Toepassing art. 9a Sr inzake het onthouden van de nodige verzorging van vee en niet voldoen aan R&I. OvJ en buitengewone opsporingsambtenaren hebben belangrijke strafvorderlijke regels genegeerd.

Rechtbank Noord-Nederland 22 oktober 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:4891 Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het onthouden van zijn dieren van de nodige verzorging en zich niet gehouden aan de regels omtrent de registratie en identificatie van die dieren. 

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De economische politierechter heeft het volgende vastgesteld. Ter gelegenheid van de behandeling van de gevoegde zaken tegen verdachte d.d. 18 juni 2015, heeft de officier van justitie ter zitting aangekondigd het bedrijf van verdachte aan ‘een nadere controle te onderwerpen’. De officier van justitie heeft toen ook toegezegd daarover te zijner tijd een proces-verbaal van de ‘nadere controle’ te doen opmaken en dit aan het dossier toe te voegen. Op verzoek van de officier van justitie is de behandeling van de strafzaken voor bepaalde tijd aangehouden, te weten tot de zitting van 8 oktober 2015.

Tijdens de voortgezette behandeling van de gevoegde strafzaken tegen verdachte op 8 oktober 2015, is gebleken dat geen proces-verbaal van de ‘nadere controle’ van verdachte’s bedrijf is opgemaakt. De economische politierechter heeft kennis genomen van een e-mail die door de officier van justitie kort voor de aanvang van de behandeling van de zaken is verzonden aan de economische politierechter en aan diens griffier. Uit die e-mail blijkt dat de officier van justitie en een of meerdere buitengewone opsporingsambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en warenautoriteit (hierna NVWA) op 24 augustus 2015 kennelijk een ‘controle’ in het veehouderijbedrijf van verdachte hebben uitgevoerd. Tevens blijkt uit bedoelde e-mail dat op 7 oktober 2015 door twee buitengewone opsporingsambtenaren van de NVWA andermaal een controle in verdachte’s bedrijf is uitgevoerd. Aan de e-mail van de officier van justitie d.d. 8 oktober 2015 is een kopie gehecht van een mail die is opgesteld door de opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] en die daarin beknopt verslag doen van hun bevindingen d.d. 7 oktober 2015, waaronder een weergave van een verklaring van verdachte. Ter zitting heeft de officier van justitie, in antwoord op de vraag van de economische politierechter, verklaard dat er, anders dan hij tijdens de eerdere behandeling van de strafzaak heeft aangegeven, geen aanvullend proces-verbaal is opgemaakt.

Met betrekking tot het voorgaande overweegt de economische politierechter als volgt.

De aanwezigheid van de officier van justitie en van een of meerdere buitengewone opsporingsambtenaren van de NVWA in het bedrijf van verdachte, d.d. 24 augustus 2015, kan, naar het oordeel van de economische politierechter, gelet op het doel waarmee de officier van justitie het bedrijf heeft bezocht, bezwaarlijk anders dan als een schouw in de zin van artikel 151 Sv worden gezien. Zoals de officier van justitie zowel ter zitting d.d. 18 juni 2015 als ter zitting van 8 oktober 2015 heeft verklaard, was het kennelijk zijn bedoeling om na te gaan of de zijns inziens strafbare situatie in en rond de stallen van het vee van verdachte, nog steeds zou voortduren dan wel of een verbetering in de situatie vastgesteld kon worden. Aangezien het doel van de aanwezigheid van de officier van justitie en de ambtenaren van de NVWA in het bedrijf van verdachte kennelijk was (de beantwoording van) de vraag of de verdenking voortduurde, was de handeling van en onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie, gelet op de fase waarin het strafgeding tegen verdachte toen verkeerde, naar het oordeel van de economische politierechter een opsporingshandeling. Zij was immers gericht was op het ophelderen en het afdoen van strafbare feiten. De inzet van dit dwangmiddel, dat op grond van artikel 25 WED ook in economische strafzaken ingezet kan worden, is omgeven met diverse waarborgen zoals weergegeven in artikel 151 lid 2 en 3 Sv, teneinde degene die aan dit dwangmiddel wordt onderworpen, de gelegenheid te geven gedurende en naar aanleiding van de schouw datgene aan te voeren dat de bevindingen van de officier van justitie gedurende de schouw in een ander licht kan plaatsen.

De economische politierechter heeft vastgesteld dat de officier van justitie de raadsman van verdachte niet schriftelijk in kennis heeft gesteld van de voorgenomen schouw op 24 augustus 2015. Ter zitting heeft de raadsman desgevraagd meegedeeld dat hij niet van de schouw op de hoogte was gesteld. De raadsman heeft de schouw dan ook niet bijgewoond. Gesteld noch gebleken is dat het onderzoeksbelang in de weg stond aan de aankondiging van de schouw aan de raadsman en de verdachte.

Daarnaast is de economische politierechter niet gebleken dat van de door de officier van justitie gebezigde opsporingshandeling een proces-verbaal is opgemaakt. Naar het oordeel van de economische politierechter strijdt het nalaten ervan in deze omstandigheid met het bepaalde in artikel 152 lid 1 Sv, terwijl niet door de officier van justitie is gesteld, noch dat zulks gebleken is, dat artikel 152 lid 2 Sv in de onderhavige situatie van toepassing was. Het op 8 oktober 2015 alleen aan de economische politierechter en diens griffier en niet aan de raadsman van verdachte, verzonden en informeel getoonzette e-mail, kan niet als proces-verbaal als bedoeld in artikel 152 Sv worden aangemerkt, terwijl niet gezegd kan worden dat deze e-mail voldoet aan de eisen van artikel 153 Sv.

Van de kennelijk door de ambtenaren van de NVWA op 7 oktober 2015 verrichte handelingen in het bedrijf van verdachte, is, zo heeft de economische rechter vast gesteld, evenmin een proces-verbaal opgemaakt. De kennelijk verrichte handelingen zijn genoteerd in een e-mail d.d. 7 oktober 2015, die is gericht aan de officier van justitie. De ‘bijlagen’ waarnaar verwezen wordt, zijn niet ter kennis van de economische politierechter noch van de raadsman gekomen. Naar het oordeel van de economische politierechter is deze e-mail niet te beschouwen als een proces-verbaal in de betekenis van artikel 152 Sv, terwijl bedoelde e-mail niet is opgemaakt conform het bepaalde in artikel 153 Sv. In deze situatie is evenmin vastgesteld dat artikel 152 lid 2 Sv van toepassing was. De economische politierechter stelt vast, dat deze e-mail van de ambtenaren evenmin naar de raadsman van verdachte is gestuurd. De economische politierechter merkt daarnaast op dat de in de mail van de ambtenaren weergegeven verklaring van verdachte, niet lijkt te zijn voorafgegaan door de cautie, op grond waarvan de economische politierechter het ervoor houdt dat deze, in strijd met het bepaalde in artikel 29 lid 2 Sv, niet is gegeven aan verdachte. Nu zijn verklaring als weergegeven heeft te gelden als een verklaring van verdachte over diens betrokkenheid bij vermeend begane strafbare feiten, had verdachte op zijn recht als bedoeld in artikel 29 lid 2 Sv gewezen moeten worden.

De economische politierechter is op grond van het bovenstaande van oordeel dat, door de wijze waarop de officier van justitie in het onderhavige geval de schouw heeft uitgevoerd en doordat zowel hij als de opsporingsambtenaren hebben nagelaten een proces-verbaal op te maken van hun bevindingen, terwijl in beide gevallen de raadsman niet op de hoogte gesteld is van het een en ander, er gesproken kan worden van meerdere ernstige en onherstelbare vormverzuimen. Daarmee heeft de officier van justitie in strijd met artikel 151 Sv en artikelen 152 en 153 Sv gehandeld en hebben de buitengewone opsporingsambtenaren van de Nederlandse voedsel- en warenautoriteit evenzeer in strijd met voormelde bepalingen gehandeld. Daarnaast is artikel 29 lid 2 Sv niet nageleefd. Derhalve is er sprake van meerdere schendingen van wezenlijke vormvoorschriften.

Het belang van voormelde bepalingen omvat de bescherming van de verdachte tegen onrechtmatig overheidsoptreden, waaronder het de verdachte wijzen op zijn recht te zwijgen alvorens hij verhoord wordt. Een ander wezenlijk belang van de betreffende voorschriften is het bevorderen van de transparantie van het handelen van justitie en opsporingsambtenaren opdat deze in hun doen en laten achteraf gecontroleerd kunnen worden. Deze belangen zijn zowel door de officier van justitie en door de buitengewone opsporingsambtenaren tijdens hun bezoek aan het bedrijf van verdachte niet dan wel onvoldoende in acht genomen. Daardoor kan naar het oordeel van de economische politierechter gesproken worden van ernstige verzuimen, welke niet te herstellen zijn. De ernst van voormelde verzuimen vloeit in het onderhavige geval tevens voort uit het feit dat verdachte als - zo heeft de economische politierechter ter zitting vastgesteld, maar ook de officier van justitie heeft aangegeven dit gemerkt te hebben - kwetsbaar persoon zich plotseling geconfronteerd wist met de officier van justitie en ambtenaren van de NVWA, en doordat de raadsman zijn cliënt tijdens de bezoeken niet heeft kunnen bijstaan.

De economische politierechter ziet zich voor de vraag gesteld welk rechtsgevolg in de onderliggende strafzaak aan de vastgestelde combinatie van deze vormverzuimen verbonden moet worden. Aan de beantwoording van die vraag gaat de vraag vooraf of, en zo ja: in hoeverre de verdachte in zijn verdedigingsbelang is geschaad door de verzuimen, meer in het bijzonder: of daardoor tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijk proces. De economische politierechter overweegt hierover als volgt.

Op een onderdeel van de opsporing is, naar het oordeel van de economische politierechter, door de handelwijze van de officier van justitie en die van de opsporingsambtenaren met veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort gedaan aan diens recht op een eerlijk proces. De economische politierechter stelt evenwel vast dat, de gehele procedure overziende, de verdachte zijn aanspraak op een eerlijk proces heeft kunnen waarmaken, doordat de verdachte ter zitting al datgene kon aanvoeren wat tot zijn verdediging strekte. Op grond daarvan ligt de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie als einduitspraak in het onderhavig geval niet in de rede. De economische politierechter heeft voorts vastgesteld dat de officier van justitie datgene wat hij en de opsporingsambtenaren, naar aanleiding van hun bezoek aan het bedrijf van verdachte kennelijk hebben ondervonden, niet heeft mee laten wegen in zijn oordeel dat ten aanzien van de tenlastegelegde feiten de economische politierechter tot een bewezenverklaring zou kunnen komen. De economische politierechter zal de inhoud van de e-mail van de officier van justitie en datgene wat hij ter zitting heeft aangevoerd over zijn bevindingen van zijn bezoek aan het bedrijf van verdachte d.d. 24 augustus 2015 buiten beschouwing laten.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat alle ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat op grond van de constateringen door verbalisanten, zoals deze zijn neergelegd in de zich in het dossier bevindende processen-verbaal, en de bekennende verklaring van verdachte is komen vast te staan dat de dieren van verdachte onvoldoende over een schone en droge ligplaats konden beschikken en dat de betreffende runderen, geiten en schapen niet waren geregistreerd en geïdentificeerd zoals is voorgeschreven in de Regeling identificatie en registratie van dieren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte deels moet worden vrijgesproken van het onder parketnummer 84/104164-14 onder 1 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte de schapen heeft afgemeld, maar dat hier bij de registratie daarvan iets mis is gegaan.

Met betrekking tot de dieren niet voorzien van een schone en droge ligplaats, zoals onder beide parketnummers onder feit 2 is tenlastegelegd, heeft de raadsman aangevoerd dat de handelwijze van verdachte zo is dat hij de dieren eerst voert en deze vervolgens mest produceren. Dan brengt hij de dieren naar buiten en maakt hij de stallen schoon. Als de controle door de NVWA plaats vindt als verdachte de dieren nog moet voeren, klopt het dat op dat moment de dieren niet kunnen beschikken over een schone en droge ligplaats. Als de dieren weer naar binnen worden gehaald, komen zij in een schone stal. Dit heeft verdachte ook bedoeld in zijn verklaring dat de controleurs te vroeg kwamen. Verdachte ziet dit handelen als een diervriendelijke oplossing. De raadsman heeft zich met betrekking tot een bewezenverklaring van deze feiten gerefereerd aan het oordeel van de economische politierechter.

Beoordeling rechtbank

Op grond van de bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 84/247120-154 onder 1 en 2 en parketnummer 84/104164-14 onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

Onder parketnummer 84/247120-14:

  • Feit 1: Overtreding van voorschriften gesteld krachtens artikel 96 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan
  • Feit 2: Als houder van dieren aan die dieren de nodige verzorging onthouden.

Onder parketnummer 84/104164-14:

  • Feit 1: Overtreding van voorschriften gesteld krachtens artikel 105, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan
  • Feit 2: Als houder van dieren aan die dieren de nodige zorg onthouden.

Strafoplegging

Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het onthouden van zijn dieren van de nodige verzorging en zich niet gehouden aan de regels omtrent de registratie en identificatie van die dieren. Verdachte is deels niet zelfstandig in staat de wijzingen in het I&R in te voeren. Dat blijkt ook uit de verklaring van verdachte ter zitting dat zijn zoon inmiddels die registratie heeft overgenomen. Ten aanzien van het oormerken van de geiten heeft verdachte zich op het standpunt gesteld dat hij dit dierenmishandeling vindt. Verdachte is echter onverminderd gehouden de toepasselijke wettelijke bepalingen na te leven zolang voor alternatieve en meer diervriendelijke methoden in de regelgeving geen ruimte wordt geboden. De bewezenverklaarde feiten zijn ernstige feiten en de economische politierechter rekent deze verdachte ook zwaar aan.

Aan de andere kant is er een en ander niet volgens de juiste strafvorderlijke procedures verlopen. De economische politierechter stelt vast dat de officier van justitie en de buitengewone opsporingsambtenaren, door hun hierboven weergegeven handelwijze, belangrijke strafvorderlijke regels hebben genegeerd. Hoewel niet gezegd kan worden dat daardoor het wettelijk systeem in de kern is geraakt, overweegt de economische politierechter dat er naar zijn oordeel zonder meer sprake is van een verwijtbare en ernstige inbreuk op fundamentele regels die beogen de verdachte in zijn recht op een eerlijk proces te beschermen.

De economische politierechter is van oordeel dat deze aanzienlijke vormverzuimen die zich hebben voorgedaan, aanleiding geven om tot een schuldigverklaring van de strafbare feiten te komen, maar geen straf of maatregel daarvoor op te leggen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF