Veroordelingen naar aanleiding van uitvoeren asbestsaneringswerkzaamheden

Rechtbank Midden-Nederland 25 februari 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:5262 In juni en juli 2011 zijn in diverse woningen te Hilversum asbestsaneringswerkzaamheden verricht door of in opdracht van bedrijf 1 BV. Deze werkzaamheden bestonden uit het verwijderen van asbesthoudende beplating vanuit zolders en garages. Bedrijf 2 heeft de eindcontroles, visuele inspecties, luchtmetingen en vrijgaven van de containments in de woningen en de garages gedaan.

Op 12 juli 2011 heeft de arbeidsinspectie op bovengenoemde locatie onderzoek verricht op grond van de Arbeidsomstandighedenwet. Hierbij werden onregelmatigheden aangetroffen. Naar aanleiding van het onderzoek door de arbeidsinspectie heeft de gemeente Hilversum op 13 en 14 juli 2011 onderzoek ter plaatse verricht. Bij dit onderzoek werd in een aantal woningen asbesthoudend materiaal aangetroffen. Dit heeft ertoe geleid dat bedrijf 3 in opdracht van de gemeente Hilversum de door bedrijf 2 vrijgegeven zolders en garages heeft onderzocht op onder meer de aanwezigheid van visueel waarneembare restanten asbest. Tevens zijn er in de woningen en garages kleefmonsters genomen door bedrijf 3.

Verdachte is door bedrijf 2 ingehuurd als laborant/inspecteur. Hij is die hoedanigheid verantwoordelijk voor de vrijgaven van diverse containments conform de NEN 2990 (2005) norm. Een vrijgave conform NEN 2990 (2005) bestaat uit twee onderdelen. Eerst wordt een visuele inspectie verricht. Indien hierbij geen asbestresten worden aangetroffen, vinden vervolgens luchtmetingen plaats. In het geval bij de luchtmetingen eveneens geen asbest wordt aangetroffen kan een ruimte worden vrijgegeven.

Ingevolge NEN 2990 (2005) is het niet toegestaan dat delen waaruit of waarvan asbesthoudend materiaal (niet-hechtgebonden amosiet) is verwijderd worden afgeplakt en voor inspectie worden uitgesloten. In dat geval mag er niet worden vrijgegeven.

Verdenking

  • Feit 1: verdachte inspectieformulieren “eindcontrole na sanering asbest” en rapportages lucht-eindcontrole containment valselijk heeft opgemaakt of vervalst;
  • Feit 2 primair: verdachte in vereniging met een ander of anderen opzettelijk en wederrechtelijk in woningen en/of garages asbest(vezels) op en/of in de bodem en /of lucht heeft gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor bewoners van die woningen en/of andere aanwezigen te duchten was;
  • Feit 2 subsidiair: in vereniging met een ander of anderen het aan de schuld van verdachte te wijten is dat in woningen en/of garages asbest(vezels) in de bodem en/of lucht werden gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor bewoners van die woningen en/of andere aanwezigen te duchten was.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte van de ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 1

Verdachte heeft met betrekking tot diverse woningen en garages te Hilversum inspectieformulieren “eindcontrole na sanering asbest” en rapportages lucht-eindcontrole containment opgemaakt. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze stukken opzettelijk valselijk heeft opgemaakt dan wel heeft vervalst. Uit de processtukken blijkt niet dat verdachte doelbewust iets anders in voormelde stukken heeft vermeld dan hij heeft waargenomen. De rechtbank zal verdachte daarom van dit feit vrijspreken.

Vrijspraak feit 2 primair

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de opzet van verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, erop was gericht om asbest en/of asbestvezels in de bodem en/of lucht te brengen. Verdachte zal daarom van feit 2 primair worden vrijgesproken.

Partiële vrijspraak feit 2 subsidiair

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit in nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen heeft gepleegd. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het medeplegen van dit feit.

De rechtbank acht verdachte wel verantwoordelijk voor het missen van de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal op de plekken waar bedrijf 3 asbestrestanten heeft aangetroffen.

Asbest

De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de deskundigheid van bedrijf 3 te twijfelen en gaat ervan uit dat hetgeen bedrijf 3 als asbest kwalificeert, daadwerkelijk asbest is.

Is het asbest afkomstig van een eerdere asbestsanering?

Bedrijf 3 heeft asbesthoudend materiaal visueel waargenomen op plekken waar bedrijf 2 binnen de containments asbesthoudend plaatmateriaal heeft gesaneerd dan wel in de directe nabijheid hiervan.

Volgens de ter zitting gehoorde asbestdeskundige is juist op de bouwdelen waarop de asbesthoudende platen bevestigd zijn geweest de kans op het aantreffen van restanten op ruwe balken, spijker- of schroefgaten het grootst.

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de asbestrestanten op de in de bewijsmiddelen genoemde plekken daar terecht zijn gekomen door een eerdere asbestsanering.

Schuld

De rechtbank is van oordeel dat verdachte de visuele inspecties en vrijgaven onvoldoende zorgvuldig heeft uitgevoerd. Verdachte had de door bedrijf 3 gevonden asbestrestanten in zijn hoedanigheid als laborant/inspecteur moeten waarnemen. Verdachte was er als laborant/inspecteur voor opgeleid en getraind om dergelijk materiaal te zien. Voor zover het bij de in de bewijsmiddelen genoemde asbestrestanten gaat om restanten die zich volgens verdachte achter afplaktape of folie bevonden, geldt dat deze asbestrestanten zijn aangetroffen op of direct naast de bouwdelen waarvan het asbesthoudend plaatmateriaal is verwijderd. Verdachte had het containment niet mogen vrijgeven zonder deze afgeplakte/afgedekte delen te inspecteren.

Te duchten gevaar

De gevaren van onbeschermde blootstelling aan losse asbestvezels zijn algemeen bekend. Indien losse asbestvezels worden ingeademd lopen zij vast in de kleine luchtwegen en longblaasjes. Als gevolg hiervan kunnen verschillende asbestziekten ontstaan. De meeste ziekten zijn niet of nauwelijks te genezen.

Uit het rapport van J. Tempelman, voornoemd, blijkt dat vanuit zichtbare restanten asbesthoudend materiaal vezels in de lucht terecht kunnen komen. Dit geldt voor niet-hechtgebonden amosiet in het bijzonder vanwege de stugge structuur van de vezel. Een beperkte mechanische kracht is nodig om amosietvezels uit brandwerend board (amosiet board) vrij te maken. Activiteiten zoals vegen, schoonmaken, goederen verplaatsen, stofzuigen zijn daarvoor voldoende.

Het grootste risico van achterblijvende asbestresten bestaat uit het verslepen via schoeisel naar ruimten waar men langdurig verblijft. Als gevolg van deze secundaire emissie kan een langdurige blootstelling optreden omdat vanuit deze resten door allerlei activiteiten steeds opnieuw vezels in de lucht worden gebracht (resuspensie). Juist om deze reden vormt de visuele inspectie op asbestresten een cruciaal onderdeel van de eindcontrole na sanering (vrijgave) zoals beschreven in de norm NEN 2990 (2005).

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat als gevolg van het handelen van verdachte gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor bewoners van de bewuste woningen en/of andere daar aanwezigen te duchten was.

In verschillende woningen is op diverse data asbesthoudend plaatmateriaal tegen het dak verwijderd. Hierna heeft verdachte de containments in deze woningen vrijgegeven. Bedrijf 3 heeft in de betreffende woningen visueel asbestrestanten aangetroffen op onder meer de volgende locaties:

  • nummer: op het traphek en in de sponning van het traphek;
  • nummer: op het traphek en in de sponning van het traphek;
  • nummer: op het traphek;
  • nummer: de sponning van het traphek en rondom de spijkers in het traphek;
  • nummer: op het traphek en rondom de spijkers op het traphek.

Hoewel in deze woningen geen plaatmateriaal van het traphek is verwijderd, acht de rechtbank de verdachte wel verantwoordelijk voor het missen van de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal op de plekken waar bedrijf 3 asbestrestanten heeft aangetroffen. Het traphekje zat immers telkens in het containment, de ruimte die verdachte visueel diende te inspecteren op asbestresten.

Bewezenverklaring

Feit 2 subsidiair: Het aan zijn schuld te wijten zijn, dat wederrechtelijk een stof op of in de bodem of in de lucht wordt gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaar.

Verdachte heeft zijn werkzaamheden als laborant/inspecteur onvoldoende zorgvuldig uitgevoerd waardoor voornoemde gevaren konden ontstaan. Ook op de zitting heeft verdachte volgehouden dat het werk volgens alle regels is uitgevoerd, terwijl hij containments heeft vrijgegeven waarbij is gebleken dat er asbest is achtergebleven. Verdachte heeft een voorbehoud gemaakt voor delen die hij niet volledig heeft kunnen inspecteren omdat gesaneerde delen waren afgeplakt. Hij miskent daarmee zijn verantwoordelijkheid en de gevolgen van zijn handelen voor de bewoners van de betreffende woningen. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Rechtbank Midden-Nederland 25 februari 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:5273

Verdachte was als DTA ingehuurd om toezicht te houden op asbestsaneringswerkzaamheden en dat heeft hij onvoldoende gedaan. Evenmin heeft hij na de afbraak van het containment beoordeeld of er visueel geen asbest meer is waar te nemen.

Verdachte moest als DTA werkzaamheden verrichten terwijl hij wist dat hij dit niet naar behoren kon doen. Hij kon als enige DTA niet voortdurend toezicht houden op de asbestsaneringen die tegelijkertijd in diverse panden plaatsvonden. Hiermee heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat asbest en/of asbestvezels in de lucht terecht zouden komen. Verdachte heeft deze aanmerkelijke kans met zijn handelen ook welbewust aanvaard en op de koop toegenomen.

Verdachte had er als DTA van doordrongen moeten zijn geweest welke risico’s onzorgvuldige omgang met asbest met zich brengt. De omstandigheid dat de laboranten/inspecteurs hun werk niet naar behoren zouden hebben verricht, ontslaat verdachte niet van zijn verantwoordelijkheid als DTA om conform de wet- en regelgeving toezicht te houden op de asbestwerkzaamheden.

Verdachte heeft zich op enig moment tijdens de werkzaamheden wel gerealiseerd dat hij zijn taken niet goed kon uitoefenen maar heeft ervoor gekozen dit niet kenbaar te maken uit angst zijn werk kwijt te raken. Verdachte heeft daarin de verkeerde keus gemaakt, een keus waarbij hij zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de mogelijke gevolgen voor de bewoners van de betreffende woningen.

Na de saneringen, vrijgaven van en verwijdering van containments heeft een bedrijf in een later onderzoek asbesthoudend materiaal aangetroffen in 32 woningen en 4 garages. Daarnaast zijn er ondeugdelijk verpakte afvalzakken met asbesthoudend materiaal afgevoerd.

De rechtbank rekent verdachte de bewezen verklaarde gedragingen zwaar aan. In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat deze verdachte zich op de zitting verdachte rekenschap heeft gegeven van de door hem destijds gemaakte foute keuzes.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uur wegens opzettelijk en wederrechtelijk een stof in de lucht brengen, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd (feit 1 primair) en overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijke begaan, meermalen gepleegd (feit 2).

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Zie ook:

 

Print Friendly and PDF ^

'Overtredingen Brzo-bedrijven Moerdijk gestegen'

In 2014 zijn acht BRZO-bedrijven binnen de gemeente Moerdijk gecontroleerd. Bij zes van de acht (75%) zijn overtredingen geconstateerd. In 2013 was dat bij vijf van de negen BRZO-bedrijven (55%). Dat blijkt uit het jaarverslag Vergunningen en Handhaving 2014 van de gemeente Moerdijk. Bedrijven waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn bóven een bepaalde drempelwaarde, vallen onder de werking van het Besluit risico’s zware ongevallen (BRZO). Bron: Gevaarlijke Lading

 

Print Friendly and PDF ^

Milieuzaak: OM niet-ontvankelijk wegens door de verdachte geaccepteerde transactieaanbod

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 juli 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:5184 De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn strafvervolging vanwege schending van het ne bis in idem-beginsel. De verdediging heeft betoogd dat het onder 3 tenlastegelegde feit ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in artikel 68 Sr betreft als het feit dat in het - door de verdachte geaccepteerde - transactieaanbod van het openbaar ministerie van 16 april 2010 staat omschreven.

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat het openbaar ministerie wel degelijk ontvankelijk is in zijn strafvervolging. Zij heeft aangevoerd dat er niet sprake is van ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in artikel 68 Sr en heeft daarbij verwezen naar de overweging daarover in het vonnis van de rechtbank.

Oordeel hof

In de onderhavige zaak is bij brief van 16 april 2010 namens de officier van justitie een transactie aangeboden van € 4.800. Deze transactie is door verdachte voldaan.

De getransigeerde gedraging wordt in het transactieaanbod als volgt omschreven:

“Op 14 september 2009 is proces-verbaal opgemaakt tegen [bedrijf] v.o.f. (hierna [bedrijf]) in verband met overtreding van artikel 8.1. van de Wet Milieubeheer. In het kort komt het erop neer dat [bedrijf] rivierzand heeft ontvangen terwijl een bij het College van Gedeputeerde Staten ingediende melding ‘veranderen inrichting’ op dat moment niet was geaccepteerd en uiteindelijk ook niet geaccepteerd is.”

Een nadere omschrijving wordt niet gegeven. Het proces-verbaal waarover gesproken wordt bevindt zich niet bij de stukken in de onderhavige zaak. In het stamproces-verbaal heeft het hof echter wel enige opmerkingen over het onderzoek aangetroffen.

Onder feit 3 – het enige feit dat in hoger beroep nog aan de orde is – wordt verdachte het volgende verweten:

“Zij, in de periode van 11 augustus 2009 tot en met 2 september 2009, te Lelystad, althans in Nederland, opzettelijk bedrijfsmatig of in een omvang of op een wijze alsof deze bedrijfsmatig was, handelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft verricht, terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, immers heeft zij, verdachte, partijen zogenaamd kribbenzand van verschillende milieuhygiënische kwaliteit tot een partij (van ongeveer 17.045.00 kilogram) grond samengevoegd en/of vervoerd en/of in ontvangst genomen, zijnde (een) handeling(en) als bedoeld in artikel 10.1. lid 3 Wet milieubeheer.”

Op grond van de laatste volzin van artikel 74, eerste lid, Sr wordt een voldane transactie wegens een strafbaar feit gelijkgesteld met een onherroepelijke veroordeling voor dat feit. De vraag die het hof dient te beantwoorden, is of de in tenlastelegging omschreven gedraging hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr vormt als de in het transactieaanbod omschreven gedraging. Volgens bestendige jurisprudentie - toegespitst op de onderhavige situatie - dient ter beantwoording van die vraag het volgende te worden onderzocht (vgl. HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011: BM9102, NJ 2011/394):

(A) De juridische aard van de feiten.

Indien de feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft

(i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en

(ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.

(B) De gedraging van de verdachte.

Indien het transactieaanbod en de tenlastelegging niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.

Uit de bewoordingen van het begrip 'hetzelfde feit' vloeit reeds voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is nochtans dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van 'hetzelfde feit' in de zin van art. 68 Sr.

Met betrekking tot criterium (A) overweegt het hof als volgt.

De juridisch aard van de feiten verschilt voor wat betreft de toepasselijke delictsomschrijving. Artikel 8.1 van de Wet milieubeheer (oud) ziet immers op het zonder of in afwijking van een milieuvergunning in werking hebben van een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort, waarbij onder andere regels kunnen worden gesteld die betrekking hebben op de wijze waarop in zo’n installatie met afvalstoffen wordt omgegaan, terwijl artikel 10.1 Wet milieubeheer (oud) betrekking heeft op het verrichten van handeling met afvalstoffen.

Hoewel echter in hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer regelingen worden getroffen voor inrichtingen en in hoofdstuk 10 van die wet voor afvalstoffen, is het rechtsgoed dat de te onderscheiden delictsomschrijvingen beogen te beschermen in een situatie als de onderhavige wel hetzelfde, namelijk het beschermen van het milieu tegen de mogelijk nadelige gevolgen van het omgaan met afvalstoffen.

Het strafmaximum dat op de onderscheiden feiten is gesteld, is hetzelfde. In beide gevallen wordt overtreding van de bepalingen in geval van een misdrijf bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, taakstraf of geldboete van de vijfde categorie en in geval van overtreding met hechtenis van ten hoogste één jaar, taakstraf of geldboete van de vierde categorie.

In het onderhavige geval is daarmee zowel het verschil in de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden delictsomschrijvingen strekken als het verschil in de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, niet dermate groot dat geen sprake kan zijn van 'hetzelfde feit' in de zin van art. 68 Sr.

Met betrekking tot criterium (B) overweegt het hof als volgt.

De brief bij het transactieaanbod en de tenlastelegging beschrijven niet dezelfde gedraging. Het transactieaanbod ziet op het ontvangen van het kribbenzand, terwijl de tenlastelegging ziet op hetsamenvoegen en/of in ontvangst nemen van dat kribbenzand.

In de brief waarin het transactieaanbod wordt gedaan wordt geen pleegdatum of -periode genoemd, maar gelet op de data waarop de in dat voorstel genoemde processen-verbaal zijn opgemaakt, begrijpt het hof dat de getransigeerde gedraging in dezelfde periode is verricht als het tenlastegelegde feit. Ook de plaats van de handeling is in het tractievoorstel niet genoemd, maar het hof begrijpt op grond van het verhandelde ter terechtzitting en het dossier - onder andere pagina 3 van het relaasproces-verbaal - dat het gaat om het ontvangen van het kribbenzand op het terrein van de asfaltcentrale te Lelystad.

Op grond van het dossier en de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte is vast komen te staan dat medewerkers van verdachte de verschillende partijen kribbenzand naar de asfaltcentrale in Lelystad brachten en die partijen kribbenzand daar direct ‘op één hoop gooiden’. Het hof is van oordeel dat daarmee de verschillende partijen kribbenzand feitelijk werden samengevoegd. Het hof is daarom van oordeel dat er in tijd en plaats hoogstens een klein verschil bestaat tussen het ontvangen en het samenvoegen van het kribbenzand.

Conclusie

Op grond van het vorenoverwoge komt het hof tot de conclusie dat er weliswaar verschillen zijn in zowel de juridische aard van de feiten als in de gedraging van verdachte maar dat die - alles bijeengenomen - van zo beperkte betekenis zijn dat er sprake is van 'hetzelfde feit' in de zin van art. 68 Sr.1Het hof is daarom van oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van het onder 3 tenlastegelegde feit.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Nieuw Besluit risico's zware ongevallen 2015 gepubliceerd

Op 8 juli 2015 is het Besluit risico's zware ongevallen 2015 van kracht gegaan. Het Besluit risico's zware ongevallen is een gevolg van de SEVESO III-richtlijn. De regeling die hoort bij Brzo 2015 wordt naar verwachting in september van dit jaar vastgesteld.

Het Brzo 2015 komt in de plaats van het Brzo '99. De wijziging betreft voornamelijk nieuwe Europese eisen aan het categoriseren van gevaarlijke stoffen. Daarnaast verplicht het besluit om meer informatie uit inspecties openbaar te maken en moet meer informatie met de Europese Commissie worden gedeeld.

In het nieuwe besluit vallen Brzo-bedrijven, afhankelijk van de hoeveelheid en categorie indeling van gevaarlijke stoffen, onder hoog- en laagdrempelige inrichtingen. Hoogdrempelige inrichtingen zijn verplicht een veiligheidsrapport op te stellen en in te dienen. Daarin moeten bedrijven aantonen dat zij juiste maatregelen hebben genomen om zware ongevallen te voorkomen of de gevolgen ervan te beperken. Laagdrempelige inrichtingen moeten ook deze maatregelen nemen maar zonder veiligheidsrapport. Vanwege de wijzigingen in de indeling van gevaarlijke stoffen moeten de bedrijven voor 1 juni 2016 nagaan of deze wijzigingen gevolgen hebben voor de indeling. Wijzigingen moeten zij melden bij het bevoegd gezag. Door de nieuwe indeling kunnen bedrijven die tot dusver geen verplichtingen hadden, nu wel onder het Brzo2015 vallen en vice versa. Ook deze bedrijven zijn zelf verantwoordelijk om zich voor 1 juni 2016 te melden als nieuw Brzo-bedrijf bij het bevoegd gezag.

Bron: Omgevingsweb

 

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft samen met zijn zus opzettelijk kwik (verpakt in verfblikken) aangeboden ten vervoer per luchtvracht zonder erkenning

Rechtbank Noord-Holland 24 juni 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:5207 Verdachte heeft, in elk geval samen met zijn zuster, opzettelijk een gevaarlijke stof, te weten kwik, aangeboden ten vervoer per luchtvracht zonder erkenning. Door verdachte of zijn mededader werd niet aangegeven dat er een gevaarlijke stof in het pakket zat. De gevaarlijke stof is door verdachte verpakt in verfblikken, hetgeen een zeer ernstig risico inhield. Het risico van het vrijkomen van het kwik heeft zich al voordat het pakket werd vervoerd gemanifesteerd, nu één van de blikken is gaan lekken. Niet alleen het gevaar dat het kwik zou reageren met andere metalen, bijvoorbeeld het aluminium van het vliegtuig, maar ook het risico op vrijkomen van kwikdampen is door verdachte volledig genegeerd. Dit handelen heeft een groot risico kunnen veroorzaken aan boord van het vrachtvliegtuig, hetgeen door verdachte doelbewust is genomen. Om te voorkomen dat verdachte of zijn mededader getraceerd konden worden heeft verdachte de naam van een onwetende als afzender op het pakket genoteerd, hetgeen voor diegene tot grote problemen had kunnen leiden.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Door de raadsman van verdachte is, kort weergegeven en zoals geformuleerd in zijn pleitnotitie, bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging dient te worden verklaard. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat het fundamentele recht van verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden. Hij wijst op de omstandigheid dat de in beslag genomen stof na onderzoek vernietigd is en dat daardoor contra-expertise blijvend onmogelijk is geworden. Voorts is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn en wordt het beginsel van adversarial trial geschonden. De cumulatie van deze schendingen van voornoemd artikel 6 brengt mee dat het Openbaar Ministerie niet langer in de vervolging van verdachte kan worden ontvangen, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank stelt voorop dat jegens verdachte ten laste is gelegd dat hij zich, kort gezegd, tezamen en in vereniging dan wel alleen schuldig heeft gemaakt aan het aanbieden van een gevaarlijke stof ten vervoer per luchtvracht zonder daartoe verleende erkenning alsmede het onjuist verpakken en etiketteren van die gevaarlijke stof. Door het Nederlands Forensisch Instituut is vastgesteld dat de stof in onderhavige zaak kwik betreft. De kwikconcentratie van de in beslag genomen stof doet gezien de inhoud van de verdenking niet ter zake, nu het voor de strafbaarheid van de aanbieding van gevaarlijke stoffen ten vervoer per luchtvracht, zoals kwik, niet van belang is welke concentratie het betreft. Verdachte is dan ook niet in zijn verdedigingsrechten geraakt.

De rechtbank is voorts van oordeel dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte is op 2 juli 2013 als verdachte aangehouden, in verzekering gesteld en verhoord. Op die datum is ook een doorzoeking geweest in de woning van verdachte. Vanaf dat moment kon verdachte daaraan in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zou worden ingesteld. Op 13 januari 2015 is de strafzaak tegen verdachte behandeld door de economische politierechter van deze rechtbank en verwezen naar de meervoudige economische strafkamer voor inhoudelijke behandeling op 10 juni 2015. De einduitspraak zal plaatsvinden op 24 juni 2015. Er is derhalve sprake van een tijdsverloop van minder dan twee jaren. Nu die termijn, behoudens bijzondere omstandigheden waarvan niet is gebleken, ook het algemeen uitgangspunt is bij de bepaling van een redelijke termijn, is de rechtbank van oordeel dat dezeze termijn niet is overschreden.

De door de raadsman betrokken stelling dat door de inactiviteit van het Openbaar Ministerie en de vernietiging van de in beslag genomen stof het beginsel van adversarial trial is geschonden moet daarom eveneens worden verworpen, nu de rechtbank tot het oordeel komt dat verdachte niet in zijn belangen is geschaad door vernietiging van de stof alsmede dat er geen sprake is van een aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen langdurige inactiviteit in de zin van een overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank stelt aldus vast dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

Bewijsuitsluiting

Door de raadsman van verdachte is, kort weergegeven en zoals geformuleerd in zijn pleitnotitie, bepleit dat bewijsuitsluiting moet volgen ten aanzien van alle onderzoeksbevindingen die zijn verkregen ten aanzien van de in beslag genomen stof. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat, nu geen tegenonderzoek meer mogelijk is doordat de in beslag genomen stof is vernietigd, het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM is geschonden.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Beoordeling rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

Op 19 oktober 2012 wordt door verdachte een kartonnen doos aangeboden ter verzending per luchtvracht bij koerier in Lelystad. Deze doos is vervolgens door het bedrijf 1 naar Schiphol vervoerd en daar aangeboden bij het bedrijf 2 voor luchtzending. De afzender betreft volgens opgaaf: afzender te Hilversum. De ontvanger betreft: medeverdachte 1 te Paramaribo, Suriname.

Op 25 oktober 2012 wordt de kartonnen doos door de douane geïnspecteerd door middel van scannen waarbij een afwijkend beeld wordt geconstateerd. Bij het openen van de doos ziet de douane een vijftal verfblikken. Bij het optillen van een van deze blikken blijkt dat dit verfblik een sterk afwijkend gewicht heeft. Na opening van een blik wordt een metaalkleurige vloeistof gezien die qua kleur, samenstelling en het hoge gewicht doet denken aan kwik. Op 29 oktober wordt de doos door de douane overgedragen aan de Inspectie Leefomgeving en Transport, die de doos nader inspecteert. De buitenzijde van de verpakking vermeldt geen gevaarlijke stof en de verpakking is niet UN-gekeurd. In de doos liggen een aantal kledingstukken en op de bodem worden vijf verfblikken, staande in uitsparingen in polystyreen aangetroffen. De verfblikken hebben elk een etiket met daarop het opschrift ‘Super Aluminiumverf schilders kwaliteit’. Nader onderzoek naar één van de verfblikken wijst uit dat deze is gevuld met een metaalkleurige substantie, vermoedelijk kwik. Vastgesteld wordt dat de doos en de vijf verfblikken tezamen 13 kilogram wegen.

Door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) wordt de inhoud van vier van de verfblikken nader onderzocht, alsmede druppels op de deksel van het vijfde verfblik. Het NFI stelt vast dat de substantie in en op de verfblikken metallisch kwik (Hg) bevat. Metallisch kwik kent het UN nummer 2809 (Mercury) en is genoemd in tabel 3-1 van de ICAO-TI 2011/2012. Kwik is een bijtende stof en artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht vermeldt onder sub 8 bijtende stoffen als gevaarlijke stof.

Verdachte heeft geen door onze Minister van Verkeer en Waterstaat verleende erkenning voor particulieren. De naam van verdachte komt niet voor in het systeem van erkenningshouders.

Verdachte heeft ten overstaan van verbalisanten verklaard dat hij in opdracht van zijn zus medeverdachte 1 kwik ten vervoer per luchtvracht naar Suriname heeft aangeboden. Verdachte kocht verfblikken bij bedrijf 3 en heeft in zijn woning kwik in deze verfblikken gedaan. Vervolgens heeft hij de verfblikken in foam in een kartonnen doos geplaatst. De zending werd door verdachte aangeboden bij koerier in Lelystad voor verzending naar Suriname.

Door de raadsman van verdachte is bepleit dat vrijspraak dient te volgen voor het bestanddeel ‘gevaarlijke stof(fen)’. De raadsman wijst daarbij op Verordening (EG) nr. 1102/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 inzake het verbod op de uitvoer van metallisch kwik en andere kwikverbindingen en -mengsels en de veilige opslag van metallisch kwik (hierna: EG-verordening). Artikel 1 lid 1 van de EG-verordening verbiedt onder meer de uitvoer uit de Gemeenschap van mengsels van metallisch kwik met andere substanties met een kwikconcentratie van ten minste 95%. Deze EG-verordening is ex artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de EU verbindend en rechtstreeks van toepassing. De verwezenlijking van de doelstellingen van de EG-verordening wordt uitdrukkelijk in handen van de Gemeenschap geplaatst, en bovendien wordt duidelijk gesteld dat het handhaven van ‘oude’ wetgeving na 15 maart 2011 alsmede verdergaande wetgeving niet is toegestaan. Derhalve moet het ‘Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht’ zo gelezen worden dat zij in overeenstemming is met de EG-verordening, wat betekent dat het verbod op de uitvoer van metallisch kwik uit de Gemeenschap geldt voor mengsels van metallisch kwik met een concentratie van ten minste 95%. Gezien de onderzoeksbevindingen van het NFI voldoet het door verdachte aangeboden mengsel hier niet aan en dient vrijspraak te volgen, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt vast dat het ‘Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht’ een uitwerking is van artikel 6.53 van de Wet luchtvaart. Het besluit betreft hernieuwde implementatie van internationale regelgeving, te weten Annex 18 behorende bij het ‘Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaartorganisatie’ (het Verdrag van Chicago, Trb. 1973, 109), waarin globale regels worden gegeven voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht. Artikel 2 van het besluit bepaalt dat vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht slechts mag plaatsvinden voor zover toegestaan ingevolge Annex 18 en de uitwerking van de daarin opgenomen globale regels in de Technische voorschriften voor het veilige vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht (ICAO-TI). Het belang dat deze regelgeving beschermt is de veiligheid van de luchtvaart, nu het niet in acht nemen van voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht zeer ernstige gevolgen kan hebben (Wijziging van de Wet luchtvaart vervoer gevaarlijke stoffen en van dieren, Kamerstuk 26 902 nr.3, Memorie van Toelichting).

De rechtbank overweegt verder dat de doelstelling van de voornoemde EG-verordening blijkens de preambule onder nr. 22 is de blootstelling aan kwik door middel van een uitvoerverbod en een opslagverplichting te verlagen. Onder nr. 5 van deze preambule wordt voorts overwogen dat een verbod op de uitvoer van onder meer metallisch kwik met een kwikconcentratie van ten minste 95 gewichtsprocent beoogt het wereldwijde aanbod van metallisch kwik aanzienlijk te verlagen.

De rechtbank komt gezien het voorstaande tot de conclusie dat de EG-verordening andere belangen beschermt dan het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht. Derhalve kan niet gezegd worden dat voornoemd besluit een verdergaande uitwerking is van de EG-verordening en daarom onverbindend moet worden verklaard wegens strijd met hogere regelgeving. Ook kan niet gezegd worden dat het voornoemde besluit in overeenstemming moet worden gelezen met de EG-verordening. De bepalingen van het besluit ten aanzien van hetgeen onder het begrip ‘gevaarlijke stoffen’ moet worden geschaard, zijn gericht op het beveiligen van de burgerluchtvaart en niet op de bescherming van het leefmilieu. Wegens dit verschil in strekking kan het besluit dan ook niet worden gezien als vallend binnen de reikwijdte van de EG-verordening. Eventuele strijdigheid daarmee, als gevolg waarvan aan de EG-verordening voorrang zou moeten worden verleend, is daarom niet aan de orde. Eveneens bestaat niet de verplichting het besluit te interpreteren in het licht van de EG-verordening, op grond waarvan slechts kwik met een gewichtspercentage van meer dan 95% als bijtende stof aangemerkt zou mogen worden. Aan de in de tenlastelegging voorkomende woorden ‘gevaarlijke stof(fen)’ mag daarom een betekenis worden verleend onafhankelijk van het bepaalde in de EG-verordening. Gezien het hiervoor overwogene verwerpt de rechtbank de verweren van de raadsman.

Uit de hiervoor opgenomen redengevende feiten en omstandigheden volgt dat verdachte, samen met een ander, kwik, zijnde een bijtende en daarmee gevaarlijke stof heeft aangeboden ten vervoer per luchtvracht zonder erkenning.

De rechtbank overweegt ten slotte nog dat het voorwaardelijk (en herhaalde) verzoek tot het horen van een aantal getuigen wordt afgewezen, na toetsing aan het noodzaakscriterium, op grond van het volgende. Het scenario van verdachte, dat hij onder druk zou zijn gezet om kwik aan te bieden voor vervoer per luchtvracht, is door verdachte op geen enkele manier aannemelijk gemaakt. Door verdachte is slechts de algemene stelling opgeworpen dat hij onder druk zou staan, welke stelling niet verder is onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden. Evenmin is verweer gevoerd ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte. De noodzaak tot het horen van de getuigen medeverdachte 1 en getuige 1 bestaat naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet. Datzelfde geldt voor de verzochte getuigen getuige 2 en getuige 3, nu verdachte bekent dat hij bij bedrijf 4 kwik heeft gekocht. Ten aanzien van de verzochte getuigen getuige 4 en getuige 5 bestaat evenmin noodzaak, nu ten aanzien van de rechtmatigheid van de verhoren geen verweer is gevoerd en de rechtbank ook ambtshalve geen aanleiding heeft gevonden te twijfelen aan de juistheid daarvan. Tot het horen van de getuige getuige 6 bestaat evenmin noodzaak, nu deze getuige slechts heeft verklaard over een ander feit dan het ten laste gelegde en zijn verklaring daaromtrent dan ook niet relevant is voor enig te nemen beslissing in deze zaak. Naast het ontbreken van de noodzaak tot het horen van voormelde getuigen is de verdachte door het afwijzen van dit verzoek ook niet in zijn rechtens te respecteren belangen geschaad.

Kwalificatieverweer

De raadsman heeft er op gewezen dat de bepalingen van de Wet luchtvaart, althans artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht onverbindend moeten worden verklaard wegens strijd met hogere regelgeving, namelijk de EG-verordening.

Het feit kan daarom niet worden gekwalificeerd, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt dit verweer gelet op het hiervoor overwogene, waarin zij vaststelt dat er geen sprake is van strijd met hogere regelgeving.

Door de raadsman van verdachte is voorts aangevoerd dat het bewezenverklaarde feit niet gekwalificeerd kan worden gelet op het bepaalde in artikel 55 tweede lid van het Wetboek van Strafrecht. De ten laste gelegde overtredingen van artikel 6.51 en 6.55 van de Wet luchtvaart kennen, aldus de raadsman, een systematische specialis in het bepaalde van artikel 2.6, eerste lid van het Besluit kwik en kwikhoudende producten milieubeheer jo. de Wet milieubeheer. Deze regelgeving betreft een omzetting van de EG-verordening. De raadsman wijst voorts op de ontstaansgeschiedenis van de EG-verordening en de doelstelling hiervan. Voorts wijst de raadsman er op dat de uitwerking van de EG-verordening een aanvullende voorwaarde voor strafbaarheid stelt, namelijk een kwikconcentratie van 95%. Derhalve had de specialis ten laste moeten worden gelegd, hetgeen niet is gebeurd. Dit leidt tot een onoverkomelijk kwalificatiebeletsel en dient te leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer en overweegt daartoe het volgende. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen treft ook dit verweer geen doel. De EG-verordening kent immers een andere doelstelling en beschermt een ander belang dan het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht. Van een systematische specialisverhouding is dan ook geen sprake, nu uit de totstandkomingsgeschiedenis van de EG-verordening, en daarmee de uitwerking in het Besluit kwik en kwikhoudende producten milieubeheer, niet volgt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest een specialiteitsverhouding met het bepaalde in het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht te creëren. Er is derhalve geen sprake van een specialiteitsverhouding. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.

Bewezenverklaring

Feit 1: medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 6.55, lid 1 van de Wet luchtvaart;

Feit 2: medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 6.51, lid 1 van de Wet luchtvaart.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 uur, waarvan 60 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^