Verdachte heeft samen met zijn zus opzettelijk kwik (verpakt in verfblikken) aangeboden ten vervoer per luchtvracht zonder erkenning

Rechtbank Noord-Holland 24 juni 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:5207 Verdachte heeft, in elk geval samen met zijn zuster, opzettelijk een gevaarlijke stof, te weten kwik, aangeboden ten vervoer per luchtvracht zonder erkenning. Door verdachte of zijn mededader werd niet aangegeven dat er een gevaarlijke stof in het pakket zat. De gevaarlijke stof is door verdachte verpakt in verfblikken, hetgeen een zeer ernstig risico inhield. Het risico van het vrijkomen van het kwik heeft zich al voordat het pakket werd vervoerd gemanifesteerd, nu één van de blikken is gaan lekken. Niet alleen het gevaar dat het kwik zou reageren met andere metalen, bijvoorbeeld het aluminium van het vliegtuig, maar ook het risico op vrijkomen van kwikdampen is door verdachte volledig genegeerd. Dit handelen heeft een groot risico kunnen veroorzaken aan boord van het vrachtvliegtuig, hetgeen door verdachte doelbewust is genomen. Om te voorkomen dat verdachte of zijn mededader getraceerd konden worden heeft verdachte de naam van een onwetende als afzender op het pakket genoteerd, hetgeen voor diegene tot grote problemen had kunnen leiden.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Door de raadsman van verdachte is, kort weergegeven en zoals geformuleerd in zijn pleitnotitie, bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging dient te worden verklaard. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat het fundamentele recht van verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden. Hij wijst op de omstandigheid dat de in beslag genomen stof na onderzoek vernietigd is en dat daardoor contra-expertise blijvend onmogelijk is geworden. Voorts is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn en wordt het beginsel van adversarial trial geschonden. De cumulatie van deze schendingen van voornoemd artikel 6 brengt mee dat het Openbaar Ministerie niet langer in de vervolging van verdachte kan worden ontvangen, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank stelt voorop dat jegens verdachte ten laste is gelegd dat hij zich, kort gezegd, tezamen en in vereniging dan wel alleen schuldig heeft gemaakt aan het aanbieden van een gevaarlijke stof ten vervoer per luchtvracht zonder daartoe verleende erkenning alsmede het onjuist verpakken en etiketteren van die gevaarlijke stof. Door het Nederlands Forensisch Instituut is vastgesteld dat de stof in onderhavige zaak kwik betreft. De kwikconcentratie van de in beslag genomen stof doet gezien de inhoud van de verdenking niet ter zake, nu het voor de strafbaarheid van de aanbieding van gevaarlijke stoffen ten vervoer per luchtvracht, zoals kwik, niet van belang is welke concentratie het betreft. Verdachte is dan ook niet in zijn verdedigingsrechten geraakt.

De rechtbank is voorts van oordeel dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte is op 2 juli 2013 als verdachte aangehouden, in verzekering gesteld en verhoord. Op die datum is ook een doorzoeking geweest in de woning van verdachte. Vanaf dat moment kon verdachte daaraan in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zou worden ingesteld. Op 13 januari 2015 is de strafzaak tegen verdachte behandeld door de economische politierechter van deze rechtbank en verwezen naar de meervoudige economische strafkamer voor inhoudelijke behandeling op 10 juni 2015. De einduitspraak zal plaatsvinden op 24 juni 2015. Er is derhalve sprake van een tijdsverloop van minder dan twee jaren. Nu die termijn, behoudens bijzondere omstandigheden waarvan niet is gebleken, ook het algemeen uitgangspunt is bij de bepaling van een redelijke termijn, is de rechtbank van oordeel dat dezeze termijn niet is overschreden.

De door de raadsman betrokken stelling dat door de inactiviteit van het Openbaar Ministerie en de vernietiging van de in beslag genomen stof het beginsel van adversarial trial is geschonden moet daarom eveneens worden verworpen, nu de rechtbank tot het oordeel komt dat verdachte niet in zijn belangen is geschaad door vernietiging van de stof alsmede dat er geen sprake is van een aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen langdurige inactiviteit in de zin van een overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank stelt aldus vast dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

Bewijsuitsluiting

Door de raadsman van verdachte is, kort weergegeven en zoals geformuleerd in zijn pleitnotitie, bepleit dat bewijsuitsluiting moet volgen ten aanzien van alle onderzoeksbevindingen die zijn verkregen ten aanzien van de in beslag genomen stof. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat, nu geen tegenonderzoek meer mogelijk is doordat de in beslag genomen stof is vernietigd, het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM is geschonden.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Beoordeling rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

Op 19 oktober 2012 wordt door verdachte een kartonnen doos aangeboden ter verzending per luchtvracht bij koerier in Lelystad. Deze doos is vervolgens door het bedrijf 1 naar Schiphol vervoerd en daar aangeboden bij het bedrijf 2 voor luchtzending. De afzender betreft volgens opgaaf: afzender te Hilversum. De ontvanger betreft: medeverdachte 1 te Paramaribo, Suriname.

Op 25 oktober 2012 wordt de kartonnen doos door de douane geïnspecteerd door middel van scannen waarbij een afwijkend beeld wordt geconstateerd. Bij het openen van de doos ziet de douane een vijftal verfblikken. Bij het optillen van een van deze blikken blijkt dat dit verfblik een sterk afwijkend gewicht heeft. Na opening van een blik wordt een metaalkleurige vloeistof gezien die qua kleur, samenstelling en het hoge gewicht doet denken aan kwik. Op 29 oktober wordt de doos door de douane overgedragen aan de Inspectie Leefomgeving en Transport, die de doos nader inspecteert. De buitenzijde van de verpakking vermeldt geen gevaarlijke stof en de verpakking is niet UN-gekeurd. In de doos liggen een aantal kledingstukken en op de bodem worden vijf verfblikken, staande in uitsparingen in polystyreen aangetroffen. De verfblikken hebben elk een etiket met daarop het opschrift ‘Super Aluminiumverf schilders kwaliteit’. Nader onderzoek naar één van de verfblikken wijst uit dat deze is gevuld met een metaalkleurige substantie, vermoedelijk kwik. Vastgesteld wordt dat de doos en de vijf verfblikken tezamen 13 kilogram wegen.

Door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) wordt de inhoud van vier van de verfblikken nader onderzocht, alsmede druppels op de deksel van het vijfde verfblik. Het NFI stelt vast dat de substantie in en op de verfblikken metallisch kwik (Hg) bevat. Metallisch kwik kent het UN nummer 2809 (Mercury) en is genoemd in tabel 3-1 van de ICAO-TI 2011/2012. Kwik is een bijtende stof en artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht vermeldt onder sub 8 bijtende stoffen als gevaarlijke stof.

Verdachte heeft geen door onze Minister van Verkeer en Waterstaat verleende erkenning voor particulieren. De naam van verdachte komt niet voor in het systeem van erkenningshouders.

Verdachte heeft ten overstaan van verbalisanten verklaard dat hij in opdracht van zijn zus medeverdachte 1 kwik ten vervoer per luchtvracht naar Suriname heeft aangeboden. Verdachte kocht verfblikken bij bedrijf 3 en heeft in zijn woning kwik in deze verfblikken gedaan. Vervolgens heeft hij de verfblikken in foam in een kartonnen doos geplaatst. De zending werd door verdachte aangeboden bij koerier in Lelystad voor verzending naar Suriname.

Door de raadsman van verdachte is bepleit dat vrijspraak dient te volgen voor het bestanddeel ‘gevaarlijke stof(fen)’. De raadsman wijst daarbij op Verordening (EG) nr. 1102/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 inzake het verbod op de uitvoer van metallisch kwik en andere kwikverbindingen en -mengsels en de veilige opslag van metallisch kwik (hierna: EG-verordening). Artikel 1 lid 1 van de EG-verordening verbiedt onder meer de uitvoer uit de Gemeenschap van mengsels van metallisch kwik met andere substanties met een kwikconcentratie van ten minste 95%. Deze EG-verordening is ex artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de EU verbindend en rechtstreeks van toepassing. De verwezenlijking van de doelstellingen van de EG-verordening wordt uitdrukkelijk in handen van de Gemeenschap geplaatst, en bovendien wordt duidelijk gesteld dat het handhaven van ‘oude’ wetgeving na 15 maart 2011 alsmede verdergaande wetgeving niet is toegestaan. Derhalve moet het ‘Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht’ zo gelezen worden dat zij in overeenstemming is met de EG-verordening, wat betekent dat het verbod op de uitvoer van metallisch kwik uit de Gemeenschap geldt voor mengsels van metallisch kwik met een concentratie van ten minste 95%. Gezien de onderzoeksbevindingen van het NFI voldoet het door verdachte aangeboden mengsel hier niet aan en dient vrijspraak te volgen, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt vast dat het ‘Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht’ een uitwerking is van artikel 6.53 van de Wet luchtvaart. Het besluit betreft hernieuwde implementatie van internationale regelgeving, te weten Annex 18 behorende bij het ‘Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaartorganisatie’ (het Verdrag van Chicago, Trb. 1973, 109), waarin globale regels worden gegeven voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht. Artikel 2 van het besluit bepaalt dat vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht slechts mag plaatsvinden voor zover toegestaan ingevolge Annex 18 en de uitwerking van de daarin opgenomen globale regels in de Technische voorschriften voor het veilige vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht (ICAO-TI). Het belang dat deze regelgeving beschermt is de veiligheid van de luchtvaart, nu het niet in acht nemen van voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht zeer ernstige gevolgen kan hebben (Wijziging van de Wet luchtvaart vervoer gevaarlijke stoffen en van dieren, Kamerstuk 26 902 nr.3, Memorie van Toelichting).

De rechtbank overweegt verder dat de doelstelling van de voornoemde EG-verordening blijkens de preambule onder nr. 22 is de blootstelling aan kwik door middel van een uitvoerverbod en een opslagverplichting te verlagen. Onder nr. 5 van deze preambule wordt voorts overwogen dat een verbod op de uitvoer van onder meer metallisch kwik met een kwikconcentratie van ten minste 95 gewichtsprocent beoogt het wereldwijde aanbod van metallisch kwik aanzienlijk te verlagen.

De rechtbank komt gezien het voorstaande tot de conclusie dat de EG-verordening andere belangen beschermt dan het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht. Derhalve kan niet gezegd worden dat voornoemd besluit een verdergaande uitwerking is van de EG-verordening en daarom onverbindend moet worden verklaard wegens strijd met hogere regelgeving. Ook kan niet gezegd worden dat het voornoemde besluit in overeenstemming moet worden gelezen met de EG-verordening. De bepalingen van het besluit ten aanzien van hetgeen onder het begrip ‘gevaarlijke stoffen’ moet worden geschaard, zijn gericht op het beveiligen van de burgerluchtvaart en niet op de bescherming van het leefmilieu. Wegens dit verschil in strekking kan het besluit dan ook niet worden gezien als vallend binnen de reikwijdte van de EG-verordening. Eventuele strijdigheid daarmee, als gevolg waarvan aan de EG-verordening voorrang zou moeten worden verleend, is daarom niet aan de orde. Eveneens bestaat niet de verplichting het besluit te interpreteren in het licht van de EG-verordening, op grond waarvan slechts kwik met een gewichtspercentage van meer dan 95% als bijtende stof aangemerkt zou mogen worden. Aan de in de tenlastelegging voorkomende woorden ‘gevaarlijke stof(fen)’ mag daarom een betekenis worden verleend onafhankelijk van het bepaalde in de EG-verordening. Gezien het hiervoor overwogene verwerpt de rechtbank de verweren van de raadsman.

Uit de hiervoor opgenomen redengevende feiten en omstandigheden volgt dat verdachte, samen met een ander, kwik, zijnde een bijtende en daarmee gevaarlijke stof heeft aangeboden ten vervoer per luchtvracht zonder erkenning.

De rechtbank overweegt ten slotte nog dat het voorwaardelijk (en herhaalde) verzoek tot het horen van een aantal getuigen wordt afgewezen, na toetsing aan het noodzaakscriterium, op grond van het volgende. Het scenario van verdachte, dat hij onder druk zou zijn gezet om kwik aan te bieden voor vervoer per luchtvracht, is door verdachte op geen enkele manier aannemelijk gemaakt. Door verdachte is slechts de algemene stelling opgeworpen dat hij onder druk zou staan, welke stelling niet verder is onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden. Evenmin is verweer gevoerd ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte. De noodzaak tot het horen van de getuigen medeverdachte 1 en getuige 1 bestaat naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet. Datzelfde geldt voor de verzochte getuigen getuige 2 en getuige 3, nu verdachte bekent dat hij bij bedrijf 4 kwik heeft gekocht. Ten aanzien van de verzochte getuigen getuige 4 en getuige 5 bestaat evenmin noodzaak, nu ten aanzien van de rechtmatigheid van de verhoren geen verweer is gevoerd en de rechtbank ook ambtshalve geen aanleiding heeft gevonden te twijfelen aan de juistheid daarvan. Tot het horen van de getuige getuige 6 bestaat evenmin noodzaak, nu deze getuige slechts heeft verklaard over een ander feit dan het ten laste gelegde en zijn verklaring daaromtrent dan ook niet relevant is voor enig te nemen beslissing in deze zaak. Naast het ontbreken van de noodzaak tot het horen van voormelde getuigen is de verdachte door het afwijzen van dit verzoek ook niet in zijn rechtens te respecteren belangen geschaad.

Kwalificatieverweer

De raadsman heeft er op gewezen dat de bepalingen van de Wet luchtvaart, althans artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht onverbindend moeten worden verklaard wegens strijd met hogere regelgeving, namelijk de EG-verordening.

Het feit kan daarom niet worden gekwalificeerd, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt dit verweer gelet op het hiervoor overwogene, waarin zij vaststelt dat er geen sprake is van strijd met hogere regelgeving.

Door de raadsman van verdachte is voorts aangevoerd dat het bewezenverklaarde feit niet gekwalificeerd kan worden gelet op het bepaalde in artikel 55 tweede lid van het Wetboek van Strafrecht. De ten laste gelegde overtredingen van artikel 6.51 en 6.55 van de Wet luchtvaart kennen, aldus de raadsman, een systematische specialis in het bepaalde van artikel 2.6, eerste lid van het Besluit kwik en kwikhoudende producten milieubeheer jo. de Wet milieubeheer. Deze regelgeving betreft een omzetting van de EG-verordening. De raadsman wijst voorts op de ontstaansgeschiedenis van de EG-verordening en de doelstelling hiervan. Voorts wijst de raadsman er op dat de uitwerking van de EG-verordening een aanvullende voorwaarde voor strafbaarheid stelt, namelijk een kwikconcentratie van 95%. Derhalve had de specialis ten laste moeten worden gelegd, hetgeen niet is gebeurd. Dit leidt tot een onoverkomelijk kwalificatiebeletsel en dient te leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer en overweegt daartoe het volgende. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen treft ook dit verweer geen doel. De EG-verordening kent immers een andere doelstelling en beschermt een ander belang dan het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht. Van een systematische specialisverhouding is dan ook geen sprake, nu uit de totstandkomingsgeschiedenis van de EG-verordening, en daarmee de uitwerking in het Besluit kwik en kwikhoudende producten milieubeheer, niet volgt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest een specialiteitsverhouding met het bepaalde in het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht te creëren. Er is derhalve geen sprake van een specialiteitsverhouding. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.

Bewezenverklaring

Feit 1: medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 6.55, lid 1 van de Wet luchtvaart;

Feit 2: medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 6.51, lid 1 van de Wet luchtvaart.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 uur, waarvan 60 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF