hij dit dierenmishandeling vindt. Verdachte is echter onverminderd gehouden de toepasselijke wettelijke bepalingen na te leven zolang voor alternatieve en meer diervriendelijke methoden in de regelgeving geen ruimte wordt geboden. De bewezenverklaarde feiten zijn ernstige feiten en de economische politierechter rekent deze verdachte ook zwaar aan.

Aan de andere kant is er een en ander niet volgens de juiste strafvorderlijke procedures verlopen. De economische politierechter stelt vast dat de officier van justitie en de buitengewone opsporingsambtenaren, door hun hierboven weergegeven handelwijze, belangrijke strafvorderlijke regels hebben genegeerd. Hoewel niet gezegd kan worden dat daardoor het wettelijk systeem in de kern is geraakt, overweegt de economische politierechter dat er naar zijn oordeel zonder meer sprake is van een verwijtbare en ernstige inbreuk op fundamentele regels die beogen de verdachte in zijn recht op een eerlijk proces te beschermen.

De economische politierechter is van oordeel dat deze aanzienlijke vormverzuimen die zich hebben voorgedaan, aanleiding geven om tot een schuldigverklaring van de strafbare feiten te komen, maar geen straf of maatregel daarvoor op te leggen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Recycling bedrijf moet van OM EUR 1.800.000 betalen

Het Functioneel Parket eiste op woensdagochtend voor de rechtbank in Breda dat het bedrijf TOP Moerdijk EUR 1.800.000 moet betalen aan de Staat. Dit omdat het bedrijf volgens het OM dit geld heeft bespaard door de vergunning niet na te leven bij het afvoeren van zwaar vervuilde afvoerstromen. Het recyclingbedrijf werd hier in 2013 voor veroordeeld. Het bedrijf voerde in 2007 en 2008 zwaar vervuilde afvoerstromen niet verantwoord af, waardoor de bodem onder het bedrijventerrein in Moerdijk verontreinigd kon worden. In 2007 en 2008 was het op het bedrijf aanwezige rioleringssysteem om afvalwaterstromen te scheiden verstopt geraakt door slecht onderhoud. Hierdoor konden de afvalstromen niet meer gescheiden worden, zoals wel moest volgens de vergunning. De verschillende afvalwaterstromen werden bij elkaar opgeslagen. Vervolgens werden ze met een sproeiwagen verspreid over de op het terrein opgeslagen (gereinigde) grond en over delen van het terrein die niet van een vloeistofdichte vloer waren voorzien. Het afvalwater kon van het terrein afstromen naar lager gelegen onverharde delen. Het vervuilde water kwam zo in de bodem terecht.

Het verantwoord afvoeren van zwaar verontreinigde afvoerstromen kost geld. Door de zwaar verontreinigde afvoerstromen niet verantwoord af te voeren, heeft het OM berekend dat het  bedrijf circa 1.800.000 euro heeft bespaard.  Het bedrijf haalde hiermee een oneerlijk concurrentievoordeel ten opzichte van bedrijven die zich wel aan de regels houden. Dat is ernstig, vindt het OM. Deze vorm van organisatiecriminaliteit leidt tot verlies van vertrouwen in het bedrijfsleven en de eerlijkheid van het economisch verkeer. Misdaad mag niet lonen, daarom vindt het OM dat het bedrijf 1.800.000 euro moet betalen aan de staat. De rechtbank doet uitspraak uitspraak op 2 december.

Bron: OM

 

Print Friendly and PDF ^

Toezichtkader NVWA: Leidende principes voor toezicht en handhaving

De NVWA houdt toezicht op de naleving van wet- en regelgeving op het gebied van voedsel- en productveiligheid, alcohol en tabak, diergezondheid, dierenwelzijn, visserij, plantgezondheid en landbouw en natuur. Bedrijven zijn er zelf verantwoordelijk voor dat zij wetten en regels naleven. De NVWA ziet toe en handhaaft als bedrijven zich niet aan die wetten en regels houden. Het toezicht van de NVWA krijgt vorm in het stelsel van bevoegd- en verantwoordelijkheden tussen ministeries, NVWA, bedrijven en consumenten.

Recente voedselincidenten hebben – parallel aan een bredere herijking van rol en functie van toezichthouders - geleid tot discussie over de manier waarop de NVWA toeziet en handhaaft. De samenleving vraagt om voorspelbaar toezicht, met heldere kaders en een adequate aanpak. Daarom zijn de laatste jaren toezichtkaders ontwikkeld voor rijksinspecties, bijvoorbeeld voor de Inspectie voor de Gezondheidszorg.

Dit is het toezichtkader voor de NVWA. Met als kern: ‘zacht waar het kan, hard waar het moet’. De NVWA baseert haar toezicht op gerechtvaardigd vertrouwen in bedrijven die hun verantwoordelijkheden aantoonbaar waarmaken. De NVWA denkt daarin actief met bedrijven mee en geeft aan hoe het beter kan. Zonder daarbij de eigen verantwoordelijkheid van deze bedrijven over te nemen. Wanneer bedrijven het vertrouwen beschamen door regels en normen te overtreden, grijpt de NVWA snel en streng in. De NVWA treedt slagvaardig op als tijdens een inspectie misstanden of (mogelijke) risico’s voor de veiligheid worden aangetroffen. Ook bij opzettelijke overtredingen, recidive en fraude handelt de NVWA stevig en doortastend.

Doel van het NVWA-toezicht is het bevorderen van naleving van wet- en regelgeving en daarmee afdoende beheersing van risico’s voor mens, dier en natuur. De mogelijkheden van toezicht zijn begrensd; de NVWA kan immers niet alles controleren. Daarom moet het toezicht risicogericht zijn en gedreven worden door kennis. Mensen en middelen moeten efficiënt en effectief worden ingezet.

Dan nog zijn risico’s nooit volledig uit te sluiten. Incidenten en crises zullen blijven voorkomen. Politiek en maatschappij verwachten dan dat de NVWA slagvaardig optreedt. Dat vraagt om een sterkere focus op handhaving en waar nodig strenger optreden dan in het verleden. De staatssecretaris van Economische Zaken (EZ) en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) beschrijven in dit toezichtkader wat zij van het toezicht en de handhaving van de NVWA verwachten.

Het toezichtkader 

Het toezichtkader bevat de principes voor toezicht en handhaving van de NVWA. Het is opgesteld op basis van de beginselen van goed toezicht uit de ‘Kaderstellende Visie op Toezicht[3]’. De uitwerking is gebaseerd op:

  • aanbevelingen van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) uit het rapport ‘Toezien op publieke belangen’;
  • de kabinetsreactie hierop van september 2014;
  • aanwijzingen inzake de Rijksinspecties.

De staatssecretaris van EZ en de minister van VWS stellen vanuit hun ministeriële verantwoordelijkheid de kaders op waarbinnen de NVWA haar toezicht vorm en inhoud geeft. De NVWA vertaalt die uitgangspunten naar de uitvoering. Dit toezichtkader vraagt de volgende concrete verbeteringen van de NVWA:

  • De NVWA werkt aan het verhogen van de effectiviteit van haar toezicht door een risicogerichte en kennisgedreven aanpak
  • De NVWA maakt scherpere keuzes bij de inzet van toezicht en handhaving.
  • De NVWA werkt aan een versterking van de signalerende en agenderende functie richting beleid en zorgt voor goede toetsen op handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid van nieuwe of gewijzigde wet- en regelgeving
  • Zij kiest beredeneerd en herleidbaar voor effectieve handhavingsmethoden.
  • Het toezicht is eenduidig en voorspelbaar voor inspecteurs en voor bedrijven.
  • De NVWA pakt relevante signalen uit de maatschappij, zoals concrete meldingen of constateringen van de media, actief op in haar toezicht.
  • De NVWA focust sterker op handhaving en slagvaardig optreden dan in het verleden. Dat optreden werkt preventief en leidt tot betere naleving.
  • De NVWA hanteert een aangescherpt, effectief en uniform interventiebeleid. De NVWA treedt slagvaardig op bij overtredingen. Recidive leidt altijd tot een zwaardere maatregel. Op een overtreding volgt een retribueerbare herinspectie.
  • De NVWA zorgt ervoor dat vermoedens van fraude of opzet uit het reguliere toezicht eerder en sneller aan de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de NVWA, zodat (opgetelde) signalen uit regulier toezicht kunnen worden benut voor strafrechtelijk onderzoek.

Met deze aanscherpingen versterkt de NVWA haar rol als onafhankelijke, onpartijdige en rolvaste autoriteit. Dit draagt bij aan het vertrouwen van burgers en bedrijven in het onafhankelijk oordeel van de NVWA.

Het toezichtkader is integraal van toepassing op alle domeinen waarop de NVWA toezicht houdt. In de praktijk kunnen de invulling van het toezicht, de handhaving en het beschikbare instrumentarium per domein verschillen. De concrete aanleiding voor het opstellen van een toezichtkader NVWA was voedselveiligheid. De basis voor het kader is dan ook de borging van de publieke belangen veiligheid en gezondheid voor mens en dier en dierenwelzijn. De uitgangspunten zijn ook leidend voor de andere publieke belangen, zoals plantgezondheid en natuur. Ze geven richting aan de invulling van het toezicht en de handhaving in bijbehorende domeinen.

Regelmatig zal worden vastgesteld of het toezichtkader nog voldoet aan maatschappelijke en politieke ontwikkelingen en inzichten. Evaluaties van individuele cases en incidenten kunnen hierbij een rol spelen.

 

Print Friendly and PDF ^

Oplegging geldboete wegens medeplegen van het opzettelijk zonder vergunning opslaan van afvalstoffen & van het opzettelijk zich ontdoen van afvalstoffen. Rb houdt in strafmatigende zin rekening met de omstandigheid dat de gemeente Barneveld ernstig tekort is geschoten in haar handhavingsplicht.

Rechtbank Gelderland 17 september 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:6412 Verdachte heeft zich ontdaan van afvalstoffen door deze op een perceel te storten. Verdachte heeft daarmee het risico genomen op vervuiling van de bodem. Daarnaast heeft verdachte gedurende meerdere jaren afvalstoffen opgeslagen zonder dat daartoe een vergunning verleend was. Hiermee heeft verdachte belemmerd dat er tijdig en vooraf zicht was op de milieuaspecten die verbonden waren aan een dergelijke opslag.

Feit 1

In de periode van 22 november 2007 tot en met 18 maart 2010 zijn er foto’s gemaakt van de woning aan de adres 2 in Barneveld en het daaromheen gelegen erf. Op die foto’s is te zien dat ten noorden van dit erf de Wencopperweg loopt en dat het erf aan de westzijde wordt gescheiden van het daarnaast gelegen erf door middel van een groenstrook. Aan de zuidzijde wordt het erf afgescheiden door een naastgelegen weiland. Op de foto’s is te zien dat op het erf aan de zuidzijde en/of de westzijde grote hoeveelheden rollen kunststof grasmatten naast elkaar liggen opgestapeld. Dit is op 18 maart 2010 ook ter plaatse door verbalisanten geconstateerd. Gelet op de grootte van het erf en de hoeveelheid rollen is er meer dan 35 kubieke meter kunststof grasmatten opgeslagen.

Het kunstgras is afkomstig van velden van sportclubs en is opgeslagen op het hiervoor genoemde erf omdat er geen ruimte meer was bij de stortplaats aan de adres 3 van bedrijf 1 Voor de opslag op het erf bestond geen vergunning.

Medeverdachte is via bedrijf 2, feitelijk bestuurder van alle onder de Holding resulterende B.V.’s, waaronder verdachte.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich, samen met medeverdachte, schuldig heeft gemaakt aan dit feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht verdachte van de gehele tenlastelegging, danwel voor wat betreft een groot aantal kunststof grasmatten, vrij te spreken. Daartoe heeft hij betoogd dat verdachte noch medeverdachte rechthebbende is op de adres 2 en dat zij ook niet de rollen kunstgras hebben aangekocht en daar hebben neergelegd. Volgens de kadastrale gegevens omvat het perceel adres 2 alleen het kadastrale perceel 1 en dat was destijds eigendom van bedrijf 3, waarvan bedrijf 2. de rechthebbende was. De rollen zijn daar neergelegd door bedrijf 1 of door bedrijf 4 Bovendien is uit de foto’s en de kadastrale gegevens af te leiden dat een groot deel van de rollen op perceel 1 en op perceel 3 lagen, beide eigendom van bedrijf 3. Slechts een klein deel, 10-30 procent van het aantal dat in het dossier genoemd wordt, bevindt zich op perceel 2 dat als enige toebehoorde aan verdachte.

Inhoudelijk heeft de raadsman het subsidiaire verweer gevoerd dat het uitgerolde kunstgras in de paardenbak (springweide) niet strafbaar is, omdat dat zonder voorafgaande bewerking is gebruikt op vergelijkbare wijze als de primaire bestemming was. Dat maakt dat het kunstgras in de paardenbak gezien moet worden als tweedehands goed en niet als afval.

Beoordeling door de rechtbank

medeverdachte heeft ter terechtzitting van 3 september 2015 verklaard dat er meer dan twee jaar kunststof grasmatten hebben gelegen aan adres 2 waarvoor geen vergunning is afgegeven. Omdat er geen ruimte was bij adres 3 is het bij nummer 36 terecht gekomen. medeverdachte heeft verklaard: toen hebben wij gezegd: ‘sla daar maar wat op’.

Tegenover de politie heeft medeverdachte verklaard dat hij het opgeslagen kunstgras bij adres 2 heeft laten verwijderen. Dit kunstgras was afkomstig uit Nederland, Duitsland en Frankrijk, werd op locatie verwijderd en bij hen/ medeverdachte ingeleverd. medeverdachte ontving voor de inname van het kunstgras € 20,- á € 25,- per ton. Voor de ontdoener heeft het een negatieve waarde. Het kunstgras heeft jaren bij 36 gelegen voordat hij het recentelijk weg heeft laten halen. Op 2 februari 2011 heeft medeverdachte verklaard dat het kunstgras al zeker 3 á 4 jaar op het terrein van 36 lag. Het kunstgras hebben zij tegen betaling ingenomen. Hij verklaart dat het dom van hem is geweest om het kunstgras bij 36 daar een aantal jaren opgeslagen te hebben gehad zonder toestemming daartoe. Gemakshalve heeft hij het destijds bij 36 opgeslagen.

In een brief van verdachte aan het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Barneveld van 19 juli 2007 met als onderwerp ‘melding aanleg springweide’, geeft verdachte aan dat in een voorgaand gesprek reeds is gesproken over het aanleggen van een springweide op de adres 2 te Barneveld. Verdachte geeft aan dat de springweide wordt aangelegd mede om de kunstgras rollen die op het perceel zijn opgestapeld te verwijderen. Verwezen wordt, voor de situatie en opbouw van de springweide, naar de bijgevoegde tekening.

De bijgevoegde tekening laat de grootte van de oppervlakte van de springweide zien en vermeldt als onderwerp: ‘aanleg van een springweide’, als project: ‘adres 2 Barneveld’ en als opdrachtgever: ‘verdachte ’.

Naam 1, manager bij de bedrijf 1, heeft verklaard dat hij door een handhaver van de provincie Gelderland werd aangesproken op de aanwezigheid van de rollen kunstgras op het terrein adres 2 te Barneveld. Op dat perceel lag al jaren een grote hoeveelheid rollen kunstgras opgeslagen. Die lag er al toen naam 1 in 2007 bij de afvalverwerking kwam te werken. De kunstgrasrollen die nu aanwezig zijn op het terrein aan de adres 2 worden nu afgevoerd naar het terrein van de bedrijf 1 aan de adres 3.

Naam 2, wethouder van de gemeente Barneveld en onder andere verantwoordelijk voor milieuaangelegenheden en handhaving, heeft verklaard dat hij op de aan hem getoonde luchtfoto, genomen op 22 november 2007, het daarop afgebeelde perceel herkent als zijnde adres 2 te Barneveld. De opslag van kunstgras bij perceel 36 is niet vergund.

Naam 3, technisch toezichthouder bij de provincie Gelderland, heeft verklaard dat hij op 28 april 2010 gezien heeft dat er een grote hoeveelheid kunstgras opgeslagen was op/bij perceel adres 2 in Barneveld.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat de aanduiding ‘perceel adres 2 ’ niet zo beperkt dient te worden uitgelegd dat daar alleen het kadastraal met nummer perceel 1 aangeduide perceel onder valt. Uit de foto’s, de verklaring van medeverdachte, de verklaringen van getuigen en de namens verdachte door medeverdachte ingediende tekening bij de aankondiging van de aanleg van de springweide, volgt dat met de aanduiding ‘perceel adres 2 ’ bedoeld wordt het erf rondom de woning gelegen aan de adres 2 waar de springweide is aangelegd. De grenzen van dit erf zijn duidelijk herkenbaar. De rollen kunststof grasmatten hebben op dit erf gelegen. De kunststof grasmatten zijn afkomstig van sportclubs die zich van die grasmatten hebben ontdaan en zijn daarna gedurende jaren opgeslagen aan het als adres 2 aangeduide perceel, waarmee ten aanzien van deze opgeslagen matten - hetgeen door de raadsman ook niet is betwist - sprake is van afvalstoffen in de zin van de Wet Milieubeheer.

Daarmee acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat er in of op perceel adres 2 een inrichting voor het opslaan van meer dan 35 kubieke meter van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen, zijnde een inrichting genoemd in Bijlage I, onder II van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, in werking was in de tenlastelegging genoemde periode.

Naar het oordeel van de rechtbank is het, op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, verdachte geweest die in een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte deze inrichting in werking heeft gehad. medeverdachte spreekt in zijn verklaringen over hemzelf en over ‘wij’ en zegt dat hij de wet heeft overtreden ten aanzien van de opslag van het kunstgras. medeverdachte heeft het uiteindelijk ook laten verwijderen en hij was ook, als enig feitelijk bestuurder, verantwoordelijk. Verdachte is eigenaar van het van adres 2 deel uitmakende kadastrale perceel nr. perceel 2, waarop een gedeelte van de kunststof grasmatten lag. Het is ook verdachte geweest die melding heeft gemaakt van de aanleg van de springweide op adres 2, waar ook de kunststof grasmatten lagen, en het is ook verdachte die wordt genoemd als opdrachtgever op de bijgevoegde tekening.

Het subsidiaire inhoudelijke verweer van de raadsman behoeft geen bespreking omdat de tenlastelegging alleen ziet op de opslag ( het opgeslagen zijn) van het kunstgras.

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank de verweren van de raadsman en acht zij wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 1 ten laste is gelegd.

Feit 2

In juni 2004 heeft verdachte van bedrijf 5 een hal aan de adres 4 in Barneveld gekocht met de daarin opgeslagen hoeveelheid (asfalt)granulaat. Volgens de factuur betreffende de overname van het granulaat betrof het 41.000 ton. In 2005 is een grote hoeveelheid van het in de hal aan de Hanzeweg opgeslagen granulaat gestort op of nabij het perceel aan de adres 2, nadat de bovenste laag grond daar was afgegraven. medeverdachte, via bedrijf 2 ., feitelijk bestuurder van verdachte, heeft hiertoe opdracht gegeven.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich, samen met medeverdachte, schuldig heeft gemaakt aan dit feit. De officier van justitie heeft daartoe betoogd dat voor de vraag of sprake is van afval bepalend is de manier waarop de ontdoener, verdachte, daarmee omgaat. Volgens de officier van justitie volgt uit het dossier dat het asfalt op de locatie van adres 2 is gestort omdat verdachte dit op dat moment kwijt moest.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte van het tenlastegelegde vrij te spreken omdat niet bewezen kan worden dat verdachte zich heeft ontdaan van een afvalstof. In de hal lag zogenaamd Ecogranulaat dat eerder al door bedrijf 5 thermisch was gereinigd waardoor het asfalt een behandeling heeft ondergaan voor een nuttige toepassing en daarmee zijn afvalstatus heeft verloren. Aan alle criteria die daarvoor genoemd worden in de Afvalstoffenrichtlijn 2008/98/EG en die overgenomen zijn door de Hoge Raad, is immers voldaan. Verdachte heeft zich niet ontdaan van dit Ecogranulaat maar dit gebruikt op de wijze waar het ook voor bedoeld is, namelijk als bodemverharder.

Beoordeling door de rechtbank

(Uitleg van) de toepasselijke wet-, en regelgeving

Centraal staat de vraag of het granulaat een afvalstof betreft.

De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad zich heeft aangesloten bij de uitleg van het begrip afvalstoffen van het Hof van Justitie van de Europese Unie, (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 14 december 2004, LJN AR4900, het arrest van de Hoge Raad van 4 oktober 2005, LJN AT3643 en ook de hiervoor genoemde arresten uit 2013). Uit deze arresten is af te leiden dat centraal staat de vraag of sprake is van een stof waarvan de (eerste) houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. De term 'zich ontdoen van' moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van de doelstelling van de richtlijn, namelijk de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu tegen schadelijke gevolgen veroorzaakt door het ophalen, het transport, de behandeling, de opslag en het storten van afvalstoffen. Het begrip afvalstof dient derhalve niet restrictief te worden uitgelegd.

Voorwerpen waarvan de houder zich ontdoet of voornemens is zich te ontdoen zijn afvalstoffen, ongeacht of zij bijvoorbeeld substantiële waarde hebben in het economisch verkeer of op zichzelf voor hergebruik geschikt zijn, en blijven dat totdat zij de status van afvalstof hebben verloren.

De Hoge Raad heeft in het arrest van 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1571, overwogen dat bij de beantwoording van de vraag of stoffen niet langer afvalstoffen zijn (de ‘einde-afval fase’), de maatstaf aangelegd moet worden zoals omschreven door het Hof van Justitie.

In zijn uitspraak van 15 juni 2000, HvJ EG 15 juni 2000, zaken C-418/97 en C-419/97, LJN AL2947, AB 2000/311 (ARCO) heeft het Hof van Justitie de 'einde-afval fase' omschreven als het moment waarop de nuttige toepassing is voltooid en waardoor de betrokken stof dezelfde eigenschappen en kenmerken als een grondstof heeft verkregen (par. 94). In zijn uitspraak van 19 juni 2003, HvJ EG 19 juni 2003, zaak C-444/00, LJN AM0820 (Mayer Parry), heeft het Hof van Justitie overwogen dat bij omvorming van afval tot een nieuw materiaal of een nieuw product, met eigenschappen die vergelijkbaar zijn met die van het materiaal waar zij uit voortkomen, dit resultaat van de omvorming niet langer als afval kan worden gekwalificeerd (par. 75).

Bewijsoverwegingen

Medeverdachte heeft ter terechtzitting van 3 september 2015 verklaard dat bedrijf 5 het granulaat had opgeslagen in de hal aan de adres 4 omdat zij het niet kwijt konden. Naam 7, algemeen directeur van bedrijf 5, wilde de hal met inhoud verkopen omdat hij het anders terug moest halen naar hun terrein in Utrecht. medeverdachte heeft verklaard dat het hen met name te doen was om de hal. Verdachte heeft voor de hal met inhoud een totaalbedrag betaald. Dit is gebeurd in verband met de overeenkomst en omdat bedrijf 5 met het granulaat in haar maag zat. medeverdachte heeft verklaard dat het niet veel uit had gemaakt of er wel of geen granulaat in de hal zat omdat zij de hal wilden en daar ook andere gegadigden voor waren. Als het granulaat er niet in had gelegen had er voor de hal hetzelfde bedrag moeten worden betaald als nu was betaald voor het totaal. Meteen toen de hal is gekocht is er door hen een vergunning aangevraagd om een grondreinigingsfabriek te mogen bouwen.

Tegenover de politie heeft medeverdachte verklaard dat hij zich voor kan stellen dat het wegrijden van het granulaat door bedrijf 5, bedrijf 5 geld had gekost. bedrijf 5 had er belang bij dat zij de partij overnamen. Het was in feite één deal, de aankoop van de hal en het daarin liggende granulaat. Het één kost geld en het ander moet je betalen. medeverdachte verklaart dat hij aanneemt dat ze iets teveel hebben betaald voor één ten gunste van het ander. Een versoepeling van de deal. medeverdachte verklaart ook dat zij het granulaat uit de hal aan de Hanzeweg verwijderd wilden hebben omdat ze de hal na aankoop wilden renoveren. Het granulaat lag daar in de weg, de hal werd onder andere voorzien van een nieuw dak.

Naam 4, beheerder van de stortplaats adres 3 en van de recycling hal van de Hanzeweg in Barneveld, heeft verklaard dat medeverdachte de hal met daarin asfalt gekocht heeft van bedrijf 5. Het was een koop in één. naam 4 verklaart dat het asfalt in de weg lag omdat zij andere doeleinden hadden met de hal. Het moest dus opgeruimd worden. In opdracht van Henk medeverdachte en Wim naam 1, de chef van naam 4, is het asfalt verwijderd uit de hal. De grond bij de adres 2 is eruit geschoven en het asfalt erin gereden. naam 4 heeft dit werk uitgevoerd. Er was op dat moment geen doel voor het aanbrengen van het asfalt, behoudens het feit dat het toch industrieterrein zou worden.

Naam 5, projectleider recycling bij verdachte, heeft verklaard dat hij degene is geweest die aan de paardenbak heeft gewerkt bij de Wencopperweg in Barneveld. Hij heeft verklaard dat het granulaat destijds weg moest uit de hal omdat de hal door medeverdachte opgeknapt werd. Toen hij de eerste werkzaamheden uitvoerde aan de paardenbak in 2009 lag het granulaat daar reeds enkele jaren.

Uit voornoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat bedrijf 5 van het granulaat af wilde en het verdachte ging om de aankoop van de hal en dat, om de hal op te kunnen knappen, het granulaat daar weg moest. Dit wordt nog eens ondersteund door het gegeven dat door bedrijf 4 op 22 oktober 2014 een vergunning is aangevraagd voor een inrichting voor het, in de loods aan de adres 4, inzamelen en op-, en overslaan van (afval)stoffen om deze, na een eventuele bewerking, geschikt te maken voor hergebruik en deze daarna in bulkvorm af te voeren. De vergunning is ondertekend door medeverdachte. De oprichtingsvergunning is afgegeven op 4 oktober 2005. De provincie Gelderland heeft in december 2004 laten weten dat er sinds 25 oktober 2004 geen geldige milieuvergunning meer was en dat de hal leeg moet zijn.

Medeverdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het granulaat in de grond bij adres 2 is gestort met, toen al, het doel daar een paardenbak te maken. De rechtbank acht dit niet aannemelijk geworden. medeverdachte heeft ter terechtzitting deze stelling niet kunnen onderbouwen met een uitgewerkt plan uit die periode. naam 6 en naam 4 wisten destijds in ieder geval ook niets van dit plan. Uit het dossier volgt bovendien dat in juli 2007 verdachte pas een brief heeft geschreven aan de gemeente waarin de aanleg van de springweide wordt aangekondigd. Het granulaat lag er toen al enkele jaren.

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn betoog dat het granulaat, reeds toen het in de hal lag, zijn afvalstatus had verloren. Voor de rechtbank staat onvoldoende vast dat het granulaat thermisch gereinigd was. Weliswaar bevinden zich in het dossier keuringsrapporten van een partij thermisch gereinigd TAG (teerhoudend asfaltgranulaat) maar het dossier bevat onvoldoende gegevens om vast te kunnen stellen dat dit ook de partij is die in opdracht van verdachte in de grond van adres 2 is gestort. Daarbij heeft de rechtbank mede gelet op het zich in het dossier bevindende mailbericht van de heer naam 6 van de Provincie Gelderland van 2 februari 2005 waarin hij de heer Eijsackers laat weten dat hij die ochtend bij de locatie aan de Hanzeweg in Barneveld is geweest en geconstateerd heeft dat er volop met TAG werd gereden dat gestort werd op het terrein tegenover de stortplaats en dat ze bezig zijn met het opknappen van de hal.

Conclusie

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen hiervoor onder de feiten is weergegeven, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich, in een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte, in 2005 opzettelijk van afvalstoffen heeft ontdaan.

Bewezenverklaring

Feit 1: Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, tweede lid in verbinding met artikel 8.1, eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, gepleegd door een rechtspersoon.

Feit 2: Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, gepleegd door een rechtspersoon.

Strafoplegging

Geldboete van €25.000 waarvan €12.500 voorwaardelijk.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Rechtbank Gelderland 17 september 2015, , ECLI:NL:RBGEL:2015:6411

De feitelijk bestuurder van de vennootschap wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van €12.500.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

OM-cassatie m.b.t. artikel 13 Wet bodembescherming

Hoge Raad 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2976 Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

"hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 augustus 2010 tot en met 10 september 2010 te Kessel en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, op of in de bodem handelingen heeft verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 van de Wet bodembescherming (WBB), door -zakelijk weergegeven- (paarden)mest op te slaan op de bodem en/of in een op de bodem geplaatste container, zonder een absorberende laag onder die mest aan te brengen en/of die mest (voldoende) af te dekken, terwijl hij wist of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast en hij, hoewel daartoe verplicht, niet alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van hem konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen en/of op het moment dat die verontreiniging en/of aantasting zich voordeed, de verontreiniging en/of de aantasting en de directe gevolgen daarvan niet heeft beperkt en/of zoveel mogelijk ongedaan heeft gemaakt."

Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, Economische Kamer, heeft bij arrest van 10 september 2013 de verdachte vrijgesproken van het hem tenlastegelegde overtreden van art. 13 van de Wet bodembescherming.

Het Hof heeft de vrijspraak als volgt gemotiveerd:

"Uit het dossier blijkt onder meer het volgende.

Op 17 augustus 2010 is door verbalisant [verbalisant 1] geconstateerd dat verdachte een (niet afgedekte) container op zijn terrein had staan en dat deze container aan de voorzijde, nabij de deuren, perculaatwater lekte op de klinkerbestrating, waarbij [verbalisant 1] vermoedde dat het perculaatwater uit mest was. Voorts werd door hem die dag geconstateerd dat er losse paardenmest op de klinkerbestrating was geplaatst.

Op 24 augustus 2010 en 26 augustus 2010 werd geconstateerd dat de situatie, zoals die op 17 augustus 2010 was aangetroffen bij verdachte, niet was veranderd. Op 24 augustus 2010 werd door verbalisant [verbalisant 2] geconstateerd dat een bruinachtige vloeistof vanuit de op de klinkers geplaatste berg paardenmest de grond in sijpelde en tevens dat vanuit de container een bruinachtige vloeistof, waarvan het vermoeden bestond dat het een stof was afkomstig uit mest, op de klinkerbestrating liep.

Op 2 september 2010 was voornoemde situatie nog niet veranderd en bij een op 10 september 2010 verrichtte controle evenmin.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij inderdaad paardenmest op zijn terrein had opgeslagen in een niet afgedekte container, die op de klinkerbestrating stond, en dat hij tevens paardenmest direct op de klinkerbestrating heeft geplaatst omdat de container vol was. Voorts heeft verdachte verklaard dat er vloeistof uit de container sijpelde. Verdachte heeft desgevraagd verklaard dat hij bij het aanleggen van de klinkerbestrating onder de klinkerbestrating een puinlaag heeft laten aanbrengen.

De tenlastelegging is toegesneden op "op of in de bodem handelingen verrichten".

Art. 1 van de Wet bodembescherming definieerde "bodem" ten tijde van het ten laste gelegde als volgt:

'het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen'.

Het hof stelt vast dat verdachte de paardenmest niet direct op de 'bodem' had opgeslagen, maar deels in een container die was geplaatst op de klinkerbestrating van zijn terrein en deels op deze klinkerbestrating zelf. Tussen de bodem en de klinkerbestrating bevond zich echter een puinlaag, naar zeggen van de verdachte. Dit acht het hof niet onaannemelijk. Over de samenstelling noch over de dikte van deze puinlaag heeft het hof gegevens. Voor het hof staat om die reden niet buiten enige mate van redelijke twijfel vast of door de handelingen van verdachte de bodem zoals bedoeld in de wet, kon worden verontreinigd en/of aangetast, laat staan dat verdachte dat wist of redelijkerwijs had kunnen vermoeden. Gelet daarop acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken."

Middel

Het middel richt zich tegen de gegeven vrijspraak en tegen de uitleg die het Hof heeft gegeven over het begrip “bodem” in de zin van art. 1 Wet bodembescherming.

Beoordeling Hoge Raad

Voor zover het middel klaagt dat het Hof door te oordelen dat de puinlaag geen onderdeel uitmaakt van de bodem als bedoeld in de Wet bodembescherming blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, is het tevergeefs voorgesteld. Aan de klacht ligt ten grondslag de opvatting dat een puinlaag die de onderlaag vormt voor bestrating ongeacht de samenstelling en dikte daarvan onderdeel uitmaakt van de bodem als bedoeld in de Wet bodembescherming. Die opvatting is onjuist (vgl. ABRvS 9 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC1508).

Voor zover het middel klaagt dat 's Hofs oordeel dat niet buiten enige mate van redelijke twijfel vast staat of door de handelingen van de verdachte de bodem zoals bedoeld in de Wet bodembescherming, kon worden verontreinigd en/of aangetast onbegrijpelijk is, is het eveneens tevergeefs voorgesteld. In aanmerking genomen dat niets vastgesteld is kunnen worden omtrent de samenstelling en de dikte van de puinlaag is het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk en is het toereikend gemotiveerd.

Voor zover het middel een beroep doet op het Besluit landbouw milieubeheer faalt dat eveneens nu de tenlastelegging niet is toegesneden op de naleving van enige bepaling van dat Besluit.

Het middel faalt.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^