Overtreding Wet Milieubeheer door overbrengen afvalstoffen van Duitsland naar Nederland zonder vereiste kennisgeving aan de betrokken autoriteiten

Rechtbank Gelderland 5 maart 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:1400

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij de Wet Milieubeheer heeft overtreden door het overbrengen van afvalstoffen zonder vereiste kennisgeving daarvan aan de betrokken autoriteiten en het inzamelen en verhandelen van (gevaarlijke) afvalstoffen zonder als inzamelaar en handelaar ingeschreven te staan.

Verdachte zou gedurende de periode 21 augustus 2013 tot en met 24 oktober 2013 in de gemeente Rijnwaarden en in Duiven, Zeist, Doetinchem en Deventer opzettelijk autowrakken, accu’s, metaal, schroot, witgoed en bruingoed hebben ingezameld, zonder dat hij als inzamelaar ingeschreven stond op de VIHB-lijst van vervoerders, inzamelaars, handelaars en bemiddelaars.

Bewijsuitsluitingsverweer

De raadsman heeft bepleit dat de door zijn cliënt afgelegde verklaring nadat hij in verzekering is gesteld, dient te worden uitgesloten van het bewijs. Het betreft de verklaring zoals die is afgelegd tijdens het vierde verhoor. De raadsman stelt hiertoe dat niet uit het dossier kan worden afgeleid dat de melding van inverzekeringstelling aan de Raad voor de Rechtsbijstand is verzonden. De raadsman is van mening dat dit een vormverzuim wegens schending van de Salduz-jurisprudentie is en dat dit op grond van artikel 359a Sv dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs.

Volgens de rechtbank betreft de zaak op grond van de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor een ‘categorie B-zaak’. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de informatie in het dossier niet met zekerheid is vast te stellen dat de melding van inverzekeringstelling daadwerkelijk aan de Raad voor de Rechtsbijstand is gefaxt. Dit had volgens de Aanwijzing wel moeten geschieden. Er is derhalve sprake van een vormverzuim. Het faxen van de melding van inverzekeringstelling aan de piketcentrale betreft op grond van de Aanwijzing echter een formaliteit, die niet leidt tot het stilleggen of het niet aanvangen van het verhoor van verdachte, nu verdachte, naar het oordeel van de rechtbank: ondubbelzinnig, afstand had gedaan van zijn recht op consultatiebijstand, hetgeen door de verdachte ter terechtzitting ook is bevestigd. Ook indien er met zekerheid zou kunnen worden vastgesteld dat er een fax was verstuurd, hadden verbalisanten verdachte zonder tussenkomst van een advocaat mogen verhoren. Om die reden volstaat de rechtbank met het vaststellen dat sprake is van vormverzuim en zal zij hier geen consequenties aan verbinden, nu de verdachte door dit verzuim niet in zijn belangen is geschaad. Aldus zal de verklaring van verdachte, zoals afgelegd in het vierde verhoor, niet worden uitgesloten van het bewijs.

Feit 1

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin Sv en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Feit 2

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om zijn cliënt vrij te spreken van het onder 2 tenlastegelegde. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat zijn cliënt afvalstoffen heeft ingezameld als (civielrechtelijk) werknemer van het familiebedrijf. Hij stond zelf niet ingeschreven in de VIHB-lijst, maar werkte onder de vergunning en onder de VIHB-inschrijving van dit bedrijf. Voorts is de raadsman van mening dat niet kan worden bewezen dat zijn cliënt voor zichzelf bedrijfsmatig afvalstoffen heeft verhandeld.

Oordeel rechtbank

De rechtbank verwerpt de verweren van de raadsman en overweegt het volgende.

Door de verdediging is bepleit dat er sprake was van een civielrechtelijke arbeidsverhouding tussen bedrijfsnaam 1 en verdachte. De rechtbank acht dit niet aannemelijk geworden. Voorwaarden om van een civielrechtelijke arbeidsverhouding te kunnen spreken zijn onder meer het uitbetalen van salaris door de werkgever aan de werknemer en een hiërarchische zeggenschapsverhouding tussen beide partijen. Aan deze voorwaarden is niet voldaan. Verdachte heeft ter terechtzitting geen duidelijkheid over zijn inkomsten verschaft. Hij heeft enkel verklaard dat hij zo nu en dan slechts wat kleine bedragen van zijn broer, ontving als extraatje, maar geen (maandelijks) salaris. Er is geen schriftelijke arbeidsovereenkomst getekend, aldus verdachte. Ook volgt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende uit het dossier dat verdachte als werknemer in opdracht van zijn broer handelde en dus dat er sprake zou zijn van een hiërarchische zeggenschapsverhouding. Verdachte gebruikte voor het inzamelen van afvalstoffen immers zijn eigen auto en plaatste in eigen naam een advertentie ten behoeve van het ophalen van onder andere oud ijzer op www.marktplaats.nl. Dat verdachte deze advertentie uitsluitend voor zijn broer heeft geplaatst, zoals ter terechtzitting is bepleit, is naar het oordeel van de rechtbank niet uit de advertentie af te leiden. Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat zijn broer pas op het moment van aankomst van de afvalstoffen bij het bedrijf op de hoogte kwam van de door verdachte ingezamelde afvalstoffen. Tot aan dat moment zorgde verdachte voor de advertentie op internet, voor de telefonische contacten met de klanten en voor het ophalen en afleveren van de afvalstoffen. De rechtbank concludeert daaruit dat het inzamelen van afvalstoffen kennelijk verdachtes initiatief was en geschiedde onder zijn eigen verantwoordelijkheid.

Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij wel eens voor zichzelf afvalstoffen inzamelde. Als hij de afvalstoffen in die gevallen naar zijn broer bracht, kreeg hij door hem betaald. Hij bracht echter ook afvalstoffen naar bedrijfsnaam 2 in Deventer, bedrijfsnaam 3 in Zeist en, onder meer koelkasten, naar bedrijfsnaam 4 in Doetinchem. Ook dan kreeg hij daarvoor geld, zo heeft verdachte verklaard.

Uit tapgesprekken die zich in het dossier bevinden volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte in de tenlastegelegde periode auto’s aankocht en de katalysators verkocht aan in ieder geval bedrijfsnaam 2 en 4. Zo heeft hij in een telefoongesprek met ene man 1 op 16 oktober 2013 gezegd dat hij katalysatoren weg moest brengen in Deventer en de volgende dag bij die man 1 een auto komt ophalen. Op 2 oktober 2013 voert verdachte een gesprek met bedrijfsnaam 4, waarin verdachte zegt dat hij zo twee autootjes komt brengen en dat hij graag wil weten wat de katalysatoren opbrengen. In een gesprek met ene man 2 op 23 september 2013 biedt man 2 een Toyota Celeca te koop aan, waarop verdachte reageert dat hij die wel wil voor 175 euro, waar man 2 vervolgens mee akkoord gaat. Op 15 oktober 2013 belt verdachte met bedrijfsnaam 2 (de rechtbank begrijpt: bedrijfsnaam 2) en meldt hij dat hij weer 9 katalysatoren heeft. Ze maken een afspraak dat verdachte de volgende dag om 7 uur bij bedrijfsnaam 2 zal zijn.

De rechtbank is gelet op het vorengaande van oordeel dat verdachte een eigen verantwoordelijkheid had om bij het inzamelen en verhandelen van afvalstoffen de daarvoor bestemde regels in acht te nemen. Verdachte heeft dit nagelaten. Hij stond niet vermeld op de VIHB-lijst, terwijl hij afvalstoffen van Duitsland naar Nederland vervoerde. Naar eigen zeggen was hij niet op de hoogte van de voor zijn handelen geldende regelgeving. Verdachte heeft desalniettemin opzettelijk bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen ingezameld en verhandeld. Daarmee is voldaan aan het vereiste van kleurloos opzet, dat in het economisch strafrecht volstaat. Dat verdachte op de hoogte was dat het onder meer om gevaarlijke afvalstoffen ging, blijkt uit zijn eigen verklaring. Bij de politie heeft hij namelijk verklaard dat hij weet dat er een vies stofje in koelkasten zit en dat hij er daarom ook verder niets mee te maken wil hebben.

Gelet op het vorengaande, alles in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 aan verdachte tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Bewezenverklaring

Feit 1: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Feit 2: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.45 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd en overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.55 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 180 uren waarvan 80 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft geen melding gedaan van zijn voornemen om grond op het gebied toe te passen, terwijl hij daartoe op grond van het Besluit bodemkwaliteit wel was gehouden

Rechtbank Den Haag 3 maart 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:2215

Aan verdachte is overtreding van artikel 37 lid 1 Besluit bodemkwaliteit en artikel 13 Wet bodembescherming ten laste gelegd.

Vrijspraak feit 2

Artikel 13 van de Wet bodembescherming (hierna: Wbb) luidde ten tijde van de bewezenverklaarde feiten als volgt: “ieder die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging of aantasting zich voordoet, de bodem te saneren of die aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien de verontreiniging of aantasting het gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen.”

De Wbb stelt regels om de bodem te beschermen in het belang van de bescherming van het milieu. Artikel 13 Wbb betreft een zorgplichtbepaling, bestaande uit het nemen van preventieve maatregelen om verontreiniging of aantasting van de bodem te voorkomen indien de veroorzaker weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat de bodem kan worden verontreinigd. Voorts geldt ingevolge artikel 13 Wbb de plicht voor de veroorzaker om, als al sprake is van verontreiniging, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Het gaat derhalve om een dubbele zorgplicht.

Het gaat bij artikel 13 Wbb derhalve om de vraag of de handelingen, in dit geval het toepassen van grond, bodemverontreiniging en/of aantasting kán veroorzaken.

Het voorgaande betekent dat verdachte in de eerste plaats zich ervan dient te vergewissen dat door dat handelen de bodem niet verontreinigd zou kunnen worden. Ten tweede diende verdachte er na het toepassen van de grond op de bodem er alles aan te doen om – na de ontdekking van de verontreiniging – de gevolgen van de verontreiniging zoveel mogelijk te beperken.

Eerste zorgplicht

De eerste zorgplicht ziet op twee componenten: de toe te passen grond en de bodem waarop de grond wordt toegepast. Uit onderzoek voorafgaand aan het toepassen van de grond bleek dat de toe te passen grond de kwaliteit ‘Wonen’ bezat. Vervolgens diende verdachte zich ervan te vergewissen dat door het toepassen van de partij grond van de kwaliteit ‘Wonen’ de bodem niet verontreinigd zou worden. In dat kader overweegt de rechtbank dat uit het verhoor van verdachte van 19 juni 2012 volgt dat de verantwoordelijk ambtenaar bij de gemeente Rotterdam, de heer betrokkene, aan verdachte heeft meegedeeld dat de bodem waarop de grond toegepast zou worden industrieterrein was en dat daarom de grond met de kwaliteit ‘Wonen’ toegepast mocht worden. Betrokkene heeft dit tijdens zijn verhoor van 29 mei 2012 bevestigd. De rechtbank is, gelet op de mededeling van de ambtenaar van de gemeente Rotterdam, van oordeel dat verdachte in voldoende mate de eerste zorgplicht van artikel 13 Wet bodembescherming heeft vervuld.

Tweede zorgplicht

Voor beantwoording van de vraag of verdachte heeft voldaan aan tweede zorgplicht die uit artikel 13 van de Wet bodembescherming voortvloeit – of na de verontreiniging van de bodem al het noodzakelijke is gedaan – is van belang of de bodem ook daadwerkelijk is verontreinigd door het handelen van verdachte. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Ten tijde van het toepassen van de grond door verdachte op 18 januari 2012 tot en met 19 januari 2012 gold het Besluit bodemkwaliteit. Op grond van voornoemd besluit mocht de toe te passen grond de maximale waarden die gelden voor de daar geldende bodemfunctieklassen ‘Achtergrondwaarden’ (artikel 56), ‘Wonen’ en ‘Industrie’ (artikel 59) niet overschrijden. In voornoemde periode was evenwel door het bevoegd gezag nog geen gebiedskaart ten aanzien van gebied, waartoe adres 2 en adres 3 behoren, met daarop bodemkwaliteitsklassen vastgesteld. Het Besluit bodemkwaliteit voorziet in een dergelijke situatie en schrijft dan voor dat de bodemkwaliteitsklasse wordt vastgesteld door de toepasser. Uitgangspunten daarbij zijn de waarden van het gebied zoals die blijken uit de toen geldende Nota Actief bodem- en Bouwstoffenbeheer 2002 (hierna: Nota van 2002).

In het aanvullend proces-verbaal AH-104 van 23 januari 2014 komt verbalisant tot de conclusie dat het gebied op basis van de waarden zoals genoemd in de Nota van 2002 de kwalificatie ‘Industrie’ zou krijgen. Deze Nota was (uiterlijk) geldig tot 16 april 2012, derhalve tot na de ten laste gelegde periode. Het feit dat de ‘Ontwerpnota Actief Bodem- en Baggerbeheer Rotterdam’, die pas in 2013 door het bevoegd gezag is vastgesteld, de bodemkwaliteitsklasse Achtergrondwaarde toekent aan het gebied, doet daar niet aan af. Op basis van voornoemd proces-verbaal kan voorts worden vastgesteld dat de waarden van de door verdachte toegepaste grond niet de maximale waarden overschrijden die gelden voor ‘Industrie’ of ‘Wonen’. . Nu voor de ontvangende bodem in de ten laste gelegde periode de waarde ‘Industrie’ gold, kan niet gezegd worden dat deze bodem door het handelen van verdachte is verontreinigd.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in strijd met artikel 13 van de Wet bodembescherming heeft gehandeld. Derhalve zal de rechtbank verdachte vrijspreken van dit haar tenlastegelegde feit.

Gezien het voorgaande behoeven de ter terechtzitting door de raadsman gevoerde verweren geen bespreking.

Feit 1

Over de feiten bestaat geen discussie. Verdachte heeft in opdracht van de gemeente Rotterdam in de periode van 18 januari 2012 tot en met 20 januari 2012 2.676m3 grond toegepast te Rotterdam zonder dat het voornemen daartoe ten minste vijf werkdagen tevoren was gemeld aan het bevoegde gezag.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte in opdracht van de gemeente Rotterdam handelde en dat daarom niet verdachte maar de gemeente Rotterdam als toepasser in de zin van artikel 42 van het Besluit bodemkwaliteit aangemerkt dient te worden.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit wordt onder toepassen verstaan: het aanbrengen, verspreiden of tijdelijk opslaan van grond, alsmede het laten verrichten daarvan. Oftewel, er kunnen meerdere toepassers zijn die op grond van artikel 42 van het Besluit bodemkwaliteit verplicht zijn om een voornemen tot het toepassen van grond binnen vijf dagen te melden. Artikel 4, vijfde lid, van het Besluit bodemkwaliteit bepaalt kort gezegd dat als een van de toepassers een melding doet, de melding voor alle toepassers geldt.

In onderhavige situatie bestond aldus voor zowel de gemeente Rotterdam als voor verdachte een eigen verantwoordelijkheid en verplichting om het voornemen te melden. Verdachte noch de gemeente Rotterdam hebben evenwel tevoren een melding gedaan.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging geen melding heeft gedaan. Immers, ieder van de toepassers heeft een eigen verantwoordelijkheid om de melding te doen.

De rechtbank acht voorts bewezen dat de Grondbank het feit opzettelijk heeft gepleegd. In dit verband geldt dat voor het bewijs van opzet in het economisch strafrecht kleurloos opzet voldoende is, hetgeen betekent dat het voor de beoordeling van dit feit niet van belang is of verdachte wel of niet wist dat hij de melding moest doen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte grond heeft toegepast zonder voorafgaande een melding te doen overeenkomstig artikel 42 van het Besluit bodemkwaliteit.

Verontschuldigbare rechtsdwaling?

De raadsman heeft aangevoerd dat er sprake is van verontschuldigbare rechtsdwaling omdat de verdachte handelde op basis van een onjuist advies van het bevoegd gezag.

Dit verweer treft geen doel. Vooropgesteld moet worden dat voor het slagen van een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezen verklaarde feit, vereist is dat aannemelijk is dat een verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging (vgl. HR 23 mei 1995, NJ 1995, 631). Van een zodanige onbewustheid kan slechts sprake zijn, indien de verdachte ten tijde van het begaan van het feit in de overtuiging verkeerde, dat zijn gedraging niet ongeoorloofd was. Daarbij kan van belang zijn dat de verdachte is afgegaan op een in redelijkheid vertrouwenwekkend advies over de straffeloosheid van het gedrag.

Het feit dat de gemeente Rotterdam de opdrachtgever was, ontslaat verdachte niet van haar wettelijke verplichting om vijf dagen voorafgaand aan het voornemen van het toepassen van de grond dit aan het desbetreffende bevoegde gezag (zijnde het meldpunt bodemkwaliteit) te melden. Dat het bevoegde gezag onderdeel uitmaakt van de gemeente Rotterdam doet daar niets aan af. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij wist dat er gemeld moest worden maar dat omdat ook de gemeente Rotterdam en dus het bevoegd gezag betrokken was bij de toepassing, hij er van uit ging dat hij niet meer hoefde te melden. Het feit dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat de gemeente de melding zou doen dan wel dat melding niet langer nodig was kan echter geen gerechtvaardigd beroep op rechtsdwaling doen ontstaan, nu verdachte had moeten verifiëren of die melding ook daadwerkelijk was gedaan dan wel of het niet langer noodzakelijk was dat er gemeld zou moeten worden.

Bewezenverklaring

Het opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 12a van de Wet bodembescherming, begaan door een rechtspersoon.

Strafoplegging

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij, als professionele speler op het gebied van grondwerkzaamheden, zich bij zijn werkzaamheden onvoldoende heeft bekommerd om de milieuvoorschriften.

De rechtbank ziet in de door verdediging aangevoerde omstandigheden - het handelen van de gemeente Rotterdam en de onduidelijkheid van de complexe regelgeving -, geen aanleiding tot strafvermindering. Wel ziet de rechtbank in de omstandigheid dat verdachte van feit 2 wordt vrijgesproken, aanleiding om een lagere geldboete op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. Om de verdachte er in de toekomst van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, zal een deel van de geldboete voorwaardelijk worden opgelegd.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 5.000 waarvan € 2.500 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Concept Wetsvoorstel implementatie herziening mer-richtlijn (Wihm)

De Europese richtlijn voor milieueffectrapportage (mer) is herzien (Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten). Het Concept Wetsvoorstel implementatie herziening mer-richtlijn (Wihm) is ter consultatie online geplaatst.

De wijzigingen moeten uiterlijk 16 mei 2017 zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. Dit betreft wijzigingen in de Wet milieubeheer, de Crisis- en herstelwet en het Besluit mer.

Doel van de wijziging van de mer-richtlijn is om:

  • De geconstateerde tekortkomingen in de uitvoeringspraktijk van de richtlijn te verhelpen;
  • Een actualisering door te voeren die aansluit op ecologische en sociaal-economische veranderingen en uitdagingen;
  • De richtlijn in overeenstemming te brengen met de ‘beginselen van slimme regelgeving’ van de EU;
  • De uitspraken van het Hof van Justitie van de EU in de regelgeving vast te leggen;
  • De mer-beoordelingsprocedure te verduidelijken;
  • De kwaliteit en de inhoud van het MER te verbeteren;
  • De mer-procedure te stroomlijnen met milieubeoordelingen uit hoofde van andere EU-regelgeving.

Verwachte effecten van de regeling:

  • Het bevoegd gezag krijgt er enkele ‘nieuwe’ taken bij in de mer-procedure en de mer-beoordelingsprocedure volgens de Wet milieubeheer. Deze ‘nieuwe’ taken zijn overigens voor het grootste deel al staande praktijk en/of vloeiden al voort uit andere regelgeving, zoals de Algemene wet bestuursrecht.
  • Initiatiefnemers van een mer-beoordelingsplichtig project kunnen voortaan aangeven welke maatregelen zij nemen om nadelige milieueffecten te voorkómen. Mogelijk hoeven hierdoor minder MER-en opgesteld te worden.
  • Initiatiefnemers die een milieueffectrapport (MER) op moeten stellen, moeten rekening houden met een aantal veranderde eisen aan het MER. Het gaat hier voor het grootste deel om verschuivingen en andere zwaartepunten binnen de informatie.
  • Het bevoegd gezag moet voortaan aangeven of het nodig is dat de initiatiefnemer bepaalde milieueffecten monitort.
  • Belanghebbenden moeten in de toekomst langs elektronische weg geïnformeerd worden over mer-procedures.

Relevante documenten:

Print Friendly and PDF ^

Openbaar ministerie niet ontvankelijk verklaard in milieuwetgeving zaak

Het gerechtshof Amsterdam heeft afgelopen vrijdag het openbaar ministerie niet ontvankelijk verklaard in zijn vervolging van een verdachte, aangezien in deze zaak het proces-verbaal van de politie niet naar waarheid is opgemaakt. De belangen van de verdachte zijn daardoor onherstelbaar geschaad. De zaak gaat over een overtreding van de milieuwetgeving. De rechtbank heeft de verdachte eerder veroordeeld tot een geldboete van 10.000 euro, waarvan 5.000 euro voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Geen correcte kenbron

De verdachte, een vennootschap, is beschuldigd van de overtreding van diverse, het milieu beschermende regels. Het proces-verbaal dat naar aanleiding van een controle op haar terrein is opgemaakt, is bewust onvolledig en niet naar waarheid opgemaakt. De inhoud van het proces-verbaal in deze zaak is daarom niet de correcte kenbron waarop alle betrokken partijen in het strafproces moeten kunnen vertrouwen.

Geen zuiver oordeel

Er kan niet meer worden achterhaald wat exact de situatie was ten tijde van de pleegdatum. De betreffende verbalisant heeft pas jaren na dato enige openheid van zaken gegeven.

De verdachte kan zich daarom niet behoorlijk tegen de beschuldiging verdedigen en het hof kan zich geen zuiver oordeel vormen over de situatie zoals die was op het moment van de controle.

De verdachte is hierdoor zodanig in haar belangen geschaad, dat naar het oordeel van het hof een eerlijk proces niet meer mogelijk is. Bovendien is door dit zeer onzorgvuldig en niet integer optreden van het opsporingsapparaat het vertrouwen in de rechtspleging in aanzienlijke mate geschonden.

Het hof heeft aan dit vormverzuim in het vooronderzoek de meest vergaande sanctie verbonden: de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Bron: de Rechtspraak

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij art. 10.45 lid 1, onderdeel a, van de Wet Milieubeheer. Uitleg begrip ‘bedrijfsafvalstoffen’.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 februari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:1289

De verdenking betreft het, al dan niet opzettelijk, inzamelen van een aantal wasmachines en/of wasdrogers, zonder vermelding op een lijst van inzamelaars (een zogenaamde VIHB-lijst).

Standpunt verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de ingezamelde wasmachines en wasdrogers niet zijn aan te merken als bedrijfsafvalstoffen dan wel gevaarlijke afvalstoffen en dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Standpunt OM

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de door verdachte ingezamelde wasmachines en wasdrogers bedrijfsafvalstoffen zijn en dat een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit kan volgen.

Oordeel hof

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen heeft ingezameld, zonder vermelding op een lijst van inzamelaars. Voor een bewezenverklaring dient vast te staan dat de door verdachte ingezamelde wasmachines en wasdrogers zijn aan te merken als bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

Het hof is van oordeel dat de door verdachte ingezamelde wasmachines en wasdrogers zijn aan te merken als bedrijfsafvalstoffen. Doordat verdachte op meer of minder bedrijfsmatige schaal de apparaten inzamelde bij particuliere huishoudens en ze op zijn terrein opsloeg en “stripte”, verloren de apparaten hun status als afkomstig uit particuliere huishoudens.

Naar het oordeel van het hof passen deze uitleg en toepassing van de desbetreffende begrippen het beste bij de strekking van de onderhavige regeling van de Wet Milieubeheer. Het hof verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.45, eerste lid, onderdeel a, van de Wet Milieubeheer, opzettelijk begaan.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke geldboete van € 500 met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^